Gedichten

De grootvader die ik niet had

Mijn grootvader leidt me rond
in zijn urn, hangt de jas op
bij het familieportret en zijn geweer
terwijl ik schrijf:

dat zijn rug zich recht,
de levervlekken lopen leeg.

Ik maak de tijd
een platgeslagen vlieg
op het pasgewassen raam.

Hij neemt me op schoot, vertelt
over onze soort, de Hades in de aderen
die alles schoonwoedt. Het gat tussen
zijn ogen dat zich vol met inkt zuigt
dat zich sluit. Ik kruip tegen hem aan,
hij gelooft niet dat er in een ballpointpunt
ook een kogel zit.

Flos

Alles nam je mee, verjaardagen,
thuissleutels, mondwater.
Alleen je tandfloss staat er nog

met een stukje draad buiten
het doosje. Uitgedroogde tong
van aan boom vastgebonden hond.

Mijn lach straalt soms een stukje
draad tussen de kiezen
dat ik niet weghaal
dat de hele dag zacht
mijn tong aanraakt.


Terug

Ze lachte en nam de koffer
en liet me haar huis leeghalen.

In de kamer kom ik nog
soms zie ik twee meisjes spelen
de een verleidt de ander
tot zwijgen.

Haar vader brengt me
elke vrijdag een emmer
soep. Hij zegt dingen
waar ik wat aan heb.

Als ze terug keert.

Wat zal ze kwaad zijn.
Ik heb alles laten staan.

Geplaatst in Gedichten.