'Wat heb ik aan een doktersjas?'

Je bent 21. Toen ik zo oud was wilde ik rockmuzikant worden of vliegtuigontwerper en liefst beide. Waarom heb je zo jong zo onvoorwaardelijk voor iets saais als literatuur gekozen?
Onvoorwaardelijk zou ik het niet durven noemen. Als ik op het universiteitsterrein in Nijmegen rondloop, voel ik wel eens de drang de Faculteit der Natuurwetenschappen binnen te lopen om er een college biologie te volgen. Tot vlak na mijn eindexamen wilde ik zelfs geneeskunde gaan studeren, maar het moest toch maar Nederlands worden, want ik deed niets liever dan lezen, schrijven en praten. Wat had ik aan een doktersjas als ik het gelukkigst was wanneer ik theoretische stukken las over grammatica en moderne Nederlandstalige poëzie? Het heeft me trouwens geen saai bestaan opgeleverd. Literatuur(wetenschap) is enorm kleurrijk en veelzijdig. En ‘s avonds ga ik pokeren en bier drinken met mijn vrienden.

Als je mag kiezen, word je dan het liefst schrijver of wetenschapper?
Het cliché wil dat de toekomst een onzeker, zwart, gapend gat is. Voor mij geldt dat in dubbele zin: het is verrekte lastig een debuutbundel gepubliceerd te krijgen en voor een promotieplaats, die ik zeker ambieer, moet je over een winnend lot beschikken in de subsidieloterij. Ik heb het voordeel dat ik inmiddels een vrij goed netwerk heb binnen de Nijmeegse universiteit, dus wat dat betreft zijn mijn kansen op wetenschappelijk succes groter dan die als schrijver. Als ik nu een oude olielamp zou vinden, zou ik dan ook eerder wensen om het schrijverschap, al denk ik dat een schrijver vaak een wetenschapper is en andersom. Erik Spinoy en Geert Buelens bijvoorbeeld zijn zowel dichter als hoogleraar, en niet voor niets ontving Cees Nooteboom in 2006 een eredoctoraat.

Wie zijn voor jou de dichters die er echt toe doen?
Op dit moment, om er een paar te noemen, Mustafa Stitou, Tonnus Oosterhoff, Erik Spinoy, H.H. ter Balkt, Astrid Lampe. Stitou werpt een vervreemdende blik op onze cultuur en weet diepe gedachten op een anekdotische manier over te brengen. Oosterhoff heeft ook dat anekdotische en weet als geen ander nieuwe paden te bewandelen. Ik bewonder zijn stijl en vind zijn bewegende gedichten fascinerend. Spinoy schrijft poëzie waar ik van houd: zijn gedichten dwingen je tot nadenken maar zijn, als je je verstand uitschakelt, ook esthetisch. Voor Ter Balkt geldt hetzelfde. En Lampe? Die heeft de grenzen van taal én gedicht zo ver opgezocht dat ze beide opnieuw heeft uitgevonden.

Wat maakt een gedicht tot een gedicht van Jeroen Dera? Met andere woorden: welke thema’s en stijlelementen zijn kenmerkend voor jouw poëzie?
Ik ben er gek op andere dichters te analyseren, maar mezelf analyseer ik niet zo graag. Wel weet ik dat mijn voorkeur thematisch uitgaat naar dingen die kapot gaan. Eigenlijk is dat vreemd, want ik ben bijzonder optimistisch ingesteld. Een autobiografische lezing zit er dan ook niet in. Ik ben eerder gefascineerd door teloorgang en dat wil ik ook tot uitdrukking brengen in mijn poëzie. Terugkerende thema’s zijn dan ook de dood, de weide, de verbroken liefde (terwijl ik een uiterst stabiele relatie heb), het park, de zee, de wond. En niet voor niets hou ik van enjambement en vage metaforen.

Je doet onderzoek naar de poëzie van Faverey. Kun je kort uitleggen wat je onderzoek inhoudt?
Ik heb inderdaad laatst een artikel over Faverey geschreven, dat in maart verschijnt in Vooys, een literatuurwetenschappelijk magazine. Het artikel gaat over Favereys opvattingen over metaforiek in zijn debuutbundel Gedichten uit 1968. Men heeft vaak gesteld dat Faverey metaforen vermijdt en daar ook programmatische gedichten over geschreven heeft. Daarmee ben ik het volstrekt oneens en dat licht ik toe in het artikel. Het is een tegendraadse lezing van Favereys vroege poëzie die volgens mij veel meer recht doet aan deze dichter, niet toevallig mijn grote favoriet.

Waarom Faverey?
Omdat zijn poëzie moeilijk, verrassend en vervreemdend is. Hij schrijft gedichten waarop je je tanden kunt stukbijten en die langzaam maar zeker tot je doordringen. En toch is er na de eerste lezing die vonk. Dat maakt hem leuk om te lezen maar ook interessant voor onderzoek.

Steeds meer dichters kiezen ervoor hun werk digitaal aan te bieden in plaats van traditioneel via een uitgeverij. Hoe kijk jij daartegen aan?
Het is een slimme zet om jezelf via internet op de kaart te zetten. Als je op een gerenommeerde website weet te publiceren, vergaar je een hoop symbolisch kapitaal, om een term van Bourdieu te gebruiken. Poëzieweblogs en –sites zijn belangrijke spelers op het literaire veld geworden en het is dan ook niet verwonderlijk dat dichters daar gebruik van maken. Ze bieden je kans een reputatie op te bouwen, die ook van invloed kan zijn op je kansen op uitgave.

Wat lees jij liever, een webpagina of een bundel?
Een bundel. Die ligt lekker in de hand, je kunt ermee wegzakken in de bank, je kunt er ook in de trein mee uit de voeten… Poëzie op een webpagina is alleen prettiger wanneer ze de mogelijkheden van die pagina uitbuit. Daarom is Tonnus Oosterhoff ook zo’n magnifieke dichter: hij verstaat de kunst zowel op het papier als op het scherm te beklijven. Ik lees ook graag de papieren tijdschriften. Yang en Dietsche Warande amp; Belfort zijn mijn favorieten omdat ze primaire en secundaire literatuur afwisselen.

Kunnen we van jou binnenkort nog nieuwe publicaties verwachten?
Wat poëzie betreft heb ik al lang niets meer ingezonden. Deze inzending naar Meander is volgens mij de eerste in een jaar. Er is voorlopig niets anders op komst. Wel wil ik mijn bachelorwerkstuk gepubliceerd hebben in een literatuurwetenschappelijk magazine. Misschien is het echter verstandig dat ik dat eerst ga schrijven.

Geplaatst in Interviews.