Gedichten

Een Idylle

Bergen lezen geen gedichten,
noch de steile stenen hellingen, de ingesleten
dalingen, de herder met zijn horde op pad,
de bomen en struiken die zich angstvallig vastklampen,
al groeiend de zwaartekracht trotseren.

De opstuivende zandstenen paden door het
natte heuvelgras hebben nog nooit
woorden bewonderd; het atonaal
gebel van geitenbellen, het gehuppel
dat overgaat in wild gedraf evenmin.

Nee, deze toonaangevende bergtoppen
verdiepen zich niet in poëzie, noch de man in zijn roestig
blauwe oplegger die hier dagelijks om de natuur heen
zijn weg aflegt. Hij heeft geen tijd
voor de ijdelheid van woorden.

Gedichten hebben niets met de natuur van doen,
kennen niet het geluk van een herder
die op een goede ochtend een perfecte stok vindt,
of een riet bijsnijdt voor de juiste
klank in zijn melodie.

De aangezeten hond vraagt hem niet
om rijmende woorden op versmaat gezet.
De toon en het commando
zijn poëzie voor hem—-hij gehoorzaamt
blindelings en jaagt
de wolken weer bij elkaar.

Woorden hebben hier slechts plaats
in het boekje van de eenzame jongeman
die opkijkt boven de schapen naar de wolken,
de woorden herleest en misschien daarna denkt
aan zijn nog slapende vrouw,
aan haar lichaam dat zich uitstrekt als een boeiend landschap.

De Heilige op de Fiets

O onbegrijpelijk!

Hoe schoonheid ras haar fiets bestijgt,
hoe haar taps toelopende benen vaart meegeven.

Voorop en achter zit hobbelend
babbelend zorgeloos kroost en ik ben getroffen

door het zonlicht dat haar door de haren strijkt.
Als heiligen bestaan, moet zij zo zijn:

etherisch en astraal.
Ik ben verliefd nu zij wegfietst

en ik in volle vervoering verstijf,
klaar om opgevouwen en weggelegd te worden.

Sjanghai

Zie de voortraderende fietswielen over de hellingen van Sjanghai.
De wereld van de Boeddha is rond.
Achterop over de stenen stuitert mijn hart
Verpakt in een rood strikkendoosje.

Het regent tranen uit het Oosten,
Verdriet uit de onderwereld opgeschept en in wolken meegedragen
Begeleidt de stemmen die terug willen keren, maar dat zonder lichaam niet kunnen.
Iedere dag hollen hun kreten de lucht uit.
Maar wij horen ze niet, het is hier veel te druk in Sjanghai.

De straten waarop wij lopen zijn neergelegd door dode handen.
De gebouwen die voorovergebogen en troosteloos de zon wegduwen
Zijn bedacht door eveneens ingetogen en inmiddels overleden gezichten.
De vrouw op straat onder haar ronde drakenrode paraplu
Praat nog bijna dagelijks tegen haar dode tante
Ook al zegt die niets meer terug, boos als ze op haar is.

Ik grijp een handvol van de rode klei nabij de Gele Rivier.
Ik besta nog echt.
Ook al heb ik niets meer te bekennen onder de blauwe hemel
En alles wat ik weet is te kort om lang te zijn.

Neem mij mee, ik vraag het aan de bomen,
Waaronder je verlicht kunt raken.
Ik vraag het aan de wolken die rondhangen, wachtend
Om door draken versnipperd te worden.
Ik vraag het aan de lach die licht als lucht mij steels toegeworpen wordt
Omdat ik verdwaald en Westers ben;
Ik vraag teveel en ik heb teveel gekregen.

Wanneer het vliegtuig weer omhoog zucht en ik opnieuw
Op stalen vleugels de wolken berijd richting een onbestemd,
Rustig en kleivol huis,
Proef ik in herinnering weer die nacht toen ik
Een opiumpijp aan mijn mond zette
En de mensen dood rond zag lopen.

Geplaatst in Gedichten.