Een bladeraar pur sang

Frank Sijbenga (Leeuwarden 1979, woont tegenwoordig in Groningen) kan zich voor alles interesseren, behalve voor sport. Hij is bevriend met een aantal gedichten van onder meer Anne Carson en Emily Dickinson, en heeft er geen problemen mee als je graag bevriend of digitaal verweven wilt geraken met zijn eigen poëzie. Meander wilde er het fijne van weten.

Op je weblog  vinden we veel poëzie en andere geselecteerde teksten en beelden, maar wie steekt er nu achter? Kun je jezelf eens typeren?
Het blijkt dat ik in ieder geval iemand ben die na zo’n vraag een paar dagen diep maar ijdel na gaat zitten denken over wat hij zou moeten zeggen. Ik hou het maar bij wat willekeurige feitjes: meditatie-beoefenaar; Fries, maar niet Friestalig; gesjeesd filosofiestudent; circa één meter tachtig; verwoed baarddrager; chronisch geïnteresseerd in alles behalve sport; vindt dat er geen goede redenen zijn om het leven niet leuk te vinden, maar wel een heleboel slechte. Ik ben een kattenmens.

Je schrijft elders dat jij, net als jouw veronderstelde lezer, ook De Gebroeders Karamazov van Dostojevski niet hebt uitgelezen. Ben je een grote lezer?
Nee, niet echt, maar ik ben wél een grote bladeraar. Literatuur lees ik echter maar met mate en vooral romans doen me meestal weinig. Ik bedank voor tekst die meer aandacht van me vraagt dan mijn eigen leven en me er minder voor teruggeeft. Dat van De Gebroeders is overigens vooral een grap – hoewel ik hem inderdaad nooit helemaal uit heb gekregen. Het viel me op een gegeven moment op dat ik hem bij meerdere kennissen zag liggen verstoffen met een krantensnipper ergens op een kwart, vandaar.

Als ‘vooral romans je weinig doen’, wat wil dat dan zeggen over je poëtische leeslust?
Hoe ik poëzie lees is een beetje parallel aan hoe ik poëzie schrijf: in onregelmatige flarden. Ik heb eigenlijk niet de behoefte om ‘gedichten’ – in het algemeen –  te schrijven. Het is meer dat ik af en toe één specifiek gedicht wil schrijven. Of iets wil schrijven dat dan blijkt uit te pakken als een gedicht. Elk gedicht dat ik schrijf, zou zomaar het laatste kunnen zijn en ik zou me dan geen moment verplicht voelen dan tegen heug en meug tóch nog maar iets te schrijven. Omdat ik dat aan mijn dichterschap verplicht zou zijn, of zoiets.
Ik consumeer poëzie op dezelfde manier: zoals het komt, en per gedicht. Dus niet per dichter, of genre, of school. Ik ga zelden eens lekker zitten met een bundel. Het is meer dat ik bladerend, surfend, luisterend tegen gedichten aanloop die mij om wat voor reden dan ook behagen. Soms wordt zo’n gedicht dan ook echt wel een goede vriend. Eliots ‘The Love Song of J. Alfed Prufrock’, bijvoorbeeld, of ‘No Epitaph’ van Anne Carson (gebundeld in Men in the Off Hours). Sommige gedichten van Emily Dickinson (‘To make a prairie it takes a clover and one bee …’) ook.

Op je weblog spreek je niet van copyright, maar van copyleft. Hoe bewust is die keuze? Hoe verhoudt zich dat tot het intellectuele eigendom van jouw gedichten?
Och, ik voel persoonlijk totaal niet de behoefte om mijn gedichten, verhaaltjes en andere ‘brain farts’ als mijn ‘bezit’ te beschouwen. Waarom zou ik? Het gaat mij uiteindelijk vooral om het plezier van het schrijven. Maar kennelijk worden veel schrijvers zodra ze hun werk aan de openbaarheid prijsgeven, bevangen door een soort angst dat de rest van de wereld erop uit is om hun werk te stelen of verminken. Er nog van afgezien dat deze gedachte lachwekkend aanmatigend is, denk ik dat dát ook wel een beetje meevalt. En ik zie het probleem niet. Wil iemand een tekst van mij verspreiden, remixen, verbeteren of belachelijk maken? Gaat vooral uw gang! Ik heb geen idee waarom ik dat tegen zou moeten kunnen houden, zelfs al zou ik niet blij zijn met de gratis reclame.
Maar goed, ik ben ook niet vrij van eerzucht, natuurlijk. Vandaar dat mijn gedichten niet helemaal copyleft zijn. Ik gebruik een van de beschikbare Creative Commons licenties: iedereen mag wat ik schrijf naar eigen inzicht kopiëren, publiceren en wijzigen zolang er maar naar mij wordt terugverwezen en het niet commercieel gebeurt. Het zou me onwillekeurig een beetje steken als iemand meer geld met mijn werk zou verdienen dan ik – niets namelijk.
Een fundamentelere reden voor het gebruik van ‘zachte licenties’ is dat het inmiddels technologisch niet meer vol te houden is je rechten helemaal dicht te timmeren. Tekst is nog makkelijker te reproduceren en modificeren dan bijvoorbeeld muziek of software, en zie tot wat voor hopeloos potsierlijke uitwassen, pogingen van bedrijven als Sony en Microsoft, leiden om de eindgebruikers van hun producten in het gareel te houden. Zonder veel ander resultaat overigens dan wederzijdse ergernis, slecht karma en inkomstenderving.
Het lijkt me juist dat het huidige tijdperk van de eindeloze reproduceerbaarheid van informatie de dichtkunst meer kansen dan obstakels bezorgt. Maar er moet dan wel een cultuuromslagje plaatsvinden. Net zoals de economie van de echte wereld op een gegeven moment de goudstandaard los moest laten, zal de poëtische economie vermoedelijk de ‘bundelstandaard’ los moeten laten en andere dingen moeten gaan verkopen: de authentieke, fysieke aanwezigheid van dichters op festivals bijvoorbeeld. Mocht men mijn gedichten nou gaan waarderen, dan overweeg ik ze los te gaan verkopen. Mooi gedrukt op stevig papier, in beperkte oplages, genummerd en met mijn krabbel erop. Wat je dan van me koopt, is een gevoel van authenticiteit, niet zozeer de tekst an sich. Dat gevoel is immers écht schaars, terwijl tekst, als informatie, niet alleen inherent gratis is maar inmiddels ook praktisch niet meer in de oude auteursrechtquarantaine valt op te sluiten.

Waar sta jij volgend jaar rond deze tijd?
Geen idee, maar ik sta open voor suggesties! Een leuke vriendin lijkt me wel eens aardig…

Geplaatst in Interviews.

Eén reactie

  1. Pingback: Frank wint Dichtersprijs (als het aan u ligt) « Drabkikker

Reacties zijn gesloten.