Jan M. Meier is sinds 2002 het pseudoniem van Jean-Marie Maes.
Hij was redacteur bij de literaire tijdschriften Restant, Yang en Deus ex Machina en publiceerde in tal van andere. Hij debuteerde met de bekroonde bundel Figuratie.
Recent verschenen de poëziebundels Engelenspoor (2017), Tekenen (2018) met illustraties van Wouter De Winter, Grote Gevoelens (2020) met illustraties van Evelien Sergeant, Schetsboek (2022) met illustraties van Wouter De Winter, de dubbelbundel Verstrengelingen (2024) met illustraties van Evelien Sergeant en Verdraaide Liefde (2025) met illustraties van Johan Clarysse.
Onderstaande gedichten komen uit een nieuwe cyclus, Kraaizang.
foto © Diane Ruthgeerts.
–
zij draait wakker met kiezelstenen op de tong
scherpe kanten hangen aan de huig
haperen achter tanden en tussen tong en lip
hete koffie maakt de weg vrij
–
taal is rond en hoekig
materie en antimaterie
taal en anderstaal
ondertaal boventaal
–
bloed is niet blind
aders dragen voeding, informatie
van verweer, schaduwen uit prenatale tijd
nevels van verdampte eeuwen
–
nu gaat zij zonnig gestemd in een jurk van glas
een bloem tussen bloemen en spiegelingen
van onder- en bovengroen
een kraai zit onbeweeglijk op een tak
–
pas als zij weg is krast
hij juichend op
–
hij schept aarde tussen de regels
begraaft letters als zaad in voren
bladeren zuchten onder zijn voet
taal die hem helemaal ontgaat
–
onherkenbaar als oude liefde
uit herinnering en zin gebannen
in permafrost ondergronds verzonken
slapende bacteriën van ziekte en verval
–
raaf en kraai begroeten de schemer
hij kauwt ze na diep vanuit de keel
fladdert vruchteloos met armen en hand
waggelt wijdbeens over de drukke weg
–
auto’s toeteren, hij wuift
als was hij een onsterfelijke paap
met goden onder elke arm als talisman
en een nonnenkoor in zijn spoor
–
in het echt richt hij schorpioenen af
spelt de eerste letter van liefde
huilt met de wolven in het bos
om de bomen die zijn gekapt
–
droom tooit zich als moord
engel een vermomde duivel
schaduw slaaf van licht
zonder vorm vegeteert leegte
–
een mond is meer dan
tong, tand, lip
hemel en hel versmelten
syllabe zoekt open zinsverband
–
woorden zijn witte bruiden
hij geeft ze alle ruimte
om te stralen en te verdwalen
in het uit en in van zijn zin
–
schikt ze in buigzame rijtjes
op een heuvel van klank
laat ze sneeuwen op de kale
akker van zijn blad
–
hij wacht op een woordenaar
met de poten van een poes
blik van een steenarend
de krijgslach van kraai
kraaizang
–
wind vloert het skelet
van de oude abeel, de droge moeraseik
een uitgewoond kraaiennest in de top
–
wind blaast vuur aan en
golven die over de dijk slaan
waait de tijd uit zijn vleugels
–
verlangen uit een meisjesjurk
de onderstroom uit vliedend water
een enkele sok onbewust van zichzelf
–
in herfst vinden meidagen weerklank
overrijpe vruchten ongeplukt gebleven
waarin oude besjes rimpelen
–
zuurzoete krenten voor een vogelbek
rente verdord op een vergeten rekening
gekras verborgen in een vers


