Gedichten

Nachtwake

Vannacht word ik
een stil wit huis.
Geen bloed woedt
onder vingers hier,
mijn traag
groeiende handen.

Ik ga ze verstommen,
verslijten in het naadloos
discours van tegels
en wanden.
Hun sporen witwassen,
te drogen hangen in de
vrieskou en binnen een
nachtwals inzetten.
Adagio, pianissimo.

Vannacht wil ik traag zijn
en wakkeren. Het vuur
in de oude kachel bewaken,
elke moordpoging in de kiem
smoren. Tot ik mij te rusten
kan leggen, het huis krimpt
en eindelijk rond me past.

Implosie

Ik schrijf steeds kleiner, het
rijmt niet meer.
Deze hand voelt lomp, morst
letters over andere als een
synchroonzwemster met scheve
benen. Mijn mini-implosie met
zachte suïcide was altijd al
wat stroef.
Er is te veel, ik zou een kamer
nodig hebben, grond vol wit
blad waar ik mijn gewicht op
mag drukken, waar een stem
zegt van het is oké, weeg nu
maar.

Stuiterballenruis

Soms wegen de dagen hier zo zwaar dat
van praten niets meer komt, dan worden
vader en moeder angstige dieren met
blikkerende ogen in de koplampen van
de ander, klaar om vermorzeld te worden
onder een stel banden.

Ze zijn lang geleden vergeten hoe het heet
te ruiken naar de ander, fopkussen te stelen
of ademloos de haakjes te sluiten.
Ze zijn ver en lang verlangen, de vaalheid
van oude foto’s en woorden, het ruis op een
zestien millimeterfilm, de aanslag op een
ruit die van binnen warm is en van buiten
koud.

Tot het avond wordt. Dan sluiten ze elkaar
weer binnen als vanouds, wordt zuur
zoet en vuur gloed. Zo verwonden we elkaar
altijd maar, zijn we roof- en prooidieren in
een zelf bedachte nacht, en kunnen we
nooit alleen
het bloeden stelpen.

Geplaatst in Gedichten.