Paul Claes – Lyriek van de Lage Landen

Van begin tot einde goed

door Joop Leibbrand

Het is duidelijk dat de huidige tijdgeest wil dat wij ons culturele erfgoed afbakenen en in ‘canons’ bewaren. Met het schitterend uitgegeven Lyriek van de Lage Landen (met meer dan honderd afbeeldingen rijk geïllustreerd) beantwoordt Paul Claes de oproep daartoe voor de poëzie, die hij een kompas wilde geven voor de eenentwintigste eeuw, een ijkpunt voor onderwijs, kritiek en cultuur. De canon in tachtig gedichten luidt de ondertitel, en als je de twee kwatrijnen van Jacob Israël de Haan voor één gedicht rekent, klopt dat precies. Claes koos ervoor de oudere poëzie het volle haar toekomende gewicht te geven en daarom komen liefst vijftig gedichten uit de periode vóór 1880, traditioneel de cesuur tussen de oude en moderne letterkunde. Van dat jaartal trekt Claes zich trouwens niets aan, want hij deelt als volgt in: ‘De liedkunst van de middeleeuwen’ (17 gedichten, van het onvermijdelijke ‘Hebban olla vogala’ via maar liefst acht bladzijden Hadewych tot een refereyn van Anna Bijns), ‘Het kunstdicht van de nieuwe tijd’ (19 gedichten, van het geuzenlied ‘Slaet op den Trommele’ tot Poots ‘Zomersche avont’), ‘De onvoltooide revolutie van de romantiek’ (29 gedichten, van Bilderdijks ‘Uitvaart’ tot Adriaan Roland Holst met een strofe uit Een winter aan zee) en ten slotte ‘Het moderne experiment’ met de laatste 16 gedichten, lopend van Nijhoff tot Faverey.

In deze laatste afdeling (‘omdat de selectie van de actuele lyriek nog volop aan de gang is’) nam Claes alleen dode of voor 1930 geboren dichters op. Opvallend genoeg beperkte hij zich bij de nog levenden tot Fritzi (ten) Harmsen van (der) Beek (1927) – haar ‘Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping’ verdient inderdaad de onsterfelijkheid – en Christine D’haen (1923) – voor het indrukwekkende ‘Daimon megas’ geldt hetzelfde. Vroman (1915) en Kouwenaar (1923) ontbreken hier. Veel meer bekende namen zoek je vergeefs, waarmee, als dit dé literaire standaard van de komende jaren zou zijn, moet worden gevreesd voor het literaire voortbestaan van bijvoorbeeld Verwey, Boutens, Henriëtte Roland Holst, Hendrik de Vries, Vasalis, Hoornik, Aafjes, Lodeizen en Andreus, terwijl Hanlo dan weer wel overleeft. Dat bij de ouderen Van Maerlant, Cats en Van Alphen ontbreken valt wel op, maar is zeker te billijken.
Een opvallende aanwezige is Multatuli met ‘Saïdjah’s zang’ uit de Max Havelaar. Jammer dat daarmee ‘Het Gebed van den Onwetende’ de canon niet haalde…

In een interview met het studentenblad van de K.U. Leuven zei Claes over de canon: ‘Ik bepaal de canon niet, de canon bepaalt zichzelf. Gedichten die tot de canon behoren komen veelvuldig voor in bloemlezingen, worden meermaals becommentarieerd en de schrijvers ervan hebben doorgaans een plaats in de literatuurgeschiedenis verworven. Op hun gedichten wordt vaak gealludeerd. Zo’n canon wordt bestendigd door universiteiten, scholen, bloemlezingen, media. In die zin dringt de canon zich op.’
In de inleiding bij Lyriek van de Lage Landen wijst hij de factoren aan die hierbij een rol spelen. Naast de niet te bepalen rol van het toeval zijn dat inhoud of thematiek, vorm of formulering (wat niet pregnant of markant geformuleerd is, blijft onopgemerkt) en functie of gebruik. De meeste kans op behoud maken literaire werken die verwijzen naar de biologische basis van ons bestaan (van geboorte tot dood), naar algemeen menselijke ervaringen als liefde, geloof en natuurgevoel en naar de maatschappelijke orde (bijvoorbeeld familie, maar ook politiek engagement). Het lijkt een verhelderende onderscheiding, maar goed beschouwd valt hier alles onder wat aan thematiek maar mogelijk is…
In deze bundel gaat het in liefst vijftig gedichten over dood en vergankelijkheid, liefde en geloof en meer dan eens zijn deze motieven met elkaar verweven, zoals in ‘Cupio dissolvi’, Huygens’ gedicht op de dood van zijn Sterre. Verreweg het indringendste gedicht over de dood is trouwens ‘O ongenadighe doot, bloetghierige beeste’ van Anna Bijns. Claes zelf beleeft er ook duidelijk genoegen aan.

Dat een literaire tekst om te overleven soms een andere functie moet aannemen, laat het ‘Wilhelmus’ zien. De tijdgebonden politieke boodschap, de verouderde rederijkersvorm en de verdwenen functie van strijdlied werken negatief bij de culturele overlevingsstrijd. Het zou allang vergeten zijn als het niet de nieuwe functie van Nederlands volkslied had gekregen.

Het boek vertoont een vaste, wat schoolse opbouw, waarbij van alle auteurs steeds eerst het leven wordt beschreven en het werk gekarakteriseerd. Elk gebloemleesd gedicht (altijd in de oorspronkelijke spelling afgedrukt en waar nodig voorzien van een woordverklaring) krijgt vervolgens een systematisch commentaar, te beginnen met het toelichten van de context waarin het is ontstaan en overgeleverd. De technische analyse behandelt strofebouw, versmaat en stijlkenmerken, de thematische analyse beschrijft structuur en inhoud (Claes heeft zelden meer dan tien regels nodig om een gedicht te karakteriseren) en de nawerking, die Claes nog eens extra de gelegenheid geeft zijn belezenheid te tonen, vermeldt navolgingen, pastiches, parodieën en kritische reacties.
Claes geeft maar in een heel enkel geval zijn bronnen aan. Het is een keuze die te verdedigen is, want in een uitgave als deze hoort een notenapparaat ook eigenlijk niet thuis, het zou het boek veel te zwaar maken.

Literatuur is nieuws dat nieuws blijft (Ezra Pound), geeft Claes zijn boek als motto mee, maar je moet toch constateren dat geheide canongedichten behoorlijk sleets beginnen te worden. Vondels Constantijntje, de leeuw van de Schoolmeester, Paaltjens’ melkboer, Van Eedens waterlelie, Dèr Mouws Brahman zonder meid, Van Eycks tuinman, Bloems Dapperstraat, Nijhoffs Bommelse brug, Slauerhoffs woningloze, Marsmans Holland, ze frissen van Claes’ heldere aanpak soms warempel op, maar ze zijn overal elders ook al zo aanwezig dat een lichte aversie dreigt.
Dat is zeker niet het geval bij het slotgedicht van Faverey’s Chrysanten, roeiers (1977), dat Claes de gelegenheid gaf zich tot en met de laatste regel op en top een goede schoolmeester te tonen. Dit is het gedicht, met daaronder Claes’ behandeling van de thematiek:

Van lieverlede; zo
komen zij nader; 8 roeiers,
steeds verder landinwaarts

groeiend in hun mytologie:
met elke slag steeds verder
van huis, uit allemacht roeiend;
groeiend tot alle water weg is,
en zij het hele landschap

vullen tot de rand. Acht –
steeds verder landinwaarts
roeiend; landschap daar al geen
water meer is: dichtgegroeid
landschap al. Landschap,
steeds verder land-

inwaarts roeiend; land
zonder roeiers; dicht-
geroeid land al.

***

De acht roeiers evoceren het beeld van de dubbelacht, een bootrace waarbij acht roeiers telkens twee riemen hanteren. Wie dat wil, kan het gedicht lezen als een allegorie op het leven: hoe meer men (g)roeit, hoe minder men nog (g)roeien kan; hoe meer tijd en ruimte men heeft gehad, hoe minder er overblijft; hoe meer men leeft, hoe minder leven over is.
Zoals veel poëzie van Faverey kan men dit gedicht ook als zelfbeschrijvend lezen. Voor en na de centrale regel, die het woord ‘Acht’ bevat, staan acht verzen, net zoveel als er roeiers zijn. De verzen zetten zich als roeiers in beweging en komen ten slotte weer tot stilstand. In hun mytologie (een paradoxale eenheid van mythos (‘mythe’ en logos ‘rede’) opent zich een poëtisch landschap en gaat weer dicht – zoals het gedichtenboek dat hier eindigt.

Zo pakt Claes het aan: helder, steeds ter zake, en zo dat het leerzame het genietbare niet in de weg staat. Vlaamse en Nederlandse overheden moeten de crisis maar even vergeten en geld vrijmaken om alle leraren Nederlands twee exemplaren toe te zenden: een voor thuis op het bureau en een ander voor in de klas. Met de strikte opdracht erbij er iedere week een tekst uit te behandelen. En in de hoop dat het zodanig inspireert dat de eigen keuze eraan wordt toegevoegd en de canon steeds verder wordt uitgebreid.

***
Paul Claes (1943), tot vorig jaar hoofddocent aan de faculteit Letteren van de K.U. Leuven, is een veelzijdig auteur en vertaler. Hij schreef naast verhalen vijf poëziebundels, vier essaybundels en negen romans. Voor zijn gehele vertaaloeuvre ontving hij de Martinus Nijhoff-prijs 1996.

Gelijktijdig verschenen bij dezelfde uitgever onder de titel De Zonen van de Zon de verzamelde gedichten van Claes (320 blz.; € 19,90; ISBN 9789023432869).

 

Geplaatst in Recensies.