Atze van Wieren – Grondstof

Altijd in mijn rug die hand

door Joop Leibbrand

Atze van Wieren, van wie onlangs bij uitgeverij IJzer zijn eerste bundel verscheen, schreef tussen augustus 2003 en maart 2006 een twintigtal recensies voor Meander, waarin hij recht uit het hart tal van opmerkingen plaatste over hoe poëzie volgens hem wel of niet moet zijn.

Een kleine bloemlezing, in volgorde van verschijning:
– ‘De beelden moeten zodanig zijn dat de lezer, zelf associërend, in de buurt komt van de gevoelsintentie die de dichter erin heeft willen leggen.’
– ‘Ik hou nu eenmaal van poëzie die zingt, die het grote gebaar niet schuwt, die je meevoert op vijf of zesvoetige jamben. [Ik wil] de schreeuw van echtheid.’
– ‘Wat een genot weer eens een bundel onder ogen te krijgen met poëzie van vlees en bloed in plaats van het uitgebeende, hermetisch geneuzel van veel hedendaagse dichters.’ (Over Taalwaterval van Mark van Tongele).
– ‘Ik ben geen liefhebber van cryptogrammenpoëzie. Veel van het hedendaags postmodern geneuzel lijdt aan die kwaal. Gedichten, die, ook al herlees je ze eindeloos, gesloten blijven. Het zijn gewilde maaksels, geleerde spelletjes, dorre non-poëzie van schrijvers die zich dichter achten en weer eens met een bundeltje op de markt moeten komen. Een gedicht moet iets willen meedelen, moet hart en ziel hebben, moet zingen. Dat wil niet zeggen dat ik een liefhebber ben van gemakkelijke poëzie. Integendeel. Een gedicht moet spannend zijn, moet zich liefst niet meteen geven, moet iets verbergen. Er moet niet staan wat er staat. En toch moet je bij eerste lezing meteen voelen dat er iets heel wezenlijks wordt gezegd. Zó is het, denk je, en wat is dat máchtig mooi gezegd.’
Daarna hield Van Wieren het wat recenseren betreft voor gezien.

Op zijn homepage schrijft hij over zijn eigen dichterschap: ‘De vraag waarom ik dicht laat zich niet zo gemakkelijk beant­woorden. In ieder geval is het geen blije bezigheid. Mensen denken vaak dat het een ‘leuke hobby’ is. Nou nee. Het is vooral getob.
Ik probeer iets wat mij raakt in mooie beelden en op een klinkende melodie onder woorden te brengen, zodanig dat het ook voor anderen invoelbaar wordt. […] De kunst is om in mijzelf de zuivere emotie aan te boren. Eerlijk zijn. En dat dan zó te verwoorden dat het niet mijn privégevoelens blijven, maar dat ook anderen zich daarin kunnen herkennen. Als dat lukt met een gedicht ben ik even heel gelukkig. Daarna begint het getob van voren af aan.
Ik dicht voor die momenten van geluk.’

In zijn late debuut Grondstof doet Atze van Wieren de hierboven geformuleerde poëzieopvatting geen geweld aan. Zijn gedichten zijn bijna zonder uitzondering heel beeldend, de symboliek erin is even verrassend als herkenbaar en zijn taal is verzorgd. Het terloopse rijm, de herhalingen, het benoemen en invoelbaar maken van gevoelens in een haast Koplands zinsritme zorgen voor een vaste, direct vertrouwde toon.
Door de manier waarop hij zichzelf vaak tot inzet maakt maar daarbij inderdaad het persoonlijke tot het algemene weet te transponeren, dwingt respect af.

Grondstof is een bundel waaraan getuige de indeling een duidelijk plan ten grondslag ligt. De 45 gedichten zijn onderverdeeld in vier afdelingen: ‘Grondstof’, ‘Raffinage’, ‘Bijprodukt’ en ‘Residu’, dat precies een gedicht meer bevat dan de andere drie tezamen. Als deze indeling ‘het leven als productieproces’ verbeeldt, zoals de flaptekst zegt, lijkt de bulk van wat onbedoeld – maar strikt genomen noodzakelijk! – uiteindelijk van een leven rest de overhand te hebben: bezinksel, droesem, overschot, neerslag, reststof, achterblijfsel. Geen hemels perspectief…

De bundel begint heel fraai ‘ab ovo’:

op de rand

Hij heeft zich amper ontdaan
van al wat aan hem kleefde.

Het ei dat hem baarde
bleek barstensvol geheimen:
restanten vroege vogelliefde,
beperkt houdbare leeftocht,
blauwdruk hoe te vliegen,
aanwijzingen voor de jacht.
Voor een vogel in wording te veel
en moeilijk te behappen.

Herinnert zich beter vertrouwde
nabijheid later van gulzige lijven
en het donsdek van de moeder
als het donker werd en koud.

Op de smalle rand van het nest
is hij alleen en dat alles vergeten.
De hemel te hel voor de ogen,
de diepte te donker,
hij balanceert.

In de bijbehorende twee gedichten worden de moeder en de vader geschetst en tegenover elkaar geplaatst. De harde vader die voor gedroom geen tijd heeft en, als het moet zijn slechtste kant toont, verhaalt ‘van hoe je sterk en stoer / van hoe je in het gevecht / je angst verbergt, de ander staat, / en dat je oog om oog -‘. De zachte moeder die weet dat dit jong anders is, zag hoe hij met tegenzin en schrik het leven intrad, voorziet ‘dat wis en waar de wind / hem hemelhoog wil dragen, / dat misschien zijn zingen zachter / maar daarom niet minder zuiver is, / dat hem een ander wacht.’
Hoe persoonlijk dit nest moet worden opgevat, blijkt uit de vier gedichten die deze eerste afdeling completeren. Het jong is volwassen geworden, maar nog altijd volop bezig de verhouding tot de vaderfiguur te bepalen. ‘Ik ben weer jongen / en tot boer bestemd. / Lig wakker in / een winternacht zó stil / dat alles om mij heen / gestorven lijkt. // Dan dringt tot mij door / het dof gebonk van paarden / die hun hoeven slaan / tegen het beschot. / Ook is het net alsof ik / vader roepen hoor.’ (‘Droom’). Het hierop volgende ‘Mest’ gaat hierop door: ‘Mijn vader heeft mij uitgereden / met paarden in een zware gang. / Ik lig ontdaan van mijn bestaan / in duizend stukken uit elkaar.’ Vruchtbare grond voor een geslaagd dichterschap stelt de lezer tevreden vast, die zich met deze thematiek op vertrouwd terrein weet en aanvoelt komen wat gaat volgen: ‘Bij mijn vroeg en vreemd ontwaken / vallen zijn trekken snel uiteen. / Mijn vader huist in mij. / Hij is mij zo nabij / en toch niet aan te raken.’
Het laatste gedicht uit deze serie voltrekt de verwachte identificatie geheel. Hoe bekend dit terrein in de literatuur ook is, Van Wieren weet zich knap aan de clichés te onttrekken:

Terra incognita

Dacht dat je ver was, vader,
een ander land was,
mijn stem daar niet kon horen,
dat je grijs gestold als steen,
grimmig als een oude boom
nors omschorst was.

Ik kijk naar mijn omlijst gezicht,
de stroeve blik langs mij gericht.
Wat, als binnenste zich buiten keert,
harde kernen fijn dooraderd blijken,
nerven teer glanzend blootliggen,
ik op sporen van liefde stuit?

Weet dat je ver bent, vader,
in een ander land bent.
Soms spiegelt mijn gelaat in ‘t glas,
dan, even, lig je voor mij open,
ben je dichterbij dan ooit.

Mooi die verschuiving van ‘een ander land’ zijn (r. 2) en ín een ander land zijn (r. 14). De vader is niet langer de onbegrijpelijke vreemde, maar is nog slechts elders en daardoor als het ware onschadelijk gemaakt. Door de dubbele betekenis in ‘Weet dat je ver bent’ wordt hij zelfs bereikbaar, omdat de zoon hier (voor het eerst?) de vader als het ware dwingt zijn onbereikbaarheid te erkennen.

De afdeling ‘Raffinage’ bevat zes gedichten die betrekking hebben op de ogenschijnlijk hoogst ondichterlijke suikerbietenindustrie. Het zijn knappe verzen die oppervlakkig gezien het traject van oogst tot eindproduct beschrijven, maar die in wezen een volstrekt adequate beschrijving geven van de condition humaine: ‘Wij liggen op een bietenvaalt, / nog wel bijeen maar zonder hoop, / Wij wachten op de dichte wagens, met dichte wagens worden wij gehaald.’ En: ‘Maar stel je voor: / een nieuw begin / waar naar men zegt / ik blinkend wit zal zijn. // Een nieuw begin / en blinkend wit, / wie wil dat niet.’ In het laatste gedicht: ‘Nu gaat wat van ons rest / in rook omhoog. // Nog wacht de dag / nog houdt de wind zijn adem in / nog is geen wolkje aan de lucht / nog speldeprikt de vorst. // Loodrecht gaan wij de hemel in.’

‘Bijprodukt’ verzamelt negen gedichten die geschreven werden naar aanleiding van beelden en schilderijen, maar ook hier ontkom je er niet aan er soms nauwelijks verhulde zelfportretten in te lezen. Het duidelijkst is dat in een gedicht bij een beeld van Kees Verkade:

Fietsles

Is dit wat mij te wachten staat:
het zadel veel te hoog
geen voeten aan de grond
geen trappers in het rond?

Is dit wat mij te wachten staat:
een stuur om mij aan vast te houden
een rem niet onder handbereik
en aldoor dreigen om te vallen?

Dit is wat mij te wachten staat:
altijd in mijn rug die hand
die door mijn kleren brandt
die zegt naar welke kant.

De laatste afdeling, ‘Residu’, opent met een gedicht dat precies het hart van de bundel is. Vier regels die precies beschrijven hoe de dichter als mens én als dichter door het leven gaat:

IJsbaan

Ik schaats op het donkere ijs van mijn jeugd,
mijn vingers zijn stijf, mijn veters te lang.
Ik hou mij vast aan een stoel die niet wil
en onder mijn voeten gaan schaatsen hun gang.

De lezer weet dan echter al lang niet met een kleine onbeduidende krabbelaar te maken te hebben, maar met iemand met een vaste, brede slag die nergens uitglijdt.
Natuurlijk is er op Van Wierens poëzie kritiek mogelijk. Zo is het ‘zingen’ dat hij zegt na te streven vaak mompelen (maar wel zodanig dat je graag instemt), en zou het wat taal betreft wel wat weerbarstiger mogen zo nu en dan. En als gedichten al te zeer tot psychologiseren aanleiding geven, moet je als dichter én als lezer oppassen, zeker als ze hun boodschap niet verborgen houden, omdat deze te expliciet wordt gebracht.
De conclusie mag evenwel zijn dat Van Wieren met deze gedichten een klein monument voor zichzelf heeft opgericht en dat daarbij de poëzie profiteert. De hand in zijn rug heeft zijn werk gedaan.

Opgemerkt dient nog te worden dat uitgeverij IJzer een groot compliment verdient voor de mooie uitgave van de bundel. Voor een alleszins betaalbare prijs kan het dus ook zo.

****
Atze van Wieren (1943) schrijft poëzie en proza en voor beide ontving hij diverse bekroningen. In diverse verzamelbundels en bloemlezingen is werk van hem opgenomen. Voor het tijdschrift Schrijven verzorgt hij sinds enige jaren de rubriek ‘Tekstuur’.
In 2006 verscheen onder de titel De elegieën van Duino zijn vertaling van de Duineser Elegien van Rainer Maria Rilke. Daarover schreef Wil Rouleaux in de NRC: ‘Een opvallend modern klinkende Rilke. De vertaling is moderner en ‘gewoner’ dan de soms nogal plechtig klinkende versie uit 1978 van prof. Bronzwaer. Van Wieren is kernachtiger en lijkt soms iets meer risico te nemen.’
Ook dr. Hans Ester was lovend in het Friesch Dagblad: ‘Het vertalen van dit werk van Rilke is een schier onmogelijke taak. Gegeven de moeilijkheidsgraad verdient Atze van Wieren grote waardering voor zijn durf en doorzettingsvermogen. Wie de vertaling van een dergelijk werk tot het einde toe volhoudt, heeft een pluim verdiend.’
Van Wieren maakt deel uit van het Groninger dichterscollectief WP99. Dit realiseerde in 2005 de bundel SUIKERpoëzie, gedichten over het proces dat de suikerbiet doormaakt en in 2003 de bundel Poëzie op Sokkels, gedichten bij beelden in de stad Groningen.

 

Geplaatst in Recensies.