De groene sneeuw
dat in die lange winter de sneeuw groen was
ik werd wakker, verrast,
dat dezelfde sneeuw
in de schittering van de zon ontdooide en
de lege plaatsen opvulde met het zuivere groen
als van een groen verkeerslicht.
Ja, het groene licht
voor het passeren van een kille waarheid
naar een koele leugen
als mijn onware ontwaken
tussen het slapen door
desondanks zei de liefde
dat de groene sneeuw waarheid noch leugen is
het is een mogelijke schoonheid
die met de betekenis van het seizoen speelt
zodat de hoop niet zonder toeschouwer achterblijft…
Maftoen Amini (1926)
Lied uit de ruimte
de vrouw die over het verbod heen
naar mijn dorst kijkt
de boog van haar arm is de maan
de plooi van haar rok de melkweg
en haar haar
de pasgeboren wolk
waar mijn nakomelingen, zonder twijfel
een liefdevol rendez-vous terugvinden
op haar vrolijke planeten
het is geen luchtbel
de vrouw die de verboden tijd passeert
het lichaam dat langs de hindernis
van de nachtwacht vliegt en met
wijn en jeugdige begeerte
in mijn nachtelijke bed wierook en zuchten vermengt
het is geen boek
het lied dat in de gestalte van de nacht
koorts opwekt
Manouchehr Atashi (1931-2005)
Indruk
fietst een fietser zonder hoofd
een vogel
zonder vleugels vliegt in de wind
een kind van de melkpoedergeneratie
zuigt bloed
het wist niets van de dood van zijn moeder
een man prevelt het angstgebed
hij buigt en komt niet meer overeind.
Raketten, geweren en tanks
Maken geen indruk meer.
Emran Salahi (1946-2006)
zul je de sneeuw zien,
je kunt je haar over een berg sneeuw uitspreiden
je kunt
je honingkleurige ogen
boven zijn verwarde vlokken
openen en huilen.
Je kunt de woorden van dit gedicht
In een hoek ophopen
om een droevige sneeuwman te maken.
Je kunt
zijn tranen van sneeuw
verzamelen
om nog een sneeuwman te maken…
Aan het eind van dit gedicht
is er niets
behalve het totaal witte papier:
een verdriet voor de stilte,
maar…
aan het begin van dit gedicht
gaat het sneeuwen.
Kasra Anghaee (1967)
Midden in het donker
heb ik je geroepen
het was stil en de bries
nam de gordijnen mee
in de vermoeide hemel
verbrandde een ster
stierf een ster
ik heb je geroepen
ik heb je geroepen
als een glas melk
was mijn hele bestaan
in mijn handen
de blauwe blik van de maan
raakte de ramen
een droevig lied
steeg op als rook
uit de stad van de krekels
als rook gleed het
langs de ramen
de hele nacht daar
midden op mijn borst
hijgde
iemand wanhopig
iemand stond op
iemand verlangde naar je
twee koude handen
weigerden haar weer
de hele nacht daar
druppelde het verdriet
van de zwarte takken
iemand verloor zichzelf
iemand riep je
de lucht stortte als puin
op haar neer
mijn kleine boom
was verliefd op de wind
op de dakloze wind
waar is het huis van de wind?
waar is het huis van de wind?
Forough Farrokhzad (1934-1967)
Water
wellicht drinkt in de verte een duif van het water
Of wast een mus zich in een ver veld
Of wordt een kruik gevuld in een dorp.
Laten we het water niet vertroebelen:
wellicht stroomt dit water naar een witte populier
om een gebroken hart te troosten.
Wellicht doopt de hand van een zwerver
een stuk droog brood in het water.
Een mooie vrouw zit bij de rivier,
laten we het water niet bemodderen:
haar mooie gezicht wordt verdubbeld.
Wat een heerlijk water!
Wat een heldere rivier!
De bewoners stroomopwaarts hebben het prettig!
Mogen hun bronnen schuimend blijven
en hun koeien vol melk!
Hun dorp heb ik nog niet gezien
ongetwijfeld zijn naast hun tentpalen
de voetsporen van God te zien.
Daar verlichten maanstralen de diepte van het woord
ongetwijfeld zijn de muren daar laag
mensen weten wat voor bloem de papaver is
ongetwijfeld is blauw daar blauw
een bloesem bloeit, iedereen weet het.
Wat een dorp moet dat zijn!
Mogen de stegen vol muziek blijven!
De bewoners stroomopwaarts begrijpen het water.
Ze vertroebelen het niet, laten wij ook
het water niet vertroebelen.
Sohrab Sepehri (1928-1980)
Als een dorstige karaf
die van dit gedicht hield
Vol leegte
stroomt de beek van de momenten.
Net als een dorstige karaf die van water droomt, en in het water een steen ziet,
ken ik mijn vrienden en vijanden.
Het leven heb ik lief;
van de dood ben ik een vijand.
Ai – maar tegen wie moet ik dit zeggen? Ik heb een vriend
om wie ik liever naar de vijand ga.
De beek van de momenten stroomt.
Mehdi Akhavan Sales (1928-1990)
Blauwe kamer
naast de gebroken spiegel van mijn gedachten.
Met het ogenpotlood omlijn ik
mijn dunne lippen.
Alles wat ik doe om te geloven,
dat de blauwe kamer niet echt mooi is,
helpt niet.
Hij is nu leeg
anders dan ik.
Zijn schoonheid is nu verdubbeld
net als ik.
In plaats van een ingelijste foto
hang ik nu mijn kousen aan de spijker in de muur
het water druppelt
en druppelt
als de regen
als een traan.
Narges Zohrenassab (1973)
Vertaling Nafiss Nia en Ronald Bos