B. Zwaal – zouttong

Water als inhoud

door Ivan Sacharov

De ideale verhouding voor water en zand om zandkastelen te kunnen bouwen is 1 : 8, hoorde ik laatst op televisie. Zit er naar verhouding meer water bij het zand, dan ‘vloeit’ een zandkasteel in elkaar, is het droger, dan laten de zandkorrels gauw los en verstuift de boel.
Bestaat er ook zo’n recept voor luchtkastelen, in casu poëzie? We zouden het ons af kunnen vragen. Zandkorrels laten zich gemakkelijk met woorden vergelijken en water vervult wel vaker de rol van ‘inhoud’, oftewel de ‘glue’ die de woorden bij elkaar houdt. De metafoor lijkt in elk geval toepasselijk voor de bundel zouttong van B. Zwaal, die ik hier wil bespreken: ‘druppelende, drinkbare, zeewaardige poëzie’, volgens de achterflap. Drinken wij al lezend dus het eerste gedicht:

een gelderse roos droomt van de sneeuw
van haar lente

zongeruchten lichten het schip op
het anker scheurt uit de herfst

verleden geurt in de wind
naar de mispelen
geurt de riviermond

wind stuift onder zeil
roeit water het land in

verdwaald slentert de dijk
langs het huis

de appelen
bewaren de zolder

Dit gedicht heeft inderdaad iets waterigs, op het eerste gezicht in de lay-out al, maar dan heb ik het over de vorm. Het waterige van de inhoud komt vooral doordat de woorden ‘schip’, ‘anker’, ‘riviermond’, ‘water’ en ‘dijk’ erin voorkomen, en doordat het over een overstroming lijkt te gaan. Maar er is meer: een gelderse roos kan ook een vrouw zijn, die van haar vroegere onschuld droomt. Of geeft die eerste strofe gewoon een beeld van de voorbije lente?

Zongeruchten (wat een prachtig woord!) doen, omdat er licht op het schip valt, het schip oplichten. Maar het kan ook zijn dat het schip wordt opgelicht, door hoog water, beschenen door de zon. Merkwaardig is dat het anker uit de herfst scheurt. Misschien wordt ‘herfstgrond’ bedoeld, maar het kan ook slaan op de herfst van het leven. Gaat het om een oude vrouw die sterft? Komt de ziel los van het lichaam, zoals een schip bij hoog water zijn anker lostrekt uit de (herfst)bodem? Het zou kunnen, maar het anker kan ook gewoon even oplichten in de zon, en op die manier uit de herfst ‘scheuren’, en dan is er verder niet veel aan de hand.

Mispelen zijn vruchten van een appelachtige boom, die overrijp worden gegeten. Wordt het verleden zo ervaren? De riviermond die geurt naar mispelen ‘spreekt’ als het ware over het verleden. Maar een rivier wordt ook vaak als beeld voor het bewustzijn gebruikt, en dan is de riviermond de plek waar het bewustzijn het leven verlaat, dat is: waar wij sterven.

Wind stuift – met druppels van opslaande golven? – onder het zeil (een anagram van ‘ziel’), en roeit water het land in. Zoveel water dat het landschap haast niet meer herkenbaar is en het lijkt alsof de dijk verdwaald is: het land-lichaam wordt overspoeld, zoals bij het einde van ons leven de dood ons lichaam ‘overspoelt’.

Appelen bewaren de zolder: de zolder waar vroeger de appelen bewaard werden? Een zolder is een opslagplaats en kan als een metafoor voor de herinnering worden gezien. De appelen bewaren zo gezien dus nog een stukje herinnering. Appelen die trouwens ook vaak geassocieerd worden met een vrouw (Eva) en met de zondeval in het paradijs, hoewel men bij al dat water ook aan de zondvloed zou kunnen denken. En daarmee zijn we weer bij ‘de sneeuw van haar lente’ terug: het thema van de onschuld in de eerste regel.

Waarom ga ik hier zo diep op in? Niet omdat ik denk dat het gedicht hiermee verklaard wordt. Dit alles zegt in wezen niets over wat de dichter ‘bedoeld’ heeft met dit gedicht. God weet wat een dichter bedoelt! Het zijn mijn persoonlijke associaties. Ik heb onlangs te maken gehad met een sterfgeval en het is niet onwaarschijnlijk dat dit gedicht – in al zijn waterigheid – spiegelt wat er speelt in mijn onderbewustzijn. Ik vermoed zelfs dat de dichter een heleboel van wat ik denk helemaal niet zo bedoeld heeft, want eigenlijk komt het gedicht qua sfeer tamelijk licht over en mist het de dramatiek die ik erin wil zien. Ik laat me willens en wetens verleiden en misleiden door een spel van reflecterende golven. Gedichten liegen trouwens altijd – per definitie, zou ik zeggen – maar om de dichter nou hierover aan de tand te gaan voelen? Dat brengt de betekenis van een tekst toch niet boven water. Gesteld dat een tekst (zonder rekening te houden met de context) één vaste betekenis kán hebben, het is haast als vragen naar de vorm van water. Enfin, wat verder in de bundel ‘vaart de carolien’:

daar vaart de carolien

boven het atlasgebergte
een knoopje los

een gaffeltje van zin

uit het zeedijkse
westkappelse
zeezuiver
zoutsmakende
licht

flitst
roomrood
de sproetkrul
de lokharen mondkam

waaruit stralen

woorden
van schelp

op rede
liggend

op vloed

Ook hier weer een hoog vochtgehalte. Het zoute nat druipt bijna van de pagina. En het moet gezegd: bij waterige gedichten lijkt de inhoud haast nog minder vast omlijnd dan gewoonlijk. We kunnen er weer lustig op los interpreteren. ‘De carolien’, is dat geen vrouw? En op het ‘atlasgebergte’ hebben we met dat losse knoopje natuurlijk een veel beter zicht … Hoewel, dat ‘knoopje los’ zou ook het schip zelf kunnen zijn, van veraf gezien dan – of op de vaarsnelheid (in knopen) betrekking kunnen hebben.
De verbeelding kan bij waterige poëzie werkelijk alle kanten opgaan. ‘Een gaffeltje van zin’? Dat kan bijna letterlijk als ‘een dubbelzinnigheid’ worden opgevat. Een gaffel is een onderdeel van een schip, maar ook een tweetandige hooivork. Zo komen we van de zee, via een opengeknoopt bloesje in een hooiberg terecht, waar alle lentekriebels kunnen worden uitgeleefd (jaja!).

Een veelzijdigheid aan interpretatiemogelijkheden is een van de sterke kanten van deze poëzie, maar wie alle gedichten van de bundel leest merkt toch ook veel eenzijdigheid:

smoor smijt de smachtkool uit haar oven
uit haar email

in de vondplaats van haar dijen schuilt
havenvaart

ik pak de sloepkans aan
met beide polsen

reef

Alweer die verbintenis van zee en erotiek, alsof de dichter uit iedere golf Aphrodite ziet opduiken (al heb ik daar persoonlijk niets op tegen). Het laatste woord ‘reef’ leest men in dit verband al bijna als ‘teef’. Mooi hoe de dichter hier en daar nieuwe woorden ‘smeedt’, zoals: ‘smachtkool’, ‘vondplaats’ en ‘sloepkans’. Alsof het logisch is dat bij al het zeezand van zijn woorden soms twee zandkorrels aan elkaar blijven kleven! Men zou haast een klein woordenboekje van ‘Zwaaltaal’ gaan aanleggen. En het werkt: de vaak duidelijk seksueel getinte inhoud van de gedichten wordt er poëtischer door en behoed voor een al te platte benadering.

Maar om terug te keren bij de draad van mijn verhaal, bij de zin van deze zin. Er lijkt iets tegenstrijdigs in de poëzie van
B. Zwaal te zitten: aan de ene kant een groot aantal interpretatiemogelijkheden, en aan de andere kant gedichten die toch wel erg veel op elkaar lijken en veelal hetzelfde effect sorteren. Hoe valt dit te rijmen?

Het antwoord komt ondubbelzinnig bubbelend boven: dat moet iets te maken hebben met het (soms te?) hoge vochtgehalte van deze poëzie. De ideale verhouding van water en zand wordt in deze gedichten overschreden. De zandkastelen die deze dichter bouwt hebben de neiging te vervloeien en in heuvels zand te veranderen. Dat geeft onverwachte mogelijkheden: wat als een kasteel bedoeld was, lijkt plotseling ook op iets anders … Maar soms vervloeit het allemaal teveel en zien we alleen nog zandheuvels … Zandheuvels die al net zo zijn als golven: ze lijken allemaal op elkaar.

Geplaatst in Recensies.