Klassieker 115: Patrick Lateur – Mirjam

door Lambert Wierenga

Meander Klassieker 115

Patrick Lateurs ‘Mirjam’ is zeker geen kerstgedicht, maar de identificatie van de titelfiguur brengt wel mee dat de bespreking van dit gedicht door Lambert Wierenga best past in deze periode.

Mirjam

Men heeft mij toegedekt met duizend namen
door eeuwen vroomheid en ontzag bedacht,
mij op een troon geplaatst, gebrand in ramen,
met milde tonen mijn gezicht verzacht.

Maar Mirjam was mijn naam toen ik nog jong
door zon en wind getekend en getaand
met velen water putte uit één bron
en heuvels wollig van het vee zag staan.

De weelde van een wereld zonder schijn,
een thuis, een man om mee op weg te gaan
en het besef door God bemind te zijn.
Ik ben een vrouw en Mirjam blijft mijn naam.

Patrick Lateur (1949)

Uit: Zeven vrouwen, Uitgeverij P, Leuven, 1997

Een vrouw, Mirjam geheten, komt op voor haar eigen identiteit, zoals ze die persoonlijk kent en koestert. Maar ook een identiteit waarvan ze de ‘eigenheid’ als een kostbaar bezit verdedigt. Die haalt ze terug door die af te zetten tegen de dominante strategie van een goedbedoelende traditie, tegen de heerszuchtige en verminkende idealisering waarin ze – als vrouw – gevangen is gezet en gehouden, tegen eeuwenlange pogingen om haar in te kapselen in een devote verering.

Daarin voelt ze zich van zichzelf vervreemd. Gedecideerd, kritisch en zorgvuldig formuleert ze haar eigen antwoord op “de onpeilbare vraag: Wie ben ik? Onze identiteit, dat is alles wat we hebben”, zoals een Engels-Pakistaanse romanschrijver, Hanif Kureishi, het in een interview zei. Wie is deze ‘Mirjam’?

Het gedicht is klassiek opgezet, geconstrueerd volgens bekende en vertrouwde technieken. Strofe-indeling, ritme, rijm en bijna-rijm, alliteratie, figuren: alles in deze vanzelfsprekende beheersing van het dichtersmetier draagt er toe bij om de rustige zelfbeheersing van de ‘ik’-figuur te weerspiegelen. Die klassieke vorm en die klassieke thematiek wekken bij de lezer bewondering voor de bedachtzaamheid van de ‘ik’ en voor het toonbeeld van evenwicht bij de dichter.

EEN SOLIDE ARGUMENTATIE
Het gedicht is niet enkel een zelfportret waarin een jonge vrouw zich – zelfvoldaan, kritisch of geïdealiseerd – rekenschap geeft van wie ze is. Het is vooral een verdedigingsrede waarin een strakke redenering wordt opgezet die uiteindelijk uitloopt op een definitieachtige stelling: ‘Dit ben ik! Zo ben ik écht! Laat niemand daar nog iets op afdingen!’

Dat doet ze niet in een makkelijke bewering. Ze zet een complete, nauwkeurig gedocumenteerde redenering op! Soms agressief, maar steeds intelligent opgezet en uitgewerkt tussen het eerste woord van de eerste regel, het anonieme en generieke ‘Men…’, en het eerste woord van de laatste regel, het identificerende en individualiserende ‘Ik …’. Dit betoog wordt bovendien vanaf van het laatste woord van de eerste regel – ‘duizend namen’ – tot het laatste woord van de laatste regel – ‘mijn naam’ – in z’n architectuur bijna gevisualiseerd!

De ‘ik-figuur zet zich resoluut af tegen het beeld dat anderen – sinds ‘eeuwen’ – van haar hebben ‘bedacht’ (regel 2). Die anderen worden weergegeven met dat afstandnemende ‘Men…’, dat wil zeggen ‘Zij, niet ik!’. Het ‘Ik …’ in regel 12 geeft bij wijze van contrastieve conclusie bondig en fier weer, niet alleen zoals deze Mirjam zichzelf ziet, maar zoals ze wil dat ook ‘men’ (regel 1) haar ‘blijft’ (regel 12) zien en noemen.

EEN DRIELEDIG – CHRONOLOGISCH EN BIOGRAFISCH – PATROON
Een sterk parcours van ‘Men …’ naar ‘Ik …’. Van ‘namen’ naar ‘naam’. Van ‘was’ (regel 5) naar ‘blijft’ (regel 12). Hoe legt de ‘ik’-figuur dat parcours af? De structuur van de redenering volgt niet alleen een logisch, maar ook een chronologisch en biografisch patroon in drie etappes. In drie perioden, geïllustreerd in telkens drie karakteristieken. Elk van de drie strofen is dan ook analoog opgebouwd:

•   ‘Eeuwen vroomheid’ (regel 2)
De eerste strofe reconstrueert het proces van beeldvervalsing waarvan ze zich het slachtoffer voelt. Dat initiële en anonieme ‘men’ wordt niet rancuneus gespecificeerd. De oorzaak van die identiteitsverminking ligt in ‘eeuwen vroomheid’: kennelijk een metafoor voor de christelijke religie en de middeleeuwse kerk. In die ‘eeuwen’ is haar authentieke persoonlijkheid ‘toegedekt’ (regel 1). In plaats van haar ‘eigennaam’ – Mirjam – zijn ‘duizend namen’ voor haar ‘bedacht’. Weliswaar uit ‘vroomheid en ontzag bedacht’, maar ze hebben haar intussen wél onherkenbaar gemaakt.

Drie uitingsvormen van die identiteitsverminking geeft ze. Ze is tot ‘Koningin des hemels’ verheven (regel 3a), ze is vereeuwigd in de glas-in-loodramen (regel 3b) van kerkgebouwen, ze is afgebeeld (regel 4) als het ideaal van zachte vrouwelijkheid. In dat geleidelijk geconstrueerde beeld ‘herkent’ ze zich niet. Ze wil dat ook niet: het is in haar ogen een ‘schijnwereld’!

•   ‘Toen ik nog jong was’ (regel 5)
Want wie was ze ooit? Wie was ze écht? Van zichzelf schildert ze het beeld van een werkende jonge vrouw, volop actief in het sociale en professionele leven!

Weer drie karakteristieken in haar ‘eigen’ leven haalt ze op. Kennelijk werkend in de buitenlucht, als boerin of herderin, is ze ‘door zon en wind getekend en getaand’ (regel 6). Samen met vriendinnen en collega’s water puttend: ‘met velen (…) uit één bron’ (regel 7). De schapen op de bergweide in het oog houdend. Dat was haar leven oorspronkelijk. Dat staat haar nauwkeurig voor ogen! Dat was lang voordat bijna alles is misgegaan met de ‘beeldvorming’ rondom haar.

•   ‘Ik ben een vrouw’ (regel 12)
Haar eigen identiteit ontleent ze aan die ‘weelde van een wereld zonder schijn’ (regel 9). De ‘schijn’ waarmee de geschiedenis en de religie haar later hadden ‘toegedekt’. Ooit, oorspronkelijk, was ze geboren, opgegroeid en geïntegreerd in een ‘eigen’ wereld. En die wil ze niet verloochenen.

Weer drie concrete en reële beelden symboliseren haar ideale identiteit. In sterk contrast met de geïdealiseerde beelden die ze eerder had opgesomd (strofe 1). De beelden van die ‘wereld zonder schijn’, van de eigen wereld zijn voor haar: een ‘thuis’, een ‘man’ en een ‘God’. De intimiteit van een eigen plek, de reisgenoot door het leven, de liefde van de eeuwige God.

GEDECIDEERD VERZET
Aan dat verre én nabije ideaal houdt ze vast, tegen alle idealisering, en dus tegen elk verlies of roof van eigen identiteit in! Vandaar die gedecideerde slotzin: ‘Ik ben een vrouw en Mirjam blijft mijn naam’. Die gedecideerdheid is een duidelijke uiting van haar pittige ‘verzet’ tegen de persoonlijke, historische en religieuze vervreemding.

•   Een ‘vrouw’, niet de ‘Koningin des hemels’ dus. Een ‘vrouw’, geen religieus symbool of artistieke decoratie. ‘Een vrouw’, geen vertekenend ideaalbeeld van ‘de vrouw’.

•   ‘Mirjam was mijn naam’ en ‘Mirjam blijft mijn naam’. Geen ‘duizend namen’ dus. Dus niet ‘Maria’, niet de ‘Gezegende onder de vrouwen’, maar het authentieke ‘Mirjam’ (regel 12), waarop de ‘ik’ in regel 11 al discreet leek te hebben geanticipeerd met: ‘… door God bemind‘, dat – als was het een ‘eigennaam’ – cursief staat!

Deze polemische zin is programmatisch! Alles bevat hij wat deze Mirjam in haar laatste stelling afwijst als een aanval op haar unieke identiteit. Dit demonstratieve en definitieve programma is in een bondige formule opgebouwd vanuit het ‘verleden’ in het gedicht, met z’n perfectum- en imperfectumvormen van het werkwoord in de eerste twee strofen. Het herhaalde presens in ‘(Ik) ben (een vrouw)’ en ‘(Mirjam) blijft (mijn naam)’ (regel 12) maakt duidelijk dat ze zich doordacht en onvervaard verweert tegen elke relativering van wie ze zelf wil zijn en blijven.

EEN KUNDIGE EN POËTISCHE COMPOSITIE
Een verreikende problematiek! Altijd weer moeten kiezen tussen de eigen identiteit en de sociale wenselijkheid. Tussen wat iemand zelf weet te zijn en wat anderen wensen. Tussen ‘kiezen’ of ‘beslissen’ en ‘behagen’ of ‘berusten’.

Al z’n poëtische techniciteit en z’n culturele deskundigheid heeft de dichter ingezet om dit thema vorm te geven. De nauwkeurig gefaseerde articulatie vormt de hoofdstructuur van het gedicht. Eerst de inventarisatie van wat door anderen van de ‘ik’-figuur is gemaakt, dan de schilderachtige reconstructie van de zelf verworven identiteit en tenslotte de herbevestiging van de volgroeide persoonlijkheid. De uitbeelding van de dynamiek van een groeiende persoonlijkheid en van de fiere aanvaarding daarvan.

Maar ook op detailniveau krijgt alles z’n plaats en z’n functie. Het zijn geen decoratieve details, maar stuk voor stuk bijdragen aan het centrale thema.

•   De veelbetekende contrastering van ‘Men …’ en ‘Ik …’ (regel 1 en 12), van ‘… duizend namen’ en ‘… mijn naam’ (regel 1 en 12).

•   Ook het contrastieve ‘Maar …’ (regel 5) als slot van een afgewezen karikatuur en als start van het ‘zelfportret’. Eerst de historische verminkingen die de ‘ik’ (regel 1-4) heeft ondergaan, dan de herinnering aan het natuurlijke ‘eigen’ leven (regel 5-8), dat in een summier resumé wordt opgeroepen. Tenslotte de lapidaire opsomming van de trekken van de zelf verkozen identiteit (regel 10-12).

•   Daarbij vormt de interne strofestructuur een extra soliditeit. De rijmen zijn overwegend niet alleen formeel correct, maar ze vormen ook thematisch concrete aandachtspunten. Als rijmwoord komt ‘naam” (enkel- en meervoud) enkele malen voor, op uitgekiende plaatsen (regel 1 en 12). Dominant zijn overigens de rijmen op ‘~aa’: 6 van de 12 regels herhalen deze eindklank, die ook nog frequent is ingezet in het binnenwerk en wordt aangevuld met het verwante ‘~a’. De vrije en soepele rijmcombinaties ‘jong’ en ‘bron’ (regel 5 en 7), ‘getaand’ en ‘staan’ (regel 6 en 8), ‘gaan’ en ‘naam’ (regel 10 en 12) passen harmonieus in deze schematiek.

•   Opmerkelijk is ook, vooral in de tweede strofe, de portretachtige perspectiefwijziging van de schijnwereld (strofe 1) naar de verbeelding van een bijna bucolische sfeer van het landleven. De dichter suggereert die mede dankzij de vloeiende alliteratie in ‘getekend en getaand’, in ‘de heuvels wollig van het vee’, waarvoor de ‘ik’ “met velen water putte uit één bron”.

•   Daarna volgt dan weer een kenmerkend contrast in de kale opsomming (strofe 2) van het elementaire waar de ‘ik’ in haar échte wereld voor kiest: een thuis, een man, een God.

WIE IS ‘MIRJAM’? INDIVIDU EN IDENTITEIT
Glashelder! Krachtig! Maar voor de lezer is er wél een probleem met de identificatie van de titelfiguur ‘Mirjam’. Welke ‘Mirjam’ is zo in een schijnwereld geplaatst dat ze onherkenbaar is geworden voor zichzelf? Welke ‘Mirjam’ is zo verminkend ‘toegedekt’ met namen die ze niet met zichzelf kon associëren? Welke ‘Mirjam’ die hij zou moeten kennen, is ‘op een troon geplaatst’ en ‘gebrand in ramen’? Op grond van deze suggestieve indicaties in de eerste strofe moet de lezer wel denken aan Maria, en de aan haar gekoppelde ‘namen’ als ‘Moeder Gods’, ‘Koningin des hemels’, ‘Heilige Maagd’.

In een ‘huldeadres aan Patrick Lateur’ werd over z’n bundel Zeven Vrouwen het volgende gezegd: ‘In zeven gedichten (worden) zeven bijbelse vrouwen getekend (…). Ongewone vrouwen: ‘Eva, de moeder van ons aller leven’; Mirjam, de profetes, Mozes’ en Aärons zuster; Rachel de vrouw van aartsvader Jacob die op late leeftijd moeder werd; Ruth, de Moabitische, stammoeder van David; de Samaritaanse vrouw; Maria Magdalena; en tenslotte Mirjam, Maria, de moeder van Jezus’.

Het gedicht krijgt met deze externe informatie geen nieuwe of extra betekenis. Het is ruimschoots selfsupporting. Maar wél kan de lezer er ineens bewuster in gaan terugzoeken van wat hij al dacht te kunnen weten. In deze fiere apologie van de eigen identiteit die een jonge vrouw voor zichzelf opeist, zal hij ook nog elementen aantreffen die z’n fantasie zullen stimuleren. Kan hij bijvoorbeeld het zelfportret van Mirjam – in strofe 2 – herkennen vanuit z’n religieuze en culturele positie? Zelfs in dit glasheldere en krachtige beeld zal de associatie van deze ‘Mirjam’ met Maria, de moeder van Jezus, hem nog kritische impulsen bieden. En naar analogie daarvan gaat hij zich als vanzelf kritisch afvragen of ook hij trouw is aan ‘wie hij zelf wil zijn’ of meegaat in wat ‘Men …’ van hem verwacht.

Geplaatst in Klassiekers.