Gedichten

Anobium

Zo zijn wij getraind in doen
alsof de houtworm in huis ons
niet kan deren
We zien hoe hij de overloop naar de
slaapkamer vraatzuchtig ruïneert
en met veel kabaal de deur uit haar
hengsels hijst
Het houtmeel vegen we gracieus
onder de mat. De larve zakt bij
voorkeur naar de weekste delen van
het koude hout
Straks vreet hij de poten weg
en zelfs dan, als we met een smak
op de mulle vloer belanden,
zullen we het veel gedoe
om niets vinden
Zo zijn wij. Zo veinzen wij ons
een veilig houtwormloos bestaan

M

Deze stad die mij bekeerde tot losbandigheid
en leerde hoe je in donkere kroegen
kunt blijven hangen
Lichtjaren lang
Mij wees langs welke spleten en gaten geruchten
zich over haar gehuchten spreiden
– ’t Schijnt dat de burgemeester reptielen kweekt
– Allez!
– Zijn wijf is een serpent
– Echt? Wat een vent

Deze stad hoe ik haar haat
Het geblaat van straatkakkerlakken
Ratelende makakkenbakken
Haar vuile maniertjes
Vette labradordrollen in de
strooiweide aan de Kerkhoflei
Het achterlijk geklaag
over een uitheems liggende kassei

Deze stad wat heb ik haar ongeneeslijk lief
Wanneer Malinois naar derde degradeert
Veertienduizend man you’ll never walk alone
zigzagzingt en in eerste revancheert
Of als we badend in het zweet met
beschonken ogen naar een paar ebben
benen kijken wadend door de Dijle
Hoor mij ijlen

Deze stad, mijn heidens, onkuis en teder deken
Ik kruip onder u, dek me toe
Straks wil ik weer verhuizen, u verguizen
Maar nog even niet, nog lange niet…

Opa sneeuwt

Opa wijst naar waar de
hoge bomen staan.
Kijk, zegt hij ontdaan,
ginder vliegen leeuwen.
Hij trekt aan zijn sigaret
en begint te zweten.
Opa bedoelt het goed,
weet wel hoe het moet,
maar zegt in zijn
hoogsteigen alfabet
dat leeuwen vliegen.
Is dit liegen?
Nee hoor.
Hij zoekt gewoon naar
meeuwen. Hapert,
wil het van de daken
schreeuwen
terwijl het in zijn hoofd
zacht begint te sneeuwen.

Geplaatst in Gedichten.