Johanna Geels – Tuig

Dichten met haken en ogen

door Ivan Sacharov

Tuig heet de nieuwe bundel van Johanna Geels, die is uitgegeven bij Atlas. Een titel die veel associaties teelt en als zodanig een van de betere die ik ben tegengekomen. Tuig, scheepstuig, langharig tuig (zoals in het gelijknamige gedicht), laat zich prima vastknopen aan gedachten, die men over een dergelijke titel en van alles en nog wat kan hebben. Ook letters en woorden kunnen als tuig worden gezien: kleine haakjes waaraan blijkens deze uitgave een hele bundel kan worden opgehangen. Het omslagontwerp volgt die gedachtegang. Met groot weergegeven vishaakjes probeert Tuig letterlijk de aandacht van de lezer aan de haak te slaan. Misschien maakte dát een flaptekst overbodig? Ach, de lezer krijgt zo de kans om het alleen te doen met de gedichten. Eindelijk een bundel puur met poëzie! (Niet te verwarren met poésie pure). En wie meer wil weten over de dichteres hoeft niet te klagen, ze geeft zich in haar bundel bloot genoeg:

Woelgeest

ik was acht en barones
belde met een oranje
telefoontje naar god

mijn vader stond in de tuin
te schreeuwen naar de wolken
ik tikte op het raam en riep
dat god verdomme niet thuis was

later die dag ging mijn opa dood
hij had één ijzeren tand
daar begroeven ze hem mee

zijn handen mocht ik houden
trokken me plagerig op schoot
woelden onbeholpen door mijn haar

wanneer ik hem ’s nachts zie zitten
en klets om niet te hoeven praten
hoor ik hem zachtjes zingen

kun je dansen Johanna laat zien wat je kan…

De handen van opa hebben blijkbaar erg veel indruk gemaakt, dat ze als een ‘woelgeest’ in de gedachten van de dichteres blijven voortleven. En ‘kletsen om niet te hoeven praten’ doe je niet voor niets, vaak zelfs uit angst. Het meest opvallend is misschien nog die ene ‘ijzeren tand’. Een schop? Een mes? Iets anders? Dat opa met die ijzeren tand begraven werd helpt ons niet veel verder, want dat kan ook gewoon betekenen dat hij ‘het ding’ heeft meegenomen in zijn graf. Is er sprake geweest van bedreiging? Geweld? Incest? De laatste regel van het gedicht kan in dit verband niet als een onschuldige aanmoediging van een kind worden gelezen, maar doet vermoeden dat er onder dwang iets heel naars is gebeurd. Voer voor psychologen dit gedicht… (Of wil ik er teveel in lezen?)
Toch ben ik er niet van overtuigd dat dit gedicht als gedicht helemaal geslaagd is. Daarvoor lijkt de inhoud me te particulier, te persoonsgebonden. Iemand aan wie ik vroeg wat zij van dit gedicht vond merkte op: ‘Je krijgt een bol wol maar je moet zelf de trui breien, zoiets’. Ook daar zit wat in als kritiek. Het lijkt strijdig met mijn eigen kritische opmerking, maar is dat niet echt. Twee verschillende lezers constateren eenvoudigweg dat er in dit gedicht aan de ene kant vitale informatie ontbreekt (omdat de dichteres die té persoonlijk vond?) en aan de andere kant te weinig verbeeldingsruimte voor de lezer overblijft om er veel mee te kunnen.
Natuurlijk is ‘dichten’ niet in de laatste plaats een proces van ‘open’laten, maar het gaat erom wát. In het kader van de gebezigde vergelijking zou ik zeggen dat er wel een trui is gebreid, maar met gaten die op de verkeerde plaats zitten om hem helemaal goed te kunnen dragen. Het volgende gedicht laat wat dat betreft zien hoe het wel moet:

Woekervlees

Je klonk zo dapper
terwijl paniek als een echo
in je slokdarm hing

maar zij mocht er niet uit
van jou en mij

wat moeten we nu
nog even genieten zeg je
naar het strand

en de dood vraag ik
gaat die dan mee
en past hij in de auto

en waarom vandaag
net nou iedereen leeft
leer ik je pas kennen

Oók raadselachtig, maar minder particulier. Kijk, hier zit het gat in de trui tenminste op de goede plaats: elke lezer kan er zijn kop in steken. En voor wie zijn hoofd nog niet helemaal UIT de trui kan krijgen: dit gedicht kan men lezen als een variatie op het algemene thema dat ‘niemand zo leeft als zij die weten dat ze moeten sterven’. Vooral de laatste strofe mag wat dit betreft geslaagd worden genoemd. Daarmee stijgt dit gedicht toch wel duidelijk uit boven een gedicht als ‘Woelgeest’.
Betekent dit nu dat een dichter zich in zijn poëzie nooit echt mag blootgeven? Eeh… nee:

Betonrot

de muur is al te lang te koud
ik ga hem strelen
ik kleed mij langzaam uit
de muur zal niet weten wat ie ziet

daar sta ik dan in volle pracht
waar zal ik eens beginnen
mijn tong ontrolt zich en teder
lik ik de kleine gaatjes in het beton
vul ze met mijn speeksel

dan glijden mijn handen
over het ruwe oppervlak
ik kneed de muur ik zal die muur
ik wil die muur
de muur geeft niet mee
maar dat geeft niet
de muur wil wel
hij durft gewoon niet ik moet
de muur een handje helpen

kom maar schatje
fluister ik hees in zijn beton-oor
toe maar voel mijn warmte
mijn kolkende lijf
hoe het weelderig tegen je aan
schuurt en freest

en ik voel de muur trillen
voel ’m schuiven
verdomd ik zet hem in beweging
de muur
hij houdt van mij
lijkt bewogen
geraakt
van zijn stuk zelfs
muur wat doe je
pas op
au!

muur?

Niemand is zo koel-gesloten of hij heeft wel kleine gaatjes, toch? Lekker gek, deze amourette met een muur als partner: potsierlijk met een snuifje zelfspot. En nog begrijpelijk ook. De dichteres heeft pit. Toegegeven: ze is een tikje exhibitionistisch, maar welke dichter is dat niet? Dichten is toch ook iets van jezelf blootgeven, al is het maar een gedachte. En aan de andere kant (van de muur): moet een lezer niet een beetje door een gedicht worden verleid? Eigenlijk zoekt de dichteres via haar gedicht een gaatje bij ons. Ze charmeert en betovert ons, tot we – als een muur met betonrot – vallen voor haar poëzie. En ze kan dat veilig doen, want haar naaktheid is maar schijn: hoe naakt ze zichzelf ook beschrijft, ze gaat steeds in haar woord gekleed…
Maar dit gedicht kan ook als een uiting van frustratie worden opgevat. De dichteres zoekt contact, een contact dat volgens haar blijkbaar (te) vaak achterwege blijft. Ook het volgende gedicht geTUIGt daarvan:

Alles wacht op antwoord

De schelpen die met hun opening
naar de afslag liggen te turen
de zee die af en aan rent
als een jonge hond
zich telkens nieuwsgierig opricht
bij de vloedlijn
hoe zandkorrels bij elkaar kruipen
Zand worden

ik wil verbinding maken
maar het komt ons niet toe vandaag
en niet alleen ons hoor
ook ons niet en ons niet en ons

en jij bent zo rustig
je moet me leren hoe je dat doet
zo tevreden de natuur in staren
terwijl die je vanbinnen leeg eet

mij troosten omdat om halfzes
een traan in mijn koffie valt
en niet eens om jou

en je zegt dat alles goed komt
noemt Hadewychs visioenen
terwijl jij niet kan weten dat

nee, ik wil niet weg
ik wacht op antwoorden
maar misschien liggen ze thuis

Heel mooi dat ‘Zand worden’, na ‘hoe zandkorrels bij elkaar kruipen’. Het individu (de zandkorrel) wordt pas zand als er een verbinding met andere individuen (zandkorrels) tot stand komt. Maar elk individu moet ook sterven, en dan is dat ‘Zand worden’ (met een hoofdletter) een echo van ‘tot stof zult gij wederkeren’. Kijk, daar zit een oogje waar een haakje in kan, een taalravijntje, zoals sommigen het graag noemen. Mooi is ook de laatste regel van de tweede strofe, waarin naast het telkens opnieuw (tevergeefs) zoeken van een verbinding zich het eeuwige herhalen van de golfslag van de zee terug laat herkennen.
Ja, wie op antwoorden wacht zoekt contact. Maar misschien zijn die antwoorden alleen thuis, in jezelf te vinden, lijkt dit gedicht te willen zeggen. Hoe dan ook, antwoorden zoeken is net als vissen: het vereist tuig. Vraagtekens zijn niet voor niets haakjes…

Geplaatst in Recensies.

Eén reactie

  1. Pingback: Nieuws v.d.Dag: « (computers+)WWW

Reacties zijn gesloten.