Gedichten

De moeders

Geesten in een kuil bij reactorcentrum Petten,
een moeder bekijkt meeuwen, water,
een visdief met gevorkte staart.
Opgekalefaterd door wind en zilt strekt zij
haar vlerken in de lucht. Haar zandhanden
zingen koelte in elke porie en een lege, stenen
hemel hikt onder haar kin, waar uit
het strothoofd een klank springt
en een onbekende naar haar tepels reikt.
In elk koppel kaatst een beeltenis, een
schaduw die dwars door bossen waaiend
de zomer binnenvlucht. En de tijd wordt aangekaart.
Ik bedoel: een moederlijke catastrofe.
Zij ademt uit en in en uit, haar rok stottert en uit
haar buik stuiteren vissen die schubben verliezen.
Een moeder in Gulpen gezeten op een bank,
zij ziet de apenwolk, zij ziet de karkassen in het gras,
werpt kluiten naar een hond die in haar bloemen ligt.
In haar oog smelten de heuvels. Zie haar openwaaiend
gemoed. Daar is zacht lachend vlees,
een rozengrijns. De lipstickveeg op een wang.
Ik ben haar angst, ik ben haar afwezigheid.
De moeder in Stavoren, macaber getint,
niet bang voor poolwinters,
zij kruipt uit haar schort,
hoort het ijs kraken, de opgewonden,
kwekkende spreekbuizen. Zij hoort mij.
De pool groeit in haar oog, ze bloost, ze huivert.
In Bolsward zong ze mee met de Mattheus,
in haar zog de stenen. Niet de tovenaar,
niet de boer, de kneder van vlees. Niet
de volle kop van haar droefenis en gemis,
de hoeder van koeien. Niet de angst, niet ik.
Een moeder in Geertruidenberg streelt haar stoffen.
De borst van een Vestaalse maagd is
bestikt met groene vliegen. In mijn armen
ligt een rat die op een kruispunt doolde.
Moeders kruispunt is mijn rat, mijn kat.
Ik graai maar mis de kat, de rat, de bloesems.
Een moeder in Roermond, gezeten in een fauteuil,
zij zuigt aan kindertijd. Zij nipt van haar fantoom.
In haar tapijt stort ik mijn ziel.
Ik ben nat als melknevel, geneigd tot waarheid,
maar te bang om die te vangen. Zij is een straat
die mijn achteruitkijkspiegels vult.
Zij is mijn dode hoek, mijn moord op
formules. Het achterland sterft.
Een moeder kijkt naar vliegtuigen die boven hei
stijgen en weer dalen. Zij huilt als een aap.
Alles is nu afwezig. Alles zwijgt.
Een moeder in Doodstil bekijkt haar handen.
Zij komt dichterbij en schilt verder. De molshoop
in haar pupil is een bazaar. Ik doop haar
moeder van de stilte, maar zij zijn allemaal
moeders van de stilte. En allen huilen zij
als apen, geluidloos, zonder snik.
En allen zijn zij bang voor de uil,
zijn roepen en zijn zoeven.


De vaders

Het onverwoestbare hecht zich aan vaders.
Dat waar de wind geen vat op krijgt.
Ze wachten in tochtgaten, in tunnels, in bassins.
Een vader in Heeg, hij ziet de schepen vertrekken
uit een luchtbel die nooit een gedachte wordt.
De man uit Heeg, hij vangt een vis. De kinderen
hangen aan zijn lippen en verdwijnen even snel
als de haak in het vlees. Balanceren zelf over het strakgespannen
koord, boven de strakke darm. Hij draagt een varkensmasker
op een carnaval in Grubbenvorst, waar geile handen graaien,
azijn druipt uit zijn buikhaar.
Een vader uit Middelburg,
hij aanbidt de opera, eet Japans tussen kloostermuren,
steelt flessen en partituren. Speelt op verlies,
is waarachtig tragisch en aanbidt de god van het vadsige,
deze menger van goud en zilver, van melk en stront,
hij zingt. Zijn soort hunkert naar de zee.
Een vader in Lommel luidt de klok. Hij zendt
geluiden naar de einder uit zijn bronzen botten.
Hij is gebocheld noch brenger van onheil.
Hij zwaait met een zweep en grossiert in afgehakte klauwen
als presse-papiers. Al eten wilde dieren uit zijn hand,
hij danst de tango in een knekelhuis. Hij houdt van
dikke vrouwen in zoetzuur, van bier en uitgebakken nacht.
De akkers en de golven springen in zijn oogwit,
nooit zal hij het late en sublieme uur bereiken.
Vaders van lawaai, windberijders zonder sporen,
bang zijn jullie voor het keerpunt, voor het licht.
Voor een nacht in de zon.

De wedergeboorte

Uit het diepst van mijn slaap komen ze tevoorschijn:
de stichters van een nieuwe natie. In mistige poelen
en moerassen, in een heksensoep van
padden en zwavel verwekken zij de toekomst.
Ik zie een continent van dromen en van droomgezichten,
een mycelium van scheppingen. Dolende geesten
tikken op deuren. In dit late uur kloppen zij vergeefs,
als een hart zonder lichaam. Het schelle licht
verblindt de slapenden en wekt hen uit het duister van de eeuwen.
Het is het uur van de uil die in de zon vliegt.

Geplaatst in Gedichten.