(12) De poëzielezer

"Lees maar, er staat niet wat er staat!"
een reeks korte essays over poëzie

Wat is poëzie? Hoe moet zij gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays wordt de poëzie vanuit verschillende invalshoeken bekeken. De zoektocht naar het wezen van de poëzie staat hierin centraal. In deel 12 ga ik in op de ‘hamvraag’ van de poëzie. De meeste dichters onder ons hebben een antwoord op de vraag waarom we gedichten schrijven of hebben er ooit een paar woorden aan gewijd. Maar waarom worden gedichten gelezen en door wie? En natuurlijk: bestaan ze nog, mensen die alleen gedichten lezen?

In dit voorlopig laatste essay van deze reeks richt ik me op een lastige vraag die al langere tijd door mijn hoofd speelt: waarom worden gedichten gelezen en wie leest ze? Wij dichters moeten het antwoord daarop vaak schuldig blijven. We zijn vooral druk bezig met onszelf, onze eigen ontwikkeling en onze eigen boodschap. We denken niet aan de lezers. En als we wel aan hen denken, dan komt het erop neer dat we niet echt weten wie ze zijn. Of we vermoeden dat ze een variant van onszelf zijn: wie anders zou er in ons geïnteresseerd zijn?
Maar ze bestaan wel: mensen die ‘alleen maar’ gedichten lezen zonder ze ook te willen schrijven. Ik stel me hen voor als een bedreigde diersoort waarvoor we reservaten aan zouden moeten leggen. Ik zou ze willen adopteren en adoreren. Ik zou een overdadig ‘O lezer’ willen schrijven, dat haaks zou staan op dat geniepig stukje poëzie van Baudelaire over hen.

Eigenlijk zijn poëzielezers beter af dan poëzieschrijvers. Zij hoeven niet te lijden en te zwoegen, maar krijgen meteen het gedicht onder ogen. Het leesproces dat volgt, is een afspiegeling van het creatieve schrijfproces. De lezer schept de wereld van de tekst in zijn eigen geest, vergelijkbaar met de inspiratieroes die eens de dichter tot grote hoogte moet hebben gebracht. Dit gaat echter niet vanzelf. Een gedicht komt meestal maar moeizaam tot de lezer. Oscar Wilde schreef in zijn fraaie De Profundis al dat dingen pas de moeite waard worden als er moeite voor is gedaan. De veelgehoorde opmerking ‘poëzie is moeilijk’, is ook terecht. Poëzie bemoeilijkt opzettelijk het leesproces. Niet iedereen kan of wil daarom van poëzie genieten. Maar als poëzie makkelijk zou zijn, dan zouden wij ons er niet zo mee bezighouden.
Poëzielezers doen extra moeite om een gedicht te begrijpen. Juist daarin zit hun waardering voor poëzie. Of, zoals Whitman het zo ontwapenend stelde aan het begin van zijn Song of Myself: ‘Heb jij heel lang geoefend om te leren lezen?/ Heb jij je erg trots gevoeld toen je achter de betekenis van gedichten kwam?’. Waarna hij grootmoedig vervolgde: ‘Blijf deze dag en nacht bij mij en jij zult de oorsprong van alle gedichten kennen’. Maar zo makkelijk is het helaas niet.

Het lezen van poëzie kost niet alleen moeite: over gedichten kan ook eindeloos gepraat worden. Je kunt erover nadenken en, op gezette tijden, ernaar teruggrijpen. Je kunt Victor Hugo citeren om je geliefde te imponeren. Of Shelley om aan te tonen dat de jaren op de middelbare school niet geheel en al verloren tijd zijn geweest. Voor de hardcore poëzieliefhebbers zijn er ook nog essays en artikelen over poëzie die soms belangrijker lijken dan de gedichten zelf.
Kortom, menigeen heeft er plezier in om zich met poëzie bezig te houden. En dat doet men – nagenoeg zonder uitzondering – bewogen en met passie. Het is die bijzondere passie die de dichter voortdrijft en die iedere lezer heimelijk zoekt wanneer hij of zij een gedicht openslaat. Zelfs de meest hermetische gedichten komen voort uit een passie die maar moeilijk gedeeld wordt; en – zoals we nu van Oscar Wilde weten – daarom ons juist zo diep kan roeren als die zich eenmaal aan ons geopenbaard heeft.

Poëzielezers stellen hun leesgedrag in op hun eigen passie. Deze passie is namelijk niet universeel maar hoogst persoonsgebonden. Poëzielezers zijn dan ook, zonder uitzondering, individuen. Cruciaal voor de poëzievoorkeur is het allereerste moment waarop de poëtische vonk tussen tekst en lezer overslaat. Is het als puber voor de eerste maal duikend in de rauwe verzen van Bukowski; is het op middelbare leeftijd geconfronteerd met een onvoorstelbaar verlies; of is het dromerig met de bloemrijke verzen opengevouwen op schoot? De ervaren poëzielezer zal deze eerste voorkeuren weten te ontgroeien, maar de nestgevoelens blijven. De allereerste passie tussen lezer en tekst zal de lezer brandmerken. Uiteraard spelen ook andere zaken, zoals leeftijd, een belangrijke rol. De versjes die ik als twintigjarige tot mij nam, zou ik nu niet meer tolereren. En vice versa zou ik als twintigjarige het begrip noch het geduld op kunnen brengen voor de werken die ik nu lees. Smaak blijft zich ontwikkelen. Daarom is de poëzielezer ook nieuwsgierig: altijd geïnteresseerd in nieuwe gedichten.

Het unieke van poëzie is dat zij dit alles bereikt middels de taal. Poëzielezers hebben ‘iets’ met taal. Deze kriebelt hen, verwart hen en bekoort hen, zoals anderen dat kunnen hebben met films, met beeldende kunst of zelfs met een goed gesprek met vrienden op een warme zomeravond. Poëzie heeft niet het alleenrecht op het effect dat zij teweegbrengt. Goede poëzie zal echter altijd haar grote zeggingskracht behouden.
Woorden zijn uiteindelijk krachtiger dan beelden. Een beeld roept een directe, haast instinctieve reactie op. Maar pas tijdens gesprekken wordt deze eerste reactie gekneed tot iets permanents. Andere kunstvormen, bijvoorbeeld beeldend of muzikaal, staan ook bol staan van de teksten. Zij hebben het woord nodig om volledig over te komen bij de toeschouwer. Woorden komen al snel om de hoek kijken als het gaat om het vormen van blijvende indrukken.

Ik wil hier, tenslotte, benadrukken dat ik het over de benijdenswaardige positie van de poëzielezer heb en niet over die van de poëzieschrijver. Een dichter is niet per definitie eveneens een goede of gedegen poëzielezer. Sterker nog, het tegendeel komt helaas vaker voor dan je zou hopen. Het gebrek aan leesvaardigheid komt weer terug in de aard en kwaliteit van het gemaakte dichtwerk. Alle lof is hier voor de poëzielezer.
Dit was voorlopig – wat is er niet voorlopig in het leven -) het laatste deel van deze essayreeks. We hebben in een aantal delen in vogelvlucht verschillende onderdelen van de poëzie onder de loep genomen en stilgestaan bij het al dan niet overduidelijke van de poëtische communicatie die ook wel omschreven wordt als: de communicatie van de dichter via de poëtische taal van het gedicht met de lezer. Ik wil iedereen die het zolang heeft volgehouden hartelijk danken. En dit geschreven hebbende, houd ik mijn digitale deur op een kier voor vragen, alsmede voor briljante suggesties voor eventuele nieuwe essays.

Geplaatst in En verder.