Gedichten

ademtocht

stapvoets drijf ik
asfaltopwaarts – altijd asfaltopwaarts

ik ben een watergeest.
iets dat vloeit althans.
(haperend, maar toch)

wist u dat licht kan stollen?
we noemen het schaduw maar eigenlijk
is dat dus gestold licht.

het is een uitstekend bouwmateriaal,
het beste. overdag hangt Sint-Anna
met haar oksels in krukken. ze staat –
maar niet erg vast. ’s nachts draagt ze
een harnas. is ze een oorlogsbodem.
steeds paraat – nimmer uitvarend.

aan haar voeten langs mij heen
buitelen bultruggen. u moet weten
dat bultruggen zich uitsluitend
bij regen in de stad vertonen.
snel, geruisloos en altijd per fiets.
zeldzaam zijn ze niet, maar
je moet ze opmerken.

mij zien ze niet. ik ben immers
een watergeest – gehuld in
gestold licht. al zwemmen ze door
me heen – recht door me heen –
dan nog merken ze niets van mij.

heeft u dat wel eens meegemaakt?
dat iemand door u heen zwemt?
recht door u heen?

ik ook niet. het voelt – vermoed ik –
als stappen op een trede
die er niet is.

de kortste weg in de stad is een hoekige
vogelvlucht van kerk naar kerk.
vuurtorens zijn het. niet zoals in melige
preken van gerestaureerde pastoors.
meer in de betekenis van oriëntatiepunt
voor duiven. ergens moet er een verband zijn
tussen belijden en beschijten. afdwalen, dolen,
nog zo van die woorden waar ze graag
confituur van maken.

 
in de stad kan je enkel in jezelf verdwalen.
het is als de tafel zetten. je gaat iets halen
in de keuken maar je bent vergeten wat
dus keer je terug om te zien wat ontbreekt.

dat is de kern van het dwalen:
inventariseren wat ontbreekt.
daar leent de stad zich uitstekend voor.

volg de weg asfaltopwaarts – altijd
asfaltopwaarts. bel aan bij het huis
waarin de stad schemert. schuif bij.
de tafel is maar half gedekt
maar laat dat geen bezwaar zijn.

plotsklaps

hoe plots een onopvallende vrouw, niet lelijk
maar op het eerste zicht ook niet speciaal
mooi, of in het slechtste geval – ergens
ligt natuurlijk wel een grens – gecamoufleerd
lelijk, een schoonheid wordt.

door het blote begin van een borst bijvoorbeeld,
vlak voor de nylonpoort van de tepelhof, of
minder banaal, een knie, sleutelgat tussen twee
dimensies, een reis voor tastende handen
van één wereld naar een andere.

door een kleurschakering in haar haar,
die je daarnet met een wolk voor de zon
niet zag, of toch liever minder
impliciet, een onverwacht hoog openvallende
split van een ambitieus mantelpakje.

of hoe ze plots aan mijn ogen hapert
en mijn gezicht aan diggelen slaat.

 

dwalingen aan de voordeur

i

de ring ronkt rustig van wagens,
gevels sluiten hun ogen voor je sluipende
binnendringen, de zakkende zon
dompelt stad en land in een schijn
van onsterfelijkheid. je vult je longen
met rook en je denkt: is langzaam
verdwijnen werkelijk zo vredig?

het licht is onwaarschijnlijk: je staat aan
een boom bij een huis langs een straat
van een stad op de wereld via een baan
rond de zon door het heelal in het oneindige.
met het uitblazen van 21 gram adem
word je groter dan dat?

ii

(zelfs dromend)

op een dorpel slaat een pompende doodsklok
jou in seconden uiteen.

(haa)

het ijken van de oneindige tijd stelt
ons in staat onze levensduur te meten.
in te schatten wanneer we zonder
accidenten zullen transformeren van
pulserende wezens naar imperformante
lijken.

iii

je was een dorstige australopithecus
die ging drinken en verdronk. je partner
maakte zich geen zorgen. zonder horloge
wijst niets op gemis. de volgende ochtend
ving hij termieten met een twijg voor ontbijt
en besprong een ander wijfje zoals jou
de dag ervoor en voldeed daarmee
aan de hofmakerij van zijn tijd

(tenzij hij je eerst moest vlooien, hoer).

pas toen je ontdekt werd, in het gesteente
dat het meer als tombe schonk aan je gebeente,
werd je 25 à 30 jaar oud, en iets minder
dan drie komma achttien miljoen jaar vermist

(aan tijd werd niet zo zwaar getild
toen hij nog niet werd geteld).

je was de allereerste rockster maar pas beroemd
na je dood. ook daarin zou je navolging krijgen.
welke roem was je beschoren als men je had gevonden
aan de voet van de Kwaremont, zonder diamanten
en een schlager op de achtergrond?
enkel wereldschokkend in vakgebieden

(vermoedelijk).

iv

het eerste wat je telde waren je vingers,
vandaar het decimale stelsel.
misschien had de geschiedenis er anders
uitgezien indien de eerste die ooit telde
aan kreeftsklauw leed

(misschien)

is het leven een rekenkundig letsel?

v

je was een boer die grassen vlooide
op zoek naar geschikte zaden
en na dat vingerwerk telde je de oogst.
je begon de dagen te tellen, de maanden
en de seizoenen en je zag de dagen
minderen, de maanden en de seizoenen.
het tellen gaf geen grond aan de diepte
van je angst, dus openbaarden goden
zich voor jou en je noden.

vi

meten en wegen: het gewicht van de aarde
is exact nul triljard kilogram

(niet te verwarren met haar massa die al
met al verwaarloosbaar is).

dat is oneindig veel minder dan een zeepbel
met de hete adem van mijn kinderen.
wat had Atlas eigenlijk te klagen?

is er dan geen god die de adem
van mijn kinderen kan dragen?

vii

wetenschappers ontleden ergens in een zin
het leven. iedereen heeft nu zijn eigen barcode,
met vervaldatum en al: zesenzeventig komma drie

(precies het aantal jaren dat je nodig hebt
om voor je begrafenis te sparen).

religieuze types dragen een kaars die schaars
verlicht waar zij gedragen wordt. gloria

(in excelsis deo).

dichters denken in onsterfelijke taal maar zijn alles
welbeschouwd geen haar beter.

(desondanks)

als het leven zin heeft, laat het dan a.u.b.
een poëtische zijn.

 

Geplaatst in Gedichten.