Klaas Jager – De wereld heeft geen overkant

Iemand zijn

door Joop Leibbrand

Van Klaas Jager (1961) verschenen eerder bij dezelfde uitgever Windwakken in de tijd (2001) en Klipgeiten (2004). Hoewel beide bundels, waarin indringende natuurobservaties samengaan met existentiële beschouwingen rond de eigen persoon, door diverse recensenten positief besproken werden, leidde het voor Jager niet tot een echte doorbraak. Met De wereld heeft geen overkant is er een nieuwe kans poëzielezend Nederland ervan te overtuigen dat Jagers gedichten ernstig genomen moeten worden. Dat laatste dan vooral ook in de letterlijke betekenis van het woord, want een sterk ervaren ‘ernst’ domineert de bundel. Helder en consistent weet Jager een gevoel van urgentie op te roepen dat ervoor zorgt dat van zomaar wat vrijblijvend bladeren al gauw geen sprake meer kan zijn. Dit moest niet alleen geschreven worden, het moet vooral ook gelezen worden. En om Jager maar meteen te positioneren: regelmatig brengen zijn gedichten Kouwenaar en Nolens in gedachten. Kouwenaar vanwege het wereldbeeld en de levenssfeer, maar ook vanwege een bepaald zinsritme dat haast een zelfde manier van ademen verraadt en Nolens door de parlandotoon en de vaak zeer persoonlijke invalshoek. In beide gevallen: verwantschap, geen epigonisme.

De wereld heeft geen overkant is met precies tachtig gedichten een forse bundel. Er zijn drie afdelingen (‘Liefdestijd’, ‘Halverwege, het midden’ en ‘Houden van het imperfecte’) en één gedicht dat programmatisch vooraf geplaatst is, nog voor de inhoudsopgave:

het kan niet blijven

Het kan niet blijven
indien het blijven zou werd
het op den duur onzichtbaar

al die woorden ook
ze hebben geen bloed

verdwijnen totaal zodra
de lege huls ontbindt

het meest wezenloze wit
wat er nog van over is.

Bij Jager is de taal zelf onderdeel van de paradox dat bestaan afhankelijk is van voortgang, dus van verandering; wat verdwijnt blijft, maar wat voor veranderen niet vatbaar blijkt, is levenloos, dood. Woorden zijn dood, als zij hun betekenis verspillen en niet op een nieuwe manier tot leven gebracht worden.

De afdeling ‘Liefdestijd’ bestaat uit een gelijknamige cyclus van vijftien gedichten en een vijftal losse. Met elkaar vertellen ze de geschiedenis van een liefde, de onkenbaarheid daarvan en de reflectie daarop vanuit verschillende standpunten, met heden en verleden als wisselend perspectief. Opvallend daarbij is dat de ‘ik’ die in deze gedichten aan het woord is, de sterke neiging heeft afstand te willen nemen, vooral van zichzelf, ‘want liefste, het waait me door het bloed, niet met / de mond te spreken van degene die jij voor je ziet.’ Zo begint een gedicht met ‘Lieve liefste, ik doe maar alsof ik / schrijf in het besef dat niets blijft’ om te eindigen met ‘[terwijl] de dichter door het lachspiegeldoolhof / van zijn hersens dwaalt, zich stukloopt / op de glazen wand van het onzegbare.’ Voor wie in één gedicht overgaat van het persoonlijke ‘ik’ naar het afstandelijke ‘de dichter’, is het maar een kleine stap om uit te komen op het volstrekt onpersoonlijke ‘iemand’:

steeds overnieuw

Steeds overnieuw, niet belet door kennis en inzicht,
want aan dat vermogen komt een einde en de afspraak

is dat het voorgoed eenmalig is, moet iemand de winter
in zijn eentje overbruggen, een wak slaan, ijsbloemen
rooien, sneeuw laten smelten op lichtschuwe plaatsen

iemand moet de woorden sparen uit zijn eigen mond,
in ruil voor droog sprokkelhout om vuur te maken,

met stalen geweld op het aambeeld van de zon slaan, net
zolang totdat het vonken regent voor zijn verkleumde liefde.

Met ‘ik’ zou het gedicht pathetisch geworden zijn, iets smartelijks hebben uitgedragen; ‘iemand’ neutraliseert dat en maakt het persoonlijke invoelbaar en doorleefbaar.
In de eerste afdeling wordt de stap naar ‘iemand’ nog maar aarzelend gezet, maar in de volgende afdelingen staat er nauwelijks een gedicht waarin deze ‘iemand’ niet aanwezig is.

‘Halverwege, het midden’ heeft de bezinning  ‘media vita’ als uitgangspunt, waarbij het erop volgende ‘in morte sumus’ nadrukkelijk meeklinkt in ‘een wereld niet groter dan die ene weg die / hij volgen moet, ook al kost het zijn leven.’ Alles lijkt daarbij te draaien om beheersing van zowel de binnen- als de buitenwereld, gedicht na gedicht wordt een soort emotioneel pantser opgeroepen dat nochtans alleszins doorzichtig is: ‘in de kluis ligt winterschaarste van vroeger’, ‘iemand wordt zichtbaar in het donker, // overspeelt zijn hand bij elke vingertast, houdt / afstand van de verte die geen schuilplaats heeft.’ Veel gedichten hebben zo’n sterke existentiële grondslag, dat het niet anders kan of Jager heeft zich sterk vastgebeten in de denkwereld van Sartre en Camus. Wie zichzelf tot vreemdeling maakt, leeft in een wereld die hem buitensluit: ‘het is onbekend wie wie is, iedereen doorkruist elkaar’, ‘de wereld heeft geen overkant, iemand zit doorlopend / vast aan zijn plaats in de maalstroom van de herhaling.’
Telkens als de bundel daardoor iets monomaans dreigt te krijgen, verrast Jager met pure lyriek waarin taal en beeld alle ruimte krijgen. Dit is een subliem gedicht:

de zomer maakt slagzij
2

De avond is al bijna deze avond niet meer,

de zomer is overrijp, maakt slagzij,
maar drinkt nog weg als lauwe rode wijn,

een doodstille figuur schuifelt door de tuin,
iemand voelt de hartslag van iemand die er niet is,

de houtduif klapwiekt in het verfomfaaide nest,
de dagpauwoog flirt nog wat met zwaartekracht,

het licht stolt als bloed op huid van porselein,
iemand hoopt op een woord dat niks terugzegt.

De slotafdeling ‘Houden van het imperfecte’ zet de bundel op dezelfde voet voort. De dichter blijft zich rekenschap geven van het ongrijpbare bestaan in een niet te vatten wereld (‘er bestaat geen therapie voor het leven’), maar taal en dichterschap worden nog wat nadrukkelijker tot onderwerp gemaakt: ‘hoe nostalgisch moet een hart zijn, om alle / clichés van een gelukkige jeugd te doorstaan // vroeg of laat slaat ook daar de winter toe, / worden woorden overbodig verklaard, terwijl // de dichter in een uitgeputte voorraad tast, zich / verkijkt op de overspelige inborst van de waarheid.’

Zou je al een bezwaar tegen deze poëzie willen opperen, dan is het dat de denker de dichter soms enigszins in de weg zit. Jager zelf is zich van dat gevaar zeer wel bewust en slaagt er slim in dat voor een kerngedicht van de bundel aan te wenden:

eindelijk gelukkig zijn

Terwijl hij de tegenwoordige tijd
aan repen snijdt twijfelt de dichter;
in alles komt het oude fundament boven

gister is een opgebroken straat,
morgen een loopplank boven het ravijn

hij zou de werkelijkheid beschrijven
alsof het een idyllische ansichtkaart was

een huis bewonen in het holst van de vrede
de klok stilzetten, de geschiedenis wissen, de
toekomst laten verjaren bij een onmogelijke liefde

hij zou de denker, die weliswaar de dichter benijdt,
maar hem te pas en te onpas waardeloos verklaart,
met een wrede list de dood injagen;

hij zou alleen overblijven en eindelijk gelukkig zijn.

Bij Jager zijn dichter en denker tot elkaar veroordeeld. Gelukkig maar, want dan ben je pas iemand. Lezen die man!

Geplaatst in Recensies.