LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Kris De Lameillieure

7 mei 2026

‘Ik heb geleerd tijdig de spade neer te leggen voor potlood en een stukje papier’

door Cora de Vos

 

Kris De Lameillieure (Torhout, 1962) studeerde Germaanse filologie, maar zijn werkzame leven speelde zich hoofdzakelijk af in het bankwezen. Hij noemt zich een familieman bij uitstek en was jarenlang betrokken bij (het jongerenwerk van) de Pinksterbeweging. Na zijn vijftigste ‘overviel de poëzie hem’ en won hij diverse prijzen en nominaties. Na een schrijfcursus bij Jarna Arns kwam het tot de debuutbundel Onderkoorts (2025, uitgeverij P).

foto © Carine Vandendriessche

 

Nog gefeliciteerd met de mooie recensie van Onderkoorts die je op Meander kreeg. Is een goede recensie een stimulans voor een tweede bundel?
Dank je wel, Cora, voor je appreciatie. Uiteraard ben je als ‘vader’ benieuwd naar indrukken over je ‘kind’. De leeservaring van Tom Veys is mij inderdaad goed bevallen net als de vijf andere recensies die ik mocht lezen. Naast de fijne elementen die aangehaald worden, heb ik minstens evenveel interesse voor ‘aandachtspunten’. Ik neem die mee bij het schrijven van andere gedichten.
Maar een ‘goede’ recensie is voor mij geen stimulans op zich. Een eventuele tweede bundel zal er pas komen als ik mij hiertoe ‘gedrongen’ voel, enerzijds vanuit mijzelf en anderzijds vanuit het lees- en luisterpubliek.

De bundel kwam tot stand na ‘geduldig en uitdagend motiveren bij het schrijven en langdurig, niet aflatend aandringen’ van dichter Jarna Arns, lezen we in het dankwoord. Je volgde bij haar een schrijfcursus. Hoe verliep die samenwerking?
In september 2021 startte ik de opleiding ‘Academie Woord – Schrijven’ bij Jana Arns in Sint-Niklaas. Drie jaar lang reed ik vanuit Wingene elke zaterdag 175 km heen en terug, maar zowat elke week had ik erg fijn contact met Jana én met mijn medestudenten.
Jana én de schrijfcollega’s wezen op het mooie in een tekst maar evenzeer op ‘haperingen’. Ze gaven nooit ‘dé oplossing’. Ik nam de feedback wel telkens mee ter overdenking en ging hiermee aan de slag. Of bleef bij mijn oorspronkelijke tekst.
De bundel is mijn eindwerk van de driejarige opleiding, een samenraapsel van gedichten van voorgaande jaren, gestructureerd rond een thema.
Jana (en een tweekoppige jury) vond het werk in die mate goed dat zij aanraadde om dit op te sturen naar een uitgever. Omdat ik dit zelf niet wilde opsturen –- ik had geen behoefte aan een publicatie –- deed zij dat zonder dat ik daarvan afwist. Nadat zij mij hiervan op de hoogte bracht, hield zij ook verder contact met de uitgever. Mij interesseerde dit nog altijd niet. Zelfs toen zij mij de bevestiging van de uitgever meldde en ik een eerste telefonisch contact had met Leo Peeraer (Uitgeverij P), ging ik niet onmiddellijk mee in het ‘uitgeven-verhaal’. Het was pas in een persoonlijk contact in Leuven dat ik toch instemde en vanaf dat moment ging ik volledig op in de zwangerschap en geboorte.

De vier afdelingen in Onderkoorts beginnen elk met een gedicht van Miriam Van hee. Waarom koos je voor haar werk, is zij een van je grote voorbeelden?
Eigenlijk heb ik geen ‘grote voorbeelden’ wat schrijven betreft. Er is geen enkele dichter van wie ik het volledige oeuvre heb of van wie ik gedichten uit het hoofd ken. Iemand proberen te kopiëren is al helemaal niet aan mij besteed en lijkt mij überhaupt tot mislukken gedoemd.
Ik stel vast dat ik ‘wakker’ blijf als ik de gedichten van MiriamVan hee lees en dat ik een langere tijd kan blijven lezen. Het lijkt mij dat in haar poëzie – althans de gedichten die ik gelezen heb –   alle haast en uitbundigheid afwezig zijn, dat er geen stemverheffing klinkt, dat niets ‘gezocht’ overkomt of zich opdringt. Ik geniet erg van de eenvoudige, directe taal, waarin een bedachtzaamheid aanwezig is. En toch zijn de gedichten niet ‘enkelvoudig’ maar dragen ze in zich een voor mij zeer voedzame gelaagdheid.
Voor mijn bundel zocht ik telkens een gedicht van Miriam Van hee waarin ik die inhoud –- per rubriek –   hoorde ‘resoneren’. Het blijft natuurlijk mijn hoop dat de lezer hetzelfde ‘hoort’ als wat bij mij is blijven hangen.

Een gedicht dat ik schreef in september 2025:

Ontmoeting

Als ik jou morgen tegenkom, je naam dan niet meer ken,
je gezicht een wandelende vreemde is voor mij,
je stem een gaas van kreukvrij wit.

Als ik je aanstaar als hebben wij elkaar nog nooit
ontmoet, geen hand op de arm gelegd, de voorhoofden
niet tegeneen geleund om zielen te lezen.

Als ik mij in rimpels terugtrek, boven je hoofd het zingen zoek
van de ijsvogel, de wandelwegen en rustplaatsen op je gelaat
verwar met vlonderpad en doolhofheg.

Vertel mij dan hoe vaak wij samen luisterden
naar voetstappen van moerasvissen, het fruitvliegje
op de appels in ons huis, zonlicht dat op aarde valt.

Hoe wij lichter werden bij het breken van uitverkoren brood
en weer kiemden als Grieks hooi, van de chocolade
in elkaars mond zeezoutkorrels likten.

Als ik jou morgen tegenkom, blijf dan jouw naam fluisteren,
je pink in de mijne haken. Strek je takken en laaf je wortels
een leven lang in mij.

Op de achterflap van je bundel staat: ‘Pas na zijn vijftigste overviel de poëzie hem’. Hoe ging die overval in zijn werk? Werkte je toen nog in het bankwezen?
Rond mijn vijftigste moest ik enkele personen en gewoontes loslaten.
Toevallig botste ik op een kleine advertentie voor de Academie Woord (2012) in de buurt van mijn toenmalige woonplaats. Dat jaar had ik een hernieuwde kennismaking met literatuur en werd aangetrokken door de poëzie. Na één jaar werkte ik in mijn eentje verder. Een tijdlang maakte ik deel uit van een schrijfgroep.
Het was de periode dat Het Gezeefde Gedicht gestart was. Ik vond er een zeer degelijk maar gelukkig ook streng klankbord voor mijn gedichten: heel regelmatig werd iets van mij gepubliceerd. Nog regelmatiger werd iets teruggestuurd met waardevolle tips.
Ik nam regelmatig deel aan wedstrijden en contacteerde tijdschriften. Zo nu en dan werd een gedicht genomineerd of gepubliceerd.
De poëzie stond altijd los van mijn job. Het was iets wat ik koesterde in mijn vrije tijd en waarin ik kon schuilen bij mezelf.

Heb je nooit gedichten geschreven tijdens de jaren van adolescentie of eerder?
Als kind en tiener las ik heel veel jongerenboeken. Poëzie kende ik toen niet. Ik volgde aan de universiteit Gent de opleiding ‘Germaanse Filologie’ met de bedoeling om in het onderwijs een loopbaan uit te bouwen. Wat zou ik momenteel graag enkele cursussen opnieuw volgen…
Na vier jaar in het onderwijs verplaatste mijn professionele carrière zich naar het bankwezen. Ik spendeerde alle tijd aan mijn gezin (vijf kinderen) en aan de Pinksterbeweging en het jongerenwerk daarbinnen (regionaal en landelijk).
Tot zowat mijn vijftigste had ik dan ook tijd noch behoefte aan lezen of schrijven. Als ik dan toch iets las, was het geen poëzie.

In de publicatie van drie gedichten op Meander vertel je dat je na een eerdere schrijfperiode van 2012 tot 2017 vanaf 2021 het dichten hervatte. ‘Persoonlijke ervaringen en herinneringen moesten blijkbaar nog verwoord worden,’ zeg je over dat interval. Je gedichten gaan veelal over de verwijdering en de dood van je ouders. Moest je eerst enkele jaren afstand nemen om de ontstane afstand te kunnen beschrijven?
Voor mijzelf had de bundel als werktitel ‘loslaten’. De ‘verwijdering’ gaat heel wat verder dan het overlijden van mijn ouders. Ik maakte een periode mee van overlijden van ouders, een echtscheiding, kinderen die het huis verlaten (wat nochtans telkens in de beste verstandhouding verliep), het lege huis-syndroom…
Aanvankelijk schreef ik zeer vlug en nam niet een rusttijd voor woord en vers. Na verloop van tijd leerde ik toch herlezen, schrappen en verbeteren, tonen in plaats van vertellen.
De afstand kan heel kort zijn (gisteren gebeurd, vannacht verdicht) of is begonnen in het oosten en blijft doorlopen tot voorbij het westen (bijvoorbeeld een miskraamkind van dertig jaar geleden). Sommige onderwerpen blijven op onregelmatige tijdstippen opduiken of laten nooit helemaal los. Ze dringen zich op en verplichten mij om ze te beschrijven, voor mijzelf én ten behoeve van de onzichtbare maar aanwezige lezer. Het bewust zijn van het bestaan van ‘een lezer’ was en is voor mij de drijfveer om mijzelf uit het gedicht te schrijven door te zorgen voor en te zoeken naar een gelaagdheid.

Een gedicht uit november 2025 (mijn vader overleed op 11 november 2019)

Wapenstilstand

Vader legt de wapens neer, hijst moedeloos
de witte vlag over het gezicht, vergeet ons

uit te zwaaien. In smalle vluchtgangen hangt sfeer
reeds lang gedoofd, ledverlichting met uitzicht

op het einde. Hij blaast een laatste keer de longen leeg,
ziet niet het nut om verder water weg te pompen.

De saturatie is bereikt, het masker knelt en wurgt.
Van de gal is bitter langzaam leeggelopen.

In slow-motion helt het hoofd achterover, vindt steun
op harde grond. Een relax zonder ligcomfort.

Hij is de achterhoede van de batterij, ongeboeid vermist.
Rond de nek een identificatieplaatje: do not recharge.

In je gedichten krijgt de lezer een flinke portie Vlaams platteland mee: de landman, zaaien, maaien, oogsten – de sfeer doet mij soms denken aan het werk van de Vlaamse meester Constant Permeke. In wat voor omgeving ben je opgegroeid?
Ik ben blij verwonderd dat je de sfeer van Constant Permeke opsnuift. Mijn beide grootvaders waren ‘kleine boertjes’. Paard en kar, de bieten vermalen in een molen en onkruid wieden met de hark, hooi in oppers zetten, … ik heb het als kind en als tiener veel gedaan. Mijn ouders hadden een grote (moes)tuin. Mijn gezin groeide op in een groot huis met een grote, netjes onderhouden tuin en dito moestuin. Bloemen waren altijd kapot gevoetbald, wat overbleef was voor de bijen en de vlinders. We kozen dagelijks de rijpste tomaten in de serre, plukten verse boontjes van de struikjes en de rijpe aardbeien hadden de kinderen meestal bijtijds geplukt. En netjes onder elkaar verdeeld. Sinds begin vorig jaar woon ik in een stad (Harelbeke). Het was en is wennen. De ‘boer’ in mij zal wel nooit sterven.
Vorig jaar ging ik met ‘vervroegd pensioen’. Twee dagen per week werk ik nog bij een plantenkweker: aarde met de blote handen voelen, vuil onder de nagels, ervaren dat de rug niet altijd even buigzaam is. Half januari de vrieskou in de vingers voelen en in juni de hete zon op je lijf weten inbeuken. En dat alles liever op het veld dan in de serre.
Ik haalde en haal er heel regelmatig inspiratie; ik vind er tijd en ruimte om gedachten te laten woekeren en heb geleerd tijdig de spade neer te leggen voor potlood en een stukje papier. Als de muze komt, moet je voorrang geven aan het vangen van het zaad.

Je was vele jaren actief in het jongerenwerk van de Pinksterbeweging. Hebben die jaren invloed gehad op je poëzie? Je gedichten zijn niet uitgesproken religieus.
Het contact met de Pinksterbeweging – of haar geloofsbeleving – ben ik verloren. Ik ben niet de persoon die blijft ‘meedraaien’ als ik mij niet meer ten volle kan engageren. In vroegere gedichten kwamen nog wel eens Bijbelse elementen ter sprake. In de gedichten in mijn bundel is het religieuze aspect, zoals door een kerk beleden, onbewust afwezig. Of zou dit vervangen zijn door bijvoorbeeld de aanwezigheid van de natuur?

Hoe werk jij aan een gedicht: heb je een schrijfritueel, zet je muziek op tijdens het schrijven, schrap en schaaf je veel?
Iets moet ‘worrelen’. Een zin, een beeld, een gedachte moet aan het borrelen zijn in dat hoofd van mij én moet daar ‘worry’. Iets moet mij dwarszitten, doen piekeren, onrustig maken. Hoe langer hoe meer wéét ik wanneer zo’n moment zich aandient. Dan kruip ik in een ‘bubbel’ en bescherm mijzelf daarin. Maar het waar en wanneer blijft onvoorspelbaar. Het schrijven zelf gebeurt in horten en stoten maar concentreert zich in een korte periode: een dag, soms enkele dagen.
Uit zo’n ‘worreling’ is bijvoorbeeld ‘Zeemleer’ geschreven, genomineerd in de Poemtata-poëziewedstrijd 2025:

Zeemleer

We hebben geleerd om te zwijgen, de dagen niet
vol te praten. Bij momenten onthouden we een woord,

vergrendelen het tussen keelkrop en middenrif in nissen.
Ons geheugen is een pad van stapstenen, in zwarte gaten

ligt verdronken verdriet. Met spagaten en hinkelsprongen
banen wij een weg, dansen uit noodzaak over wakken

op de pointe, met gevoel voor balans. Onze huid is van
zeemleer, gekleurd met rode aarde. Wij zijn zacht

bewaard door looiing, van nature in staat tot absorptie.
Voor afvoer dragen we groeven in het gelaat.

Ik heb geen vaste schrijfperiodes, geen vaste schrijfruimte. Het concrete onderwerp is ‘dwingend’. De uitkomst van het gedicht ken ik meestal niet maar wordt schrijvenderwijs duidelijk.
Dan functioneer ik nog enkel oppervlakkig totdat ik ruimte (letterlijk) en tijd (letterlijk) vind of mij die toe-eigen. Geen muziek, niet het tikken van een klok. Dan gaat het tussen mij en de laptop. Of ik ben onderweg en stuur mijzelf een mailtje met enkele woorden. Thuis neem ik die mee naar een lege plek. Het schrijven kan beginnen, het schrappen en schaven, het schuiven en verplaatsen, knippen en plakken. En nooit vergeten om ‘op te slaan’…
Ik werk graag met strofes en verzen van een bepaalde lengte. Ik ben een ‘blokjesmens’ wat dat betreft. Soms levert dat enjambementen op die anders ontsnapt zouden zijn. Of ik ga op zoek naar een beter beeld, een rijker woord. En klank hoort thuis in een gedicht. Ik lees het altijd luidop. Dan hóór je waar iets hapert.
Als het gedicht ‘af’ is, weet ik dat nog kleine veranderingen zullen gebeuren maar de grootste arbeid is geleverd. En dan kan ik genieten van een aangename moeheid.

Welke schrijfdoelen wil je nog bereiken, waar werk je nu aan?
Ik schrijf gedicht per gedicht volgens situaties en gebeurtenissen die zich voordoen. Elk gedicht heeft ergens wel een concreet gebeuren als uitgangspunt. Er was voor Onderkoorts geen ‘rode draad’ waarop ik mij baseerde, er was geen kapstok met vooraf bepaalde zijtakken waaraan ik gedichten als kleding kon ophangen….
Als ik de gedichten vanaf begin 2025 naast elkaar leg, heb ik de indruk dat de gedichten ‘als vanzelf’ bij elkaar passen. Stijl en thema’s zijn ‘anders’; de werkwijze is dezelfde gebleven. Of een tweede bundel zich aandient, weet ik niet. Het blijft voor mij hinken op twee benen…
Met twee schrijfvrienden vorm ik sinds korte tijd een schrijfgroep.
En er zijn enkele gesprekken geweest met een schrijfcollega met het oog op een ‘samenbundel’.
Verder zoek ik gelegenheden/mogelijkheden om plaatselijk ‘poëzie’ te kunnen uitdragen. Niets moét maar wat komt, zal welkom zijn.

 

 

     Andere berichten

Interview Merlijn Huntjens

Interview Merlijn Huntjens

‘Poëzie staat voor mij aan het begin van alle vormen.’ door Annet Zaagsma   Merlijn Huntjens is schrijver en dichter. In 2016, 2017...

Interview Nisrine Mbarki Ben Ayad

Interview Nisrine Mbarki Ben Ayad

'Meertaligheid is een bouwsteen van mijn wezen. Hoe kun je schrijven als je delen van jezelf weglaat?' door Cora de Vos   Nisrine...

Interview Martin M. Aart de Jong

'Ik ben het type X45ErQ99, en daarvan de b variant.' door Alja Spaan   ‘Mijn naam roept al direct complicaties op. Soms ben ik drie...