(2) Poëzie met een politieke boodschap

Wat is poëzie? Hoe moet deze gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan.
 

Deel 2

"Lees maar, er staat niet wat er staat" — als er één vorm van poëzie is waarbij deze leus niet opgaat, dan is dat wel bij politieke poëzie, of, nauwkeuriger geformuleerd: poëzie met een politieke boodschap. Het zou niet fraai zijn als deze gedichten een waar arsenaal aan woordenboeken vroegen om begrepen te worden. Nee: er staat wat er staat — dit lijkt bovenal de slogan te zijn van het politieke gedicht.
Of juist niet, als het bijvoorbeeld gedichten zijn met een verborgen boodschap; als er signalen in de tekst te vinden zijn die een betere wereld bepleiten, tegen de heersende maatschappelijke ideologie in. In Rusland wisten ze daar alles van. Mensen hebben er hun leven gewijd aan het ‘zuiveren’ van zulke poëtische teksten.

Poëzie en politiek. In de grond van hun samenwerking een afschuwelijk broederschap. De fijnzinnige, welbespraakte en goedgeklede estheet naast de norse, wantrouwige en bloeddorstige reus. De één heeft nog niet gesproken of de ander wil hem weer tegenspreken of uit gaan leggen. Het enige moment waarop ze echt goed lijken te harmoniëren, is in de satire, de schelmenroman en het cabaret, wanneer de piepkleine poëzie de schouders recht en flink gaat schoppen tegen de grotere broeder.
Maar in andere zaken, het verheerlijken van de daadkracht van de politiek, het bepleiten van een standpunt, het verdedigen van een overwinning, lijkt het niet te boteren tussen hen. Hoogstens kan de poëzie proberen politieke sympathieën onder de mensen op te wekken en te verwoorden. Meer is er niet. Hoezeer de poëzie het in het verleden ook geprobeerd heeft; wat is er overgebleven dat van memorabele waarde is?

Maar waarom lukt het toch niet om een pact te smeden tussen beide maatschappelijke velden? Ogenschijnlijk hebben ze zoveel gemeen. Ze worden vaak voortgedreven door dezelfde menselijke sympathieën, idealen en emoties. Door pathos, bevrijding, bewustwording en rechtvaardigheid. Beide moeten het vooral van hun retoriek hebben, van hun verbale capaciteiten en van de mogelijkheden om de taal te temmen tot hun boodschap. Hoewel de één daar overwegend beter in slaagt dan de ander.
In de grond van hun hart zijn het twee totaal verschillende werelden. Binnen de politiek draait alles om macht; binnen de poëzie om de machteloze verbeelding. En die twee zaken moet je goed gescheiden weten te houden. In het verleden is dat niet altijd gebeurd, wat soms tot bijzonder pijnlijke gebeurtenissen heeft geleid. Kunstenaars die hun leven gewijd hadden aan een artistiek ideaal om zich aan het einde ervan pas te realiseren dat het allemaal om ordinaire politiek ging. Daarentegen wil de politiek zich ook wel eens aan een gedicht vergrijpen, bijvoorbeeld om een partijprogram op te leuken. Maar zoiets heeft vaak minder vergaande consequenties. Tenzij het om censuur gaat natuurlijk.

Eigenlijk moet ik mezelf hier even corrigeren: de verbeelding is namelijk helemaal niet zo machteloos. Poëzie kan wel degelijk politiek bedrijven, en nog wel verdomd goed ook. Dat is één van de voornaamste redenen waarom politici beduidend weinig op hebben met dichters en ze het liefst na hun kunstje weer op willen sluiten in een kooitje op de plank. Politiek is immers de arena van populisten en volksmenners. Massa’s moeten gekneed en gevormd worden naar de wensen van de politicus. En niet andersom. Slechte politieke gedichten herken je dan ook aan dezelfde prangende drijfveer. De lezer moet erdoor gekneed en gevormd worden naar de wensen van de schrijver.

Maar de relatie tussen de dichter en de lezer is niet één-op-één. Die onmogelijkheid ligt in de essentie van het wezen van de taal besloten. Ieder woord is meerduidig en wekt bij iedere lezer zijn eigen associaties op. Zodoende kan een gedicht nooit zijn wil eenduidig aan een lezer opleggen. Wel kan een gedicht zijn lezer meevoeren, verleiden, naar een ander oord overbrengen: het oord van de verbeelding. En dat wordt bereikt, zoals eerder gezegd, door dat poëtische medium bij uitstek: de leugen.
Door handig gebruik van de gecultiveerde leugen wordt de lezer losgemaakt van zijn werkelijkheidsbesef. Hij opent zich voor de taal van het gedicht en de suggesties ervan. Hij verandert hierdoor, tijdelijk, in zijn geest van perspectief. Hij is aan het verbeelden. Hij is onderdeel geworden van de woorden en de associaties die ze bij hem oproepen. Maar tegelijkertijd is hij er de meester over. Dat is de wonderbaarlijke paradox van het leesproces. In dit droomrijk van mogelijkheden, interpretaties, van voorkeuren, identiteiten, van esthetische spelen en effecten; in dit droomrijk heerst dus op paradoxale wijze de lezer zelf. Hij is tegelijkertijd schepper en toeschouwer. In zijn verbeelding is op het moment van lezen iedere vorm van controle, van dictatuur, uitgesloten; behalve dan die controle die inherent is aan de taal als medium.
En voor iemand die eraan hecht om zijn normen en waarden in andere mensen gereflecteerd te zien, is dit een gevaarlijke wereld. Hij onttrekt zich aan de normen en waarden van de maatschappij. Hij ontstijgt zelfs aan de wetten van de ethica doordat de lezer de gedachte heeft uiteindelijk de controle te behouden over de scheidslijn tussen feit en fictie. Tijdens het leesproces heersen echter de wetten van de tekst boven die van de ethica. Zo kunnen wij onaangedaan over de meest gruwelijke moorden lezen; de gedachten van lustmoordenaars volgen, juist omdat we weten dat we daar niet zijn, dat we hen niet zijn.
Dit unieke procédé staat bol van de anarchistische en zelfs revolutionaire tendenties. Geen wonder dus dat iedere rechtgeaarde politicus niets van dit spel van vrijheden moet hebben. In Den Haag zou niemand meer lekker slapen als ze zouden beseffen welke, soms niet al te stabiele, bevolkingsgroepen zich in de dichtkunst trachten te bekwamen.

Kortom, de vrijheid van de verbeelding opgewekt in de lezer door het lezen van het gedicht overstijgt externe regels en ideologieën waaronder die van de politiek. Dit procédé leidt ertoe dat schrijvers, dichters en hun soortgenoten nog steeds niet welkom zijn in politiek strikt geleide samenlevingen. En ook in de meer liberale samenlevingen zijn ze eigenlijk niet welkom in de politieke arena. Maar wellicht hebben ze daar als ware schrijvers ook weinig te zoeken. De rol van een schrijver als oplettend, stemmend burger is natuurlijk een andere vraag en zeer prijzenswaardig.

Toch moeten we de relatie tussen poëzie en de politiek niet ontbinden op grond van hun basale verschillen. Afgezien van de succesvolle satire kent de poëzie een handvol andere trucjes in haar strijd tegen de politiek. Allereerst kan zij een alternatief tonen voor de heersende politieke ideologie. Ten tweede kan zij, door te benoemen, inzicht verschaffen in maatschappelijke misstanden, of personen aanwijzen die zich schuldig hebben gemaakt aan bepaalde zaken. Een soort antilyriek. Maar haar rol hierin is niet wezenlijk anders dan die van de onderzoeksjournalistiek. Ten derde kan zij de retoriek van de heersende politieke dogma’s tot zich nemen en zodanig aanpassen dat de constructies achter de politieke taal duidelijk worden. Zij kan hierdoor de daadwerkelijke afstand tussen een politiek woord en de ideologie erachter inzichtelijk maken. Maar hierin verschilt zij niet van andere kunstvormen die dit procédé ook hanteren. Denk met name aan de ‘cut up’-techniek en de collagetechnieken, waardoor bestaande teksten in andere contexten een andere boodschap laten zien.
Een ander fraai voorbeeld heb ik altijd Ginsbergs ‘force field of language’ gevonden. Hij schreef in de jaren zestig ellenlange gedichten met regels die maar bleven doorgaan. Hij gebruikte deze taalovervloed in zijn strijd tegen een gelijksoortig taalbombardement van de regering om de bevolking te beïnvloeden. Door zijn vele woorden wilde hij met talige ellebogen de politieke boodschappen wegdrukken.
Tot slot is er nog een veld dat ik onbenoemd heb gelaten en waarin de poëzie zeer succesvol is als politiek instrument: de songteksten. Juist omdat muziek de capaciteiten heeft om emoties uit te vergroten, worden de emotionele raakvlakken tussen poëzie en politiek benadrukt. Zo kweken bittere woorden uitgesproken met harde klanken een emotioneel-politiek besef bij de luisteraar. Denk maar aan een mooie klassieker als ‘Strange Fruit’, gezongen door Billy Holiday: ‘Black bodies swinging in the southern breeze / strange fruit hanging from the poplar trees’. De vruchten van een Amerikaanse lynchpartij. Of U2’s ‘Sunday Bloody Sunday’: ‘I can’t believe the news today / I can’t close my eyes / and make it go away’.

Maar in dit platte land van consensus en plat water heeft het vurige politieke vers weinig voet aan de grond gekregen. Verwacht hier geen Henriëtte-Roland-Holst-achtige taferelen. Geen zenuwachtig opengevouwen papiertje met daarop twaalf brandende, rijmende regels voor de Goede Zaak. Geen dissidenten die gedichten uit het hoofd leren om de revolutionaire inhoud ervan te eren. Geen bijna onontcijferbaar gekrabbel in de marge van een boek. En gelukkig maar. Het zou een niet zo fraai beeld betekenen van onze samenleving.

In deel drie zal ik ingaan op iets vederlichts en tegelijkertijd loodzwaars: de beeldspraak.

Geplaatst in En verder.