LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Samuel Vriezen

21 mei 2026

Elke vorm legt haar eigen logica op aan het werken.

door Monique Wilmer-Leegwater

Samuel Vriezen (1973) is componist, dichter, essayist en pianist. Groeide op in Haarlem, waar hij op achtjarige leeftijd zijn eerste pianoles kreeg. Studeerde wiskunde en Alfa-informatica aan de Universiteit van Amsterdam (1990-1996). Volgde tegelijk en daarna het Koninklijk Conservatorium Den Haag (1994-2000), waar hij afstudeerde als componist.
Hij componeerde muziek voor bezettingen van strijkkwartet tot kerkorgelkwartet en van solo sopraan tot bigband, en werkte samen met ensembles uit binnen- en buitenland. Als pianist treedt Vriezen op met eigen werk. Hij heeft internationaal getoerd met zijn interpretatie van de conceptuele cultklassieker The Chord Catalogue van Tom Johnson.

foto © Patrice Winfield

 

Samuel, je won dit jaar de Grote Poëzieprijs voor je bundel  De harmonie der scheuren, een drieledig epos waaraan je tien jaar hebt gewerkt. Gefeliciteerd met die bekroning! Op je website schrijf je dat het werk ‘over alle mensen gaat’ en over ‘de hoop te mogen blijven leren’. Kun je toelichten wat je daarmee bedoelt?
Dank je wel!
‘Alle mensen’ is een van de personages in de tweede helft van het boek. In de eerste helft gaat het soms over ‘de mens’ of over ‘de vele stemmen’, en ‘alle mensen’ is in de tweede helft een soort concretisering daarvan. Kunnen alle mensen eigenlijk een ‘wij’ vormen? Zelfs een politiek subject worden, het heft in eigen hand nemen, tegenover de rijke en machtige weinigen die meestal heersen? Duidelijk is wel: ‘alle mensen’ word je niet zomaar. Het hele boek door is er een zoektocht naar ‘alle mensen’ gaande. En beren op de weg zijn er genoeg.

Maar waar waren alle mensen te vinden   Voor elkaar   Door supply chains
gescheiden tot stukken wereldsysteem   In hun eigen marktsegment onteigend
van elkanders bijstand   Verstonden ze elkaar wel   Konden we de miljarden
machtige armen niet verbinden   Wier doen, en zijn, toch allen op de planeet
aanroert   Dit signaal versterken   Van levens   Dat rondzingt door gans het raderwerk;

Alle mensen worden is misschien nooit zonder meer mogelijk, maar leren over hoe je alle mensen zou kunnen worden kan wel altijd. Studeren is misschien wel één van de activiteiten die je tot ‘alle mensen’ zou kunnen maken.

En studeerden we   Gretig bijeen   Postuleerden we met plezier verbanden
die de wereld structureren   Waren nieuwe problemen onze geschenken
aan elkaar   Ontbonden we blokkades   Zagen we steeds de planeet iets scherper;

De bundel wordt in recensies beschreven als een werk waarin veel ruimte is voor interpretatie en waarin vorm en inhoud nauw met elkaar verbonden zijn.
Je hebt er tien jaar aan gewerkt: wat was voor jou het leidende idee of vertrekpunt in dat lange proces?
Wat maakte dat deze bundel zich over zo’n lange periode van tien jaar moest ontwikkelen?
Dat leidende idee was in de eerste plaats: vorm. Dat wil zeggen, het begon in 2015 met een paar notities. Dichte, complexe, korte gedichten. Daarbij merkte ik twee dingen op.  Ten eerste: ze hadden iets te maken met de politieke situatie – de eurocrisis (het Griekse ‘nee’ tegen de Europese troika), de vluchtelingencrisis die op dat moment (en niet alleen op dat moment) schrijnend actueel was. Els Moors, mijn mederedacteur bij tijdschrift nY, vroeg mij of ik niet iets over die crises wilde bijdragen, een essay, maar ik besloot in plaats daarvan die gedichten tot reeks uit te werken. Het tweede wat me opviel: ze waren van verschillende lengte, maar de lengtes waren, in strofen gemeten, Fibonacci-getallen. Met dat gegeven kon ik ook bepalen hoe lang de complete reeks moest worden. Aldus werd de eerste versie van naar ons toe, de eerste helft van de bundel dus, gepubliceerd in nY. Het werd een reeks van acht gedichten in teruglopende lengte – naar een nulpunt toe, zeg maar.

Later bedacht ik nog twee dingen. Namelijk, dat de reeks langer moest. Extra gedichten zouden aan het begin van de reeks geplaatst moeten worden, en vanuit de logica van teruglopende lengte moesten die gedichten ook langer zijn. In die gedichten zou ik als het ware allerlei inleidende punten kunnen aanraken voor de nY-reeks. Prequels, zogezegd. Omdat de lengte ervan exponentieel is georganiseerd, wist ik ook dat er wel enig werk aan de winkel was.

Het tweede wat ik, onzalige, bedacht, was dat de hele reeks bovendien nog vergezeld moest gaan van een tegenreeks, die juist in lengte zou toenemen. Die tweede reeks zou op een of andere manier een antwoord of tegenwicht moeten bieden op de ‘crisisreeks’. Hop, nog eens vijf jaar werk erbij.

 

[F6] – Tweede ode aan de Europese Unie

nooit begonnen continent dat dwingt
.         tot improvisatie, acrobatisch
.                   tekort, zijn vragen

commando’s, iou’s in de nacht
.         van het toerisme, verkoopt
.                   de laatste rotspunt boven water

aan de laatste bieder, werkzaam-
.         heden uitgeteld, maar toch meer
.                   volk aan de poort, verward

de toekomst afgeboekt, nooit voltooide
.         menigte, machten in de nacht
                  . van het getal zonder

definitie, [jij en ik] weg-
.         gewerkt, blijven schaven, een streep
.                   naast de zee, wij

. als zwervende eis, laatste
.         harde werkers, zonder grond,
.                   stijgende lijn aan het strand

en bedes aan de lippen, afkomst
.          tussen hoor en wederhoor
.                   een anakoloet, verplicht

ons aan te zuiveren, in
.         oude steden, clandestiene
.                   waarborgen dat het niet af is

uit De harmonie der scheuren, Uitgeverij Het Balanseer, 2025

Kijk je na afronding anders naar de bundel dan tijdens het schrijven ervan?
Tijdens het schrijven las ik de gedichten allemaal honderden keren door, op zoek naar wat er nog moest worden aangescherpt. Nu het af is kan ik het eindelijk rustig lezen en me soms zelfs verbazen. Wie schrijft er nou zoiets? Dat moet ik zijn geweest! Tjonge.

Heeft de bekroning met de Grote Poëzieprijs invloed op hoe je naar je eigen werk kijkt?
De prijs op zich niet. Ik loop hooguit, zolang het geld nog niet op is, met iets rechtere rug en blijder gemoed door de wereld. Het zou wel invloed kunnen hebben op hoe anderen naar mijn werk kijken, en misschien heeft dat op zeker moment weer invloed op hoe ik er zelf naar kijk. Maar dat moet nog blijken.

Je bent componist, essayist, pianist en dichter, en je hebt ook wiskunde gestudeerd. In al die disciplines spelen vorm en structuur een belangrijke rol.
Werk je daarbij vanuit een gedeelde manier van denken, of verschilt je benadering per medium?
Elke vorm legt haar eigen logica op aan het werken. Woorden zijn niet hetzelfde als tonen en ze laten zich niet op dezelfde manier rangschikken. Ik kan planmatiger te werk gaan bij het componeren; bij deze bundel hanteerde ik wel een strikt grondplan, maar de woordjes moeten uiteindelijk toch een voor een ergens gevonden worden. Niettemin heb ik het gevoel dat ik op een abstracter niveau altijd op ongeveer dezelfde manier denk, vanuit intuïties over vorm, een zoektocht naar een bepaald soort textuur.
Wiskunde is een ander verhaal trouwens want ik ben nooit actief geweest als onderzoeker in dat vak. Het had me leuk geleken, maar de kunst riep me weg, sorry. Wel had ik geleerd hoe je wiskunde moet lezen. Wiskundige tekst biedt enkele van de meest intense, en spannende, leeservaringen die ik ken. Dan werk ik in de omgekeerde richting: de tekst bevat alle vorm en logica, maar ik moet proberen voor mezelf een intuïtie te construeren van wat er nou eigenlijk staat en hoe je dat voor je moet zien. De momenten waarop de dorre tekentjes lijken op te lossen en er plotseling een landschap van sublieme of wilde structuur om je heen opdoemt blijven onovertroffen.

Je zegt dat de woorden gevonden moeten worden, waar zoek je ze en wanneer weet je dat je het juiste woord hebt gevonden?
Dat is in het algemeen lastig te zeggen. Je weet het op een gegeven moment: dit woord klinkt goed, is ritmisch correct, zegt meer dan ik had gedacht met een enkel woord te kunnen zeggen…
Maar laat ik een voorbeeld geven van een woord in de bundel dat een rare oorsprong heeft en waar ik lang over heb moeten nadenken. In het voorlaatste gedicht, een dichte en lange tekst, gaat het plotseling over muizen. De lezer denkt ongetwijfeld te weten wat een muis is, en ik zal dat niet betwisten. Maar in dit geval komt het woord uit een onverwachte bron: in een van de meest obscure deelvakgebieden van de grondslagen van de wiskunde bestaat een concept dat is geïntroduceerd door de wiskundige Ronald Jensen, en dat ‘muis’ heet. In die hele afdeling maak ik erg veel gebruik van wiskundige terminologie en concepten, omdat wiskundigen over interessante dingen nadenken en omdat ze vaak prachtige woorden gebruiken, maar ik wilde dat zo doen, dat een lezer er niet over hoeft te struikelen of te vrezen jarenlang op extravagante wiskundige teksten te moeten studeren om mijn bundel te kunnen lezen. Dat wil ik niemand aandoen. Het woord moest dus gebruikt worden op een manier die intuïtief te lezen is, maar die wel tegelijk ook samenhangt met het mathematische concept, zij het toegepast binnen de wereld van het gedicht – en het gedicht gaat eigenlijk meer over wereldsystemen dan over wiskunde. So far, so good, en je zou zeggen dat een woord als ‘muis’ dan een godsgeschenk is. Toch heb ik er enorm lang over nagedacht: is het wel het goede woord? Want Jensen koos op nogal willekeurige gronden voor die term, die juist heel moeilijk in verband te brengen is met het knaagdier zelf. Sterker nog, hij koos met opzet een provocatieve en niet-intuïtieve term om te onderstrepen dat het mathematische concept iets betreft dat met nagenoeg niets in de rest van de wiskunde te vergelijken is. Hoe breng je dus het meest abstracte concept denkbaar (een muis is een ‘initieel fragment van het construeerbare verzamelingtheoretische universum relatief ten opzichte van een zeer groot kardinaalgetal’ – jawel – en wees gerust, ik ga dat hier niet uitleggen) in verband met iets zo concreets, en onweerstaanbaars, als een knaagdier, zo, dat het conceptueel klopt zonder dat het geforceerd wordt? Ik vind zelf dat ik het heb opgelost, en ben nu erg blij dat die muizen in het gedicht staan. Ze zijn verrassend en laten het gedicht een gekke kant op schieten, en nu begrijp ik via deze exotische omweg dat je het wereldsysteem misschien wel het beste vanuit de knaagdieren kunt begrijpen, waarom ook niet?

Los daarvan ben ik gewoon soms blij met het effect van een paar fijne, scherpe, bewegelijke, gekke, kleurrijke, woorden achter elkaar. En als een lezer dat ziet word ik zeer gelukkig, zoals in het stuk van Lisa Rooijackers voor De lage landen, waar ze naast een goede inhoudelijke lezing van de bundel ook gewoon een paar favoriete woorden aanstipt. Dan denk ik, wow, wat fijn! Er is iemand die het ook ziet, ik heb niet voor niets geleefd!

Hoeveel spontaniteit past er in een wereld van zorgvuldig opgebouwde structuren?
Misschien wel meer dan in een wereld zonder structuur. Het probleem van het vrije vers en het prozagedicht is dat ze hun eigen structuur moeten vinden. Niet elke dichter houdt zich daar ook diepgaand mee bezig, wat op zich geen probleem is want er zijn veel manieren waarop je tot een goed gedicht kunt komen. Maar een zekere vormelijke inwisselbaarheid dreigt soms wel, en als dat toeslaat, dan is er in elk geval op vormniveau eigenlijk heel weinig vrijheid en is de spontaniteit van de tekst misschien ook formalistischer dan op het eerste gezicht lijkt.

In deze bundel ben ik tweemaal (driemaal, als je het minimale middengedicht meeneemt) op zoek gegaan naar een karakteristiek ritme dat zich zowel op lange als op korte baan zou kunnen uitvouwen. Al schrijvende vonden deze ritmes zichzelf uit – naarmate ik langer met een reeks bezig was, begon ik beter te begrijpen wat het ritme van die tekst was. Bijgevolg zijn de kortere teksten ‘geïnspireerder’, mogelijk ook wilder en complexer en misschien iets minder precies, maar kunnen de langere beter spelen met de consequenties van het ritme dat ik stukje bij beetje had gevonden. En dat is ook vrijheid, of ‘spontaniteit’ zo je wilt.

 

F6 .                                                                                                     (de forcingtaal)

Wat zal jullie noemen hebben omgewerkt, jullie virtuoze keus
Uit mijn afgetelde wereld, die jullie schuin en mogelijk doortrekken,
– barbaarse bende afvalschifters, schijnbaar zonder norm of naam –
Performance van het ongekende om een kronkelige leus
Die onaantoonbaar in alle namen, aller mensen dichte levens ligt te wekken
En om een nacht van onnoembare getallen vrij te zetten – bijeen
Te brengen wat zich door geen staat, in niet één stad verzamelen liet – en wat
Zal jullie naam zijn voor het schandaal dat ‘alle mensen’ niet mocht bestaan?

uit De harmonie der scheuren, Uitgeverij Het Balanseer, 2025

Je zegt dat die ritmes zich al schrijvende uitvonden, wat gebeurt er dan eigenlijk met jou als schrijver op zo’n moment?
Het is geen moment, beide reeksen kostten me vijf jaar! Aan het begin had ik dan een algemene intuïtie – korte regels in drieregelige strofen met hoekige, contra-intuïtieve afbrekingen in de eerste reeks, lange regels die van eindrijm gebruikmaken in de laatste reeks – en in de loop van het schrijven kom ik er dan achter dat het gezochte effect het beste werkt als de regels tussen de twee en de zeven lettergrepen zijn (in de eerste reeks) of tot twintig lettergrepen hebben (in de laatste reeks). Omdat de langste gedichten het laatste geschreven zijn, zijn die ook het strengst; de kortere gedichten zijn losser in de vorm.
Wat er met mij als schrijver gebeurt? Ik krijg dan beter door wat je bent, gedicht!

Veel van je werk lijkt te draaien rond systemen en wat daarbinnen of -buiten kan gebeuren.
Wat maakt een systeem voor jou interessant als artistiek uitgangspunt?
Dat heeft veel aspecten. Ten eerste biedt het een kader waarin je kunt werken, dat is nuttig. Voor mij als schrijver, misschien ook wel voor de lezer – zelf vind ik het vaak prettig om bij het lezen ongeveer een idee te hebben waar ik me bevind binnen een boek. Voor ik een nieuw boek ga lezen kijk ik eigenlijk altijd hoeveel hoofdstukken er zijn en hoe lang ze zijn en wat voor ritme ze hebben, dat soort dingen. Ook als het gaat om een boek met een zorgvuldig gekozen structuurloosheid kijk ik altijd hoeveel pagina’s het heeft zodat ik tijdens het lezen weet of ik aan het begin ben of halverwege of op driekwart. Zodat ik als lezer ergens ben en niet nergens.

Ten tweede heeft een strenge structuuropzet ook een soort spankracht die helpt om de taal te scherpen. De harmonie der scheuren is op de lettergreep nauwkeurig geschreven, en de structuur werkt ook als een lens, verschaft een focus die dat kritische doorkammen van elke lettergreep mogelijk maakt.

Ten derde, iets inhoudelijker, kan ik de leeservaring er ook mee moduleren: ik kan zo gecontroleerde versnelling of vertraging creëren, en die tijdservaring is ook deel van de poëtische inhoud. De bundel gaat naar een nulpunt toe en er weer vandaan, en dat voel je.

Ten vierde, filosofischer, ben ik geïnteresseerd in hoe een structuur toegang geeft, niet alleen tot wat er binnen die structuur gebeurt, maar ook tot wat erbuiten ligt. In zekere zin vind ik het falen van een structuur het interessantst eraan. Geen structuur kan alles omvatten, ‘alles’ bestaat buiten de structuren om, misschien als een spel tussen structuren, maar daarvoor heb je wel iets van een structuur nodig. Alleen een structuur kan ook breuklijnen hebben. Dat is opnieuw een probleem van vrije vormen; als je daar niet scherp mee omgaat krijgen die geen buitenkant. Dat wil wel eens te behaaglijk zijn.

De titel De harmonie der scheuren suggereert iets tegenstrijdigs: samenhang die juist door breuken zichtbaar wordt. Hoe is de titel tot stand gekomen?
Ik was al een jaar of zes bezig zonder te weten wat de titel zou zijn. En toen schreef ik hem plotseling op:

                                                       of blijft na wisse snoei
Van mijn slimme routes nog wetenschap rondwaren, met fris gehoor,
Nooit gestilde nieuwsgierigheid naar de harmonie der scheuren

En ik wist direct: dat is de titel. Ik heb er natuurlijk daarna nog jaren over nagedacht. Het is een woordgrap, kan dat eigenlijk wel als titel? En wat is die ‘harmonie der scheuren’ dan eigenlijk? Dat weet ik nog steeds niet heel precies, al meen ik haar op meer en meer plekken te zien.
Zo las ik Corpus Britney, de overrompelende debuutroman van Dominique De Groen, een grote dichter die inmiddels een minstens zo grote romanschrijver blijkt te zijn. Aan het eind geeft zij het beeld van landbouwindustriële aarde die openbarst en waar gewassen gaan groeien en ongedierte gaat tieren die resistent zijn geworden tegen bestrijdingsmiddelen, als aankondiging van een nieuwe wereld voorbij het kapitalisme. Dat is een mooi voorbeeld, dacht ik: de afgedwongen ‘harmonie’ van het kapitaal (in de vorm van een gestroomlijnd, maar in zijn zuivere functionaliteit ook armoedig landbouwsysteem) wordt overtroefd door iets wat er tegelijk uit voortkomt, letterlijk erdoorheen scheurt, en een eigen, grotere, rijkere, ruwere harmonie vestigt. Maar ik zie het ook bij Plato, die (in een dialoog als de Theaitetos) gefascineerd was door het verborgen, bijna clandestiene karakter van een waarheid die niet harmonisch is – op de manier waarop irrationale getallen niet ‘harmonisch’ zijn, terwijl de Pythagoreeërs de kosmos rationaal en harmonisch hadden verondersteld.

En zo ploegt de geschiedenis voort: een permanent proces van vestiging en openbreking van ordes, die voor zolang het gaat de harmonie bepalen, maar waar steeds weer, vanuit het duister, een ruimere harmonie doorheen scheurt.

Wat betekent het voor je schrijfproces dat deze bundel zo’n erkenning heeft gekregen, verandert dat iets, of juist niet?
Wat het verandert, is dat er meer lezers komen, en dat betekent meer mogelijkheden om de tekst voort te zetten. Poëzie bestaat in uitwisseling. Maar er komt zeker geen vervolgdeel; mijn schrijfproces moet weer andere kanten op, andere ritmes en andere problemen vinden; dat moet het sowieso, prijs of geen prijs.

Hoe hoop je dat een lezer deze bundel ervaart tijdens het lezen?
Ik hoop dat zij een waanzinnige trip doormaken en dat ook hun nieuwsgierigheid naar de harmonie der scheuren oplaait!

Werk je op dit moment aan nieuw werk, en zo ja: in welke richting beweegt dat zich?
Geen poëzie op dit moment. Wat wel? Ik ga niet veel verklappen; je moet niet praten over wat nog niet voldoende is uitgekristalliseerd. Maar sinds de voltooiing van de bundel heb ik onder meer narratief proza gepubliceerd en me een tijd flink beziggehouden met algoritmische elektronische muziek. Ik ben op dit moment stukje bij beetje een album 94 Fantasias for 31 Voices aan het uitbrengen dat zeventien uur muziek zal bevatten; ruim driekwart ervan is (wij gaan er even uit voor een streepje reclame) reeds te beluisteren, ja zelfs te kopen, op Bandcamp. Voor een impressie, zie hier.

 

     Andere berichten

Interview Kris De Lameillieure

‘Ik heb geleerd tijdig de spade neer te leggen voor potlood en een stukje papier’ door Cora de Vos   Kris De Lameillieure (Torhout,...

Interview Petra Talsma

Opletten, er komt een liedje langs. door Alja Spaan   Petra Talsma, Epe (GLD) 1954, studeerde aan de Academie voor Beeldende Kunsten,...

Interview Merlijn Huntjens

Interview Merlijn Huntjens

‘Poëzie staat voor mij aan het begin van alle vormen.’ door Annet Zaagsma   Merlijn Huntjens is schrijver en dichter. In 2016, 2017...