Liever geen Valentijnsgedichten

Gino Van Looy (1974) is in het dagelijks leven gemeenteambtenaar en freelance schrijvend sportjournalist: ‘In die job leer je goed de juiste woorden kiezen: je krijgt een aantal regels en daarin moet je je boodschap kwijt. Niet meer, niet minder.’

Je noemt Charles Bukowski je grote voorbeeld.
Ja. Zijn stijl, zijn onderwerpen en vooral het ritme van zijn poëzie zijn voorbeelden voor mij. Geen grootse woorden, maar de alledaagse waanzin die recht naar het hart gaat. Maar ook Slauerhoff heeft me beïnvloed met zijn exotische, weemoedige cynische gedichten en onvergetelijke versregels als ‘Oh Conakry oh Conakry wat was je heet/ nog heeter dan je hoeren’. Gezelle met zijn onvoorstelbaar ritmische taal, Komrij, De Oostakkerse gedichten van Claus, en Jan Arends, de meester van het ‘met zo weinig mogelijk woorden zo veel mogelijk zeggen’.

Er was wat twijfel op de redactie over het plaatsen van je gedichten. Ze werden ervaren als goedlopend, raak, maar ook wat ‘dun’. Hou je je gedichten bewust zo eenvoudig? Vind je dat er te ingewikkeld gedaan wordt in de poëzie?
Ik vind dat een dichter met zo weinig mogelijk woorden zoveel mogelijk moet zeggen. Dit impliceert dat elk woord raak moet zijn. Ik heb de indruk dat sommige dichters hun poëzie bewust ingewikkeld maken om de lezer het gevoel te geven dat ze iets weten dat de lezer niet weet, een soort van intellectuele arrogantie. Als afgestudeerd germanist heb ik zeer veel poëzie gelezen, maar vanaf het moment dat er verklarende woordenboeken bovengehaald moeten worden om een gedicht te begrijpen, haak ik af. Dichterlijke zelfbevrediging volgens mij, en dat kan best zonder mij.

Ik kan me voorstellen dat je gedichten het goed doen op het podium. Treed je veel op?
Eigenlijk niet, hoewel ik het wel prettig vind. Een keer of twee per jaar. Ik merk wel dat het publiek soms ongemakkelijk wordt, omdat ze niet weten of ze moeten lachen of huilen met mijn gedichten. Dat is ook een beetje de bedoeling, dat de lezer of luisteraar even nadenkt bij de gedichten, die ogenschijnlijk simpel zijn. Bovendien geef ik nooit commentaar bij mijn gedichten, poëzie moet voor zichzelf spreken, anders heeft zij gefaald.

Je schrijft geëngageerde poëzie. In Nederland is dat nogal uit. Hoe is dat in Vlaanderen?
Of mijn poëzie echt zo geëngageerd is, weet ik niet. Het is ook een soort spel. Bijvoorbeeld dat gedicht over de bootvluchtelingen. Is het mijn schuld dat ze de levensgevaarlijke oversteek maken? Neen. Kan ik er iets aan doen? Neen. Daarom schrijf ik er een gedicht over, zodat hun dood toch nog één zaak heeft opgeleverd, namelijk dat ze verder leven in mijn poëzie. Bovendien reis ik graag en vooral naar de Balkanlanden, waar armoede nog zichtbaar is. Om een cliché te bevestigen: de mensen zijn daar arm maar zoveel levenslustiger dan hier. Daarom krijg ik zowat het schijt van Nederlandstalige dichters die in hun gedichten de lezer opzadelen met hun levensgrote problemen: een writer’s block, de geliefde die hen verlaten heeft, verveling, mensen die hen niet begrijpen. Navelstaren is van alle plaatsen en tijden, maar de Lage Landen scoort daar toch hoge toppen in.

Hoe is dat te rijmen met je voorliefde voor Bukowski? Als er iemand graag over zichzelf schreef dan was hij het wel.
Wat je over Bukowski zegt klopt. Gedeeltelijk tenminste. Hij komt vaak in zijn gedichten en romans voor, maar het is heel verschillend van de Nederlandstalige navelstaarders. Bukowski gaat naar de renbaan, ziet hoe arme Mexicanen en hijzelf hun geld verliezen omdat het paard waarop ze gewed hebben mank loopt zonder dat ze het wisten. Ze zijn bedrogen. Dan kijkt hij naar boven, ziet de rijken champagne drinken en lachen met Bukowski en de zijnen. Dan keert hij naar huis terug, drinkt een fles wijn en denkt ‘ach ik leef nog en heb mijn wijn’. Of zoiets. Bij een Nederlandstalige dichter zou het eerder zijn: hoe kunnen jullie feesten of je druk maken om zoiets stoms als een paardenrace, terwijl ik, de Grote Dichter, met een writer’s block zit en mijn vriendin een erge hoest heeft? Bukowski is door zijn alledaagse waanzin universeel en relativeert het komisch-tragische tranendal waarin we leven, de Grote Dichter verkleint zijn visie tot Zijn Wereld en begrijpt niets van wat daar buiten staat.

Wat wil je bereiken als je een gedicht maakt? En wanneer is het goed voor jouw gevoel?
Een gedicht moet een geheel zijn. Alles moet kloppen, geen enkel woord mag er te veel in staan. De aanleiding van een gedicht is vaak een zin die ik ergens heb gehoord of gelezen, en daar schrijf ik dan een gedicht rond. Het moet ook klinken, er moet ritme in zitten. De inhoud kan variëren, maar ik probeer er toch een catch phrase in te stoppen, zodat de lezer even opschrikt. Vaak zijn dat ook de regels die men het makkelijkst onthoudt. Geen diamant, maar dynamiet, om een bekende uitspraak in verband met poëzie even om te draaien.

Je gebruikt grove beelden die er behoorlijk inhakken: verdrinkende bootvluchtelingen, anale seks, de atoombom. Die hebben effect, maar zijn ook behoorlijk algemeen. Wat zeggen je gedichten – desondanks, zou je bijna zeggen – over jou persoonlijk?
Ik ben van mening dat het middeleeuwse concept van dichters het beste was: de dichter verdwijnt volledig achter zijn werk en copyright bestaat niet. Elk woord is al eens gebruikt geweest en vaak ook hele zinnen. Dit betekent dat originaliteit quasi onbestaande is en je dus op een andere manier moet opvallen. Aangezien ik niet van gezapigheid en gezelligheid houd, ga ik voor het explosieve. Gedichten over hoe lief je geliefde is en hoe hard je haar gaat missen, zijn goed om met Valentijn aan je geliefde te geven, maar daar stopt het. Die gedichten bestaan al eeuwenlang en zijn door Dante en Shakespeare tot ongekende hoogten getild, dus daar moet je je niet aan wagen. In het genre van de bootvluchtelingen, de atoombom en de anale seks ligt nog een hele markt open. Om in het kort te zeggen wat mijn poëzie over mij zegt: weinig, alleen dat ik altijd op zoek ga naar originele invalshoeken.

Ben je van plan van het dichten een carrière te maken?
Een carrière als dichter lijkt me het ultieme, maar zoals al het ultieme is dat ook een illusie. In Dublin ben ik naar het Writer’s Museum geweest en het is werkelijk fenomenaal hoeveel Dubliners schrijver zijn geweest. Ook nu voorziet de Ierse regering nog steeds in een soort subsidie voor bijna elke Ier die als beroep ‘schrijver’ opgeeft. Daar kan je hier in België (en waarschijnlijk ook Nederland) alleen maar van dromen. Dit jaar heb ik uit pure miserie op Gedichtendag samen met een vriend zelf een poëzieavond georganiseerd, omdat de plaatselijke overheid niets organiseerde. We waren met drie dichters, er kwam veel volk op af, maar we hebben er geen euro aan overgehouden. Integendeel. Dus een carrière als dichter? Ik zou wel willen, maar tussen droom en werkelijkheid.

Geplaatst in Interviews.