‘Voor mij is poëzie idealiter een combinatie van hoofd, hart en buik’
door Monique Wilmer-Leegwater
Lotte Dodion (1987) is dichter, performer en poëziemissionaris die poëzie inzet om verwondering en verbinding te creëren. In 2023-2024 was ze onafhankelijk stadsdichter van Antwerpen. Dodion vermengt poëzie met papier, audio, live-performances, installaties en projecten. Haar werk kenmerkt zich door kruisbestuivingen met andere disciplines, maatschappelijk engagement en een toegankelijke taal met weerhaakjes.
In 2020 richtte ze STUDIO HAIKU op, een mobiel haiku-atelier dat naar plekken reist waar poëzie ver te zoeken is en bezoekers uitnodigt om alternatieve medailles voor de ‘atleten van het gewone leven’ te maken. Lotte werkt graag met muziek, met projecten zoals Nu Nog Even Niet (met Chantal Acda), de audiomeditatie To Become Liquid Again (met Adriaan de Roover) en My Heart Still Hums (met Annelies Van Dinter), een theatervoorstelling als ode aan Patti Smith. Ze trad op bij festivals en podia als Crossing Border, Poetry International, Lowlands en publiceerde in internationale tijdschriften en bloemlezingen. Haar bundels zijn Kanonnenvlees (2016) en Verzachtende omstandigheden (2025), waarvan een selectie werd vertaald naar Frans, Engels, Duits, Slowaaks, Turks en Arabisch.
Momenteel schrijft ze aan een theatertekst en nieuwe gedichten.
foto © Mathias Hannes
Op je website lees ik dat je het als je missie ziet om verwondering te strooien in de hamsterradertjes van deze krakende tijd. Kun je daar iets meer over zeggen?
Zeker. Met mijn werk wil ik contexten creëren om poëzie te injecteren in het dagelijkse leven.
Ik geloof dat taal niet alleen constitutief, maar ook transformatief kan zijn. En dat verwondering ons beste tegengif is tegen collectief cynisme. In tijden van snelle, schreeuwerige meningen wil ik via poëzie vertragen, voelen en ter discussie stellen.
Want we kraken nogal deze dagen: ons lichaam, onze geest, ons hart, onze aarde, onze relaties: ze staan onder enorme druk en we razen maar door.
Poëzie is een oefening in aandacht, is adem, denk- en voelruimte, tegen de drukkende prikklok van de werkelijkheid in. Poëzie richt je aandacht op dingen die niet scrollend of in een to do lijst- te vangen zijn en waar we zelden meer dan een kruimeltijd aan geven, terwijl het net gaat over dat wat echt van waarde is, dat wat van ons mensen en medemensen maakt. En dus zoek ik naar prikkelende manieren om via een gedicht, een optreden of project aandacht te vragen voor wat er gebeurt onder de vloedlijn van het snelle, het zichtbare.
Ook lees ik dat je via poëzie slachtoffers en daders van zware misdrijven bij elkaar hebt gebracht. Op wat voor manier heb je dat gedaan en wat heeft het opgeleverd?
Je verwijst naar een heel specifiek project, in samenwerking met sociale organisaties die warm werk verrichten rond alternatieve detentie (Within/Without Walls, Inside Outside en de Groene Antraciet). In samenwerking met een beeldend kunstenaar heb ik een aantal schrijfworkshops begeleid waarbij we opbouwden naar een groepsgedicht.
Het ging om een proces van voorzichtig vertrouwen creëren, we schreven en bepaalden alles samen: de versregels, de volgorde, de vorm. Het gedicht is uiteindelijk aangebracht in de gevangenis, maar dat was eigenlijk niet het belangrijkste.
In zo’n project is het proces belangrijker dan het resultaat, niet het slotgedicht, wel het aanreiken van de mogelijkheid om je via woorden uit te drukken. Ik opereer graag op die plek: die van een aanstekelijke toeleider voor mensen die voor het eerst experimenteren met taal.
Voor mij persoonlijk was het project ook een oefening in medemenselijkheid. We maken graag monsters van mensen die fouten maken, om de ongemakkelijke gedachte dat we zelf uit de bocht kunnen gaan, van ons af te kunnen zetten. Ik wilde geen details van de feiten kennen om de deelnemers in hun volle menselijkheid te kunnen zien, maar de realiteit is wel dat je geen oefening met geknipte versregels kan doen omdat er geen schaar in de ruimte is toegestaan en dat je als vrouw van begin twintig zit tegenover iemand die in een vers verleden een jonge vrouw zwaar heeft toegetakeld. Dat was best uitdagend en heeft mijn waardering naar alle vormen van zorgverleners, alle mensen die dagelijks mensen dragen, torenhoog gemaakt. We gaan als maatschappij ooit terugkijken op deze tijd en het als barbaars beschouwen, dat we onze zorg zo structureel onderwaardeerden en verwaarloosden.
In al mijn projecten zit trouwens ook een vorm van zorgzaamheid, van samenbrengen over verschil heen, een uitnodiging om iets nieuws te proberen en te groeien uit een comfort zone, met taal als middel en poëzie als verbindende vorm.
–
Maak van je hart een stakingspost
waarin je kost wat kost je vuur
brandend houdt. Omdat er simpelweg geen alternatief is.
Weiger je uitdoofscenario. Laat de toekomst niet
als een stolp over je heen trekken. Duw terug.
We hebben je nodig.
–
Voed je vlammen.
Tot je hart als een kloppend protestlied uit je keel klinkt
zich de lucht inzingt als een spreekkoor
waarin nu elk moment een ander in kan vallen.
En nog een. Hoor. Je bent niet alleen.
–
Zie je hoe de nacht een stadion is geworden
waarin wij die dachten veilig thuis te zijn gekomen
nu worden uitgedaagd tot een uitmatch
tegen sterren die ons ongunstig staan.
–We zouden forfait kunnen geven omdat zij zich zo hoog ophemelen
maar niets, niemand straalt zo dichtbij als wij dat kunnen
wanneer we staan voor waar we in geloven. Dus.
–
Blaas je hart aan.
Spreek het toe. Word Vuur. Vuur. Vuur.
–
–
uit Verzachtende omstandigheden, Atlas Contact, 2025
Je debuteerde in 2016 met de bundel Kanonnenvlees. De bundel werd maar liefst vijf keer herdrukt! In 2025 verscheen Verzachtende omstandigheden, hoe verhouden deze bundels zich tot elkaar? De titels lijken elkaars tegenoverstelde te zijn.
Dat klopt helemaal. In de bijna tien jaar tussen de bundels, zit een grote persoonlijke en dus ook literaire evolutie. Vlak na Kanonnenvlees begon ik aan de contouren van een vervolgbundel, die jaren de werktitel Omerta droeg. Maar het schrijven wrong en het duurde me een tijd eer ik begreep dat ik iets anders wilde doen dan de hardheid van de werkelijkheid in mijn poëzie reproduceren. Wat je aandacht geeft, dat helpt je groeien. Taal geven aan geweld is in zekere zin ook weer een reproductie ervan.
Begrijp me niet verkeerd: het is meer dan nodig om blijvend aan te stippen waar het zeer van de wereld zit, maar ik merkte dat mijn drive in een andere richting ging: ik wilde meer doen dan het aanstippen. Ik wilde er iets naast zetten. Zonder het gewelddadige te miskennen, er iets aan toevoegen dat de zwaarte uit haar verpletterende overwicht kan duwen. Het antwoord daarop werd zachtheid, zorgzaamheid, verbondenheid, intimiteit, engagement.
Dat zijn voor mij verzachtende omstandigheden: je miskent niet dat er dingen vreselijk zijn, je blijft in de werkelijkheid gegrond, maar je wijst wel op de mogelijkheid van verandering, hoe klein ook.
Als mens en als kunstenaar beoefen ik het verzet in zachte vorm. Er zijn barricadevechters nodig en er zijn mensen nodig die aan herstelwerk proberen doen. Mijn kracht ligt in die tweede categorie.
Verzachtende omstandigheden werd op Meander besproken door Ali Şerik. In de recensie is ook een fragment geplaatst van het gedicht Dit zijn de feiten. Waarom heb je gekozen voor deze vorm bij dit gedicht en hoe belangrijk zijn typografische variaties voor jou in je werk?
Die vorm kwam organisch tijdens het schrijven. Dit zijn de feiten is een erg gefragmenteerd gedicht, zoals een opsomming van nieuwsfeiten, punt na punt na punt. Het voelde nodig om heel wat verspringingen en witruimte in te voeren om die fragmentatie ook in de vorm te introduceren. Elk fragment krijgt zo tijd om te landen. Ik testte ook andere vormen uit, maar deze breed uitgesmeerde versnippering voelde voor mij kloppend.
Op basis van Verzachtende Omstandigheden zou je zeker concluderen dat het typografische een centrale rol speelt in mijn werk. In zekere zin is dat zo, maar ook weer niet. Daarmee bedoel ik: wat essentieel is in mijn werk, is de grote vrijheid om gedicht per gedicht te kijken wat er nodig is.
Mijn stem zou ik caleidoscopisch noemen: ze buitelt en meet zich de vrijheid toe om anders te klinken. In Kanonnenvlees en ook in recent werk is de typografie niet bijzonder. In mijn volgende bundel wil ik net experimenteren met een aangehouden vorm: ik ben benieuwd of die beperking, die ik tot hiertoe vermeed, dit keer iets kan toevoegen.
Eerder dan typografische variaties zijn in mijn werk dus experimenten of uitdagingen voor mezelf essentieel. Ik zou het resultaat van mijn werk niet experimenteel noemen, maar mijn werkproces wel: heel open, veelvormig, projectmatig, kruisbestuivend en in die zin vaak – voor klassieke lezers- ‘bijzonder’.
Recensent Ali Şerik vergelijkt je poëzie met die van de Turkse dichter Nâzım Hikmet, bekend om zijn geëngageerde en hoopvolle verzetspoëzie. Herken je jezelf in deze vergelijking? Welke dichters hebben jou vooral beïnvloed?
Ik was erg vereerd met die vergelijking. En ze was ook bijzonder, net omdat een gedicht van Hikmet tijdens een eerste werkperiode voor die bundel op mijn prikbord hing. Samen met een gedicht van Charles Ducal: ik bewonder diens maatschappelijke engagement en de lyrische uitwerking ervan, ik vind hem een politiek dichter van de sterkste soort. Centraal op mijn prikbord hing Adam Zagajewski’s ‘How to praise the mutilated world’. Een vriend bracht dat gedicht onder mijn aandacht en ik ben die er zoveel jaren later nog steeds dankbaar om, het is een lijfgedicht geworden.
Twee dichters die me zeker beïnvloed hebben en dat zullen blijven doen zijn Wislawa Szymborska en Joy Harjo. Daarnaast heb ik een bijzonder interesse in Japanse en Arabische poëzie en neemt verzetspoëzie een grote plaats in mijn boekenkast in. Precies omdat ik zelf worstel met de vraag: (hoe) kan taal een manier zijn om het gruwelijke leed van de wereld te vatten en te helpen dragen?
Marwan Makhoul schrijft: ‘Om naar de vogels te kunnen luisteren, moeten de bommenwerpers zwijgen.’ Zeker hebben we gedichten nodig die getuigen van de bommenwerpers. Maar evenzeer hebben we in oorlogstijd gedichten over vogels nodig, die ons eraan herinneren waarom het zo’n gruweldaad is om die vogels aan stukken te bombarderen.
Denk je dat poëzie kan bijdragen aan maatschappelijke verandering of bewustwording? Hoe zie je de rol van poëzie?
ABSOLUUT. En dat zet ik in capslock J
Allereerst: ik vind niet dat alle poëzie maatschappelijk geëngageerd moet zijn. Poëzie moet helemaal niets en elke dichter heeft de vrijheid om een eigen poëtica na te streven. Maar voor mij is de maatschappelijke dimensie van poëzie een evidente zaak. Ik maak en schrijf in de maatschappij waarin ik leef, niet in een vacuüm getrokken parallel universum.
In mijn poëzie neemt de buitenwereld een centrale plek in. Ze wil de wereld spiegelen: soms helder, soms vervormd, om zo reflectie of transformatie op te roepen. Ik geloof dat poëzie een drager van betekenis kan zijn om bestaande werkelijkheden onder de loep te nemen en nieuwe werkelijkheden te verzinnen.
Mijn gedichten brengen het macrolevel van de samenleving met persoonlijke micro- ervaringen samen. Er is geen afscheiding tussen het persoonlijke en het politieke. Bewust of onbewust, gewenst of ongewenst: de wereld en het ik of kleine ‘wij’ lopen voortdurend in elkaar over.
Bewustwording van die verwevenheid creëert mogelijkheden, agency. Ik wil lezers naar zichzelf en de wereld rondom laten kijken om van daaruit alternatieve handelingsmogelijkheden aan te reiken. Vele gedichten vormen een uitnodiging aan de lezer om een connectie te maken of herstellen, met zichzelf, de andere, het andere. Zo bekeken wil mijn poëtica (mede)menselijkheid versterken. Het is poëzie die met beide voeten in de wereld staat.
In 2023-2024 was je onafhankelijk stadsdichter van Antwerpen. Hoe belangrijk is de onafhankelijkheid van een stadsdichter voor jou?
Fundamenteel. Een stadsdichter is geen slippendrager. Een stadsdichter houdt de pen aan de pols van de stad en moet meebewegen met het bloed van de stad: wat doet het kloppen? Wat verlangt het? Maar ook: waar stokt het? Waar zit pijn?
Voor mij heeft een stadsdichterschap zeker een verbindende functie, maar vaak is ‘verbinding’ een hol begrip dat wordt gelijkgesteld met lof zingen. Echte verbinding is een volwassen relatie, een die aanspreekt op de pijn en die groeien mogelijk maakt. Een stadsdichter moet onafhankelijk mogen bepalen waar het werk heen gaat. Tegelijk heeft een stadsbestuur uiteraard het recht om te zeggen dat ze een bepaald stadgedicht niet kan smaken. Maar het moet wel gemaakt mogen worden.
Precies daarop is het tot een breuk gekomen met de stad na bijna 20 jaar stadsdichterschap. En heb ik me na het weigeren van het stadsgedicht ‘Losgeld’ van collega-stadsdichter Ruth Lasters en ons ontslag, ingezet om samen met ex-stadsdichter Stijn Vranken een alternatief stadsdichterschap van onderuit vorm te geven. Geruggesteund door een aantal culturele organisaties in de stad hebben we het stadsdichterschap in een onafhankelijke werking kunnen heropstarten.
In die set-up hebben we onder andere een grote viering voor 20 jaar stadsdichterschap in Antwerpen gerealiseerd en heb ik zelf als stadsdichter een aantal mooie projecten in moeilijke omstandigheden opgezet. Pionierswerk, maar ik ben erg trots dat de werking met huidig stadsdichter Esohe Weyden nu breed gedragen wordt.
–
Lieveheersbeestjes. Regen op het tentzeil. Een spreeuw. Een ree. Een sneeuwuil. Zelfgemaakte
chocomelk. Aardbeien (vers en veel). Geglazuurde koeken. Kleuters die Calippo’s eten.
Druipend stracciatella-ijs. Dalmatiërs. Jaguars. Cheeta’s. Koeien. Hortensia’s net voor het
uitbloeien. Inkt op papier. Schilderijen. Het pointillisme. De bovenlip van Marilyn. De hals van de
fles aan je mond. Een hond die naar je terugkeert. Bijen met snuiten vol stuifmeel. Sproeten op
je zomervel. Een vulkanisch strand met zwart zand. De rug van een minnaar met zonnecrème
mogen insmeren. Massages. De maan met al haar kraters. De zon met al haar vlekken. De
grijzende lucht, avondwolken die hun hemelbed betrekken. Handen met aarde onder de nagels.
Wij die in onze dode hoeken toenadering zoeken. Zoenen met veel tong. Natte dromen die
uitkomen. Een oog waarin ontroering opwelt. De vingers van de verlosser die de navel afbindt,
het vlekkerige kind voor het eerst op je borst legt.
–
–
uit Verzachtende omstandigheden, Atlas Contact, 2025
Dat is terecht iets om trots op te zijn. Je hebt het over een onafhankelijk stadsdichterschap, maar zo’n initiatief heeft uiteraard ook middelen nodig. Hoe bewaak je de onafhankelijkheid in de praktijk?
Daar stip je een erg belangrijk punt aan. Zodra je als kunstenaar of organisatie een vorm van financiële steun ontvangt voor je werk, ontstaat er een band, ben je in de praktijk op een bepaalde manier verbonden. Radicale onafhankelijkheid is in zekere zin dan ook een utopie: als je uitgeeft via een uitgeverij, is die band er ook. Als je optreedt in de context van een podium, stap je ook binnen in een bepaald kader. Complete onafhankelijkheid bestaat niet.
Onafhankelijkheid in deze context specifiek betekent vooral dat de organisationele 1-op1-band met de stad die er vroeger was, is herzien. Diversificatie is daarbij fundamenteel: verschillende partners, verschillende vormen van financiering, checks and balances, vormen van onafhankelijke expertise. Ik kan hier nog lang over doorgaan, maar ik vermoed dat de lezers gaan afhaken.
Is het voor jou belangrijk om maatschappijkritisch te kunnen zijn in je werk?
Absoluut. De mens is een politiek dier, dus de schrijver ook. Zelfs schrijvers die alleen natuurgedichten schrijven, verhouden zich tot de werkelijkheid en de wereld waarin dat werk verschijnt. Zo bekeken is elk werk politiek, het wordt nooit in een vacuüm gemaakt. Mijn werk is evenwel explicieter in zijn maatschappelijke betrokkenheid. Niet dat elk van mijn gedichten een aanklacht of strijdlied is, maar ik zie mezelf geen volledige bundel over pakweg liefde bij elkaar brengen zonder dat de wereld daarin komt aankloppen. Zelfs als een gedicht gaat over twee minnaars in bed, dan vrijen die allicht op lakens die ergens in Bangladesh veel te goedkoop zijn gemaakt.
Dat betekent niet dat elk gedicht een maatschappelijk punt moet maken, een gedicht moet helemaal niets, mag gewoon zichzelf zijn. Maar voor mezelf merk ik dat er bijna altijd iets maatschappelijks mee ademt, in sommige gedichten komt het evenwel duidelijker naar voor.
Toch geloof ik ook dat er altijd een vorm van mededogen in mijn werk zit. Ik ben geen zuiver politiek schrijver, mijn schrijven is niet radicaal of deconstructief, maar het wil wel een gesprek op gang brengen, een gedachte lanceren, een basis leggen voor een verandering, hoe klein ook.
Hoe ziet jouw schrijfproces eruit? Wat is er als eerst, vorm, beeld of klank?
Een groot gedeelte van het werk gebeurt intuïtief. Er is een bepaald onderwerp of een gebeurtenis die me fascineert of aan me trekt en dan verdiep ik me daarin. Eerst lees en leef ik me in, dat kan gaan van filosofische kleppers tot schimmige internetpagina’s, ik leg een spoor zonder oordeel doorheen verschillende soorten van bronnen, van Wikipedia tot 17e -eeuws naslagwerk over alchemie.
Op een bepaald moment -niet exact te voorspellen, maar doorgaans heel dicht tegen de deadline aan- komt een eerste beeld, versregel of woordencombinatie in me op. Die overvalt me en zet alles in gang.
Dan begint de onbewuste schrijffase: die vraagt om afzondering en focus. Het is een kwestie van openstaan en tijd maken. Zittend schrijven werkt hier niet goed, het is een kwestie van bewegen. Mezelf letterlijk in vervoering brengen: wandelen en fietsen, en dan om de vijf meter stoppen om een inval te noteren voor die me ontglipt. Of spraaknota’s opnemen.
Wanneer ik zo ‘genoeg’ ruw bronmateriaal heb verzameld, komt de derde fase: die van bewust schrijven, herschrijven, schaven. Meestal komt in die laatste fase pas de vorm op de proppen.
Welke boodschap zou je willen dat lezers meenemen uit Verzachtende omstandigheden?
Ik zou willen dat lezers een boodschap van troost en hoop kunnen meenemen die hen sterkt om de wereld in al zijn volheid mee te maken.
Met hoop bedoel ik trouwens geen passief ‘hopen op het beste’, maar hoop als een actieve daad. Ik deel de visie van ecofeministe en filosofe Joanna Macy en haar ‘Active Hope’: hoop niet als een toestand, maar als vorm van veldwerk waarbij je zelf stappen zet in de richting die je wil uitgaan.
Voor mij is poëzie idealiter een combinatie van hoofd, hart en buik: een cerebrale component die aanzet tot denken, een emotionele lading die gevoelens oproept en een vorm van aarding in de werkelijkheid die je daarin stevig op je twee benen zet. Ik hoop dat de bundel in alle drie die dimensies iets los kan maken bij de lezer.
–
alsof de brandnetel zou werken met een prikklok
de waterlelie zich pas na de laatste beursgang zou sluiten
de bijenorchis haar stuifmeel zou verspreiden op Bumble
–
alsof de klokjesgentiaan alleen vlinders met stabiel inkomen zou huisvesten
de doornappel zich zou laten rekruteren door defensie
de taxus een patent zou nemen op de farma-industrie
–
dragen wij dag na dag het wilde in ons
over aan die snoeiharde onzichtbare hand
woekerend, woekerend
–
–
(ongepubliceerd)
–



