Heinrich Heine omvangrijk vertaald

In juni verscheen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep het lijvige boekwerk Duitsland, een wintersprookje en andere gedichten dat bijna achthonderd pagina’s bevat met gedichten van Heinrich Heine (1797–1856) . Peter Verstegen heeft de gedichten geselecteerd en het merendeel vertaald. Daarnaast zijn er enkele vertalingen opgenomen  van Marko Fondse, vooral bekend om zijn baanbrekende vertaalwerk van de Russische dichter Mayakovski (1893–1930). Beide dichters delen een ideologisch verwantschap: Karl Marx, de grote inspirator van de Russische Revolutie, was in de negentiende eeuw een van Heine’s Parijse vrienden.

De bundel belicht vooral het politiek geladen dichtwerk van Heine en bevat zowel zijn lange gedicht ‘Duitsland, een wintersprookje’ als ‘Atta Trol, een zomernachtsdroom’. Het eerste gaat over de politieke situatie in de toenmalige vorstendommen die later Duitsland zouden vormen; het laatste gaat over de politieke beer Rusland die zich wil ontworstelen aan het knechtendom van de Tsaar. Heine was in zijn tijd niet alleen dichter, maar ook politiek commentator. Hij leefde goeddeels in Parijs, maar hield zich druk bezig met de verwikkelingen van zijn voormalige landgenoten. In zijn verzen zijn dan ook vele satirische verwijzingen te vinden naar zijn tijdgenoten.

Hofmeester van het spotvers
Heinrich Heine is een dichter met een fraaie reputatie: hij wordt gezien als modernist, als vrijdenker, en als Europeaan, iemand die boven de landsgrenzen staat. Hij is de hofmeester van het spotvers. Zijn schertsen zijn op het brutale af. Een groot verschil met bijvoorbeeld het verfijndere, ironische werk dat in de Britse literaire traditie terug te vinden is bij schrijvers als Jonathan Swift.
Op jonge leeftijd maakte Heine al naam met zijn bundel Liedboek, waarin hij de toenmalige romantische poëzietraditie op de hak nam. Maar hij groeide al snel boven zijn reputatie uit, echter zonder zijn ironische grijns te verliezen. Velen moesten zijn spot ondergaan, onder wie vorsten en schrijvers en de kerk, die vaker een politiek spelletje speelt dan zich bezighoudt met stichtelijke zaken. Heel geslaagd in dit opzicht is bijvoorbeeld het uiterst komische ‘Hebreeuwse melodieën’. De jood Heinrich Heine beschrijft hierin een tweekamp tussen een franciscaner monnik en een rabbi over het ware geloof. De winnaar zal de zieltjes van de anderen voor het eigen geloof ontvangen. De christenen menen dat hun monnik de joden overtuigd heeft en beginnen het wijwater al aan te slepen; maar de rabbi slaat terug:

(pp. 618-9)

“Ich bedaure, daß er einst,
Vor etwa zwölfhundert Jahren,
Einge Unannehmlichkeiten
Zu Jerusalem erfahren.

Ob die Juden ihn getötet,
Das ist schwer jetzt zu erkunden,
Da ja das Corpus Delicti
Schon am dritten Tag verschwunden.

Unser Gott ist nicht gestorben
Als ein armes Lämmerschwänzchen.
Für die Menschheit, ist kein süßes
Philantröpfchen, Faselhänschen.

Unser Gott ist nicht die Liebe;
Schnäbeln ist nicht seine Sache,
Denn er ist ein Donnergott
Und er ist ein Gott der Rache.”

‘Ik betreur het dat hij, zeg maar,
Vóór zowat tweeduizend jaren
In Jerusalem iets uiterst
Onplezierigs heeft ervaren.

Of de Joden hem vermoordden?
Daaromtrent zwijgen de feiten;
Immers, het corpus delicti
Was al na drie dagen pleite.

Onze God is niet gestorven
Als een lam zo lammenadig
Voor de mensheid. Hij is niet zo’n
Theetante en niet liefdadig.

God is niet een God van Liefde
Die ’t ons naar de zin wil maken,
Want hij is een Dondergod
En daarbij een God der Wrake.’

Vervolgens bestookt hij de christenen met de meest overtuigde argumentatie om zich tot zijn geloof te laten bekeren:

(pp.620-623)

“Doch sein Fleisch ist delikat,
Delikater als schildkröten,
Und am Tag der Auferstehung
Wird der Herr zu Tische beten

Alle frommen Auserwählten,
Die Gerechten und die Weisen—
Unsres Herrgotts Lieblingsfisch
Werden sie alsdann verspeisen,

Teils mit weißer Knoblauchbrühe,
Teils auch braun in Wein gesotten,
Mit Gewürzen und Rosinen,
Ungefähr wie Matelotten.

In der weißen Knoblauchbrühe
Schwimmen kleine Schäbchen Rettich—
So bereitet, Frate Jose,
Mundet dir das Fischlein, wett ich!

Auch die braune ist so lecker,
Nämlich die Rosinensauce,
Sie wird himmlisch wohl behagen
Deinem Bäuchlein, Frater Jose.

Was Gott kocht, ist gut gekocht!
Mönchlein, nimm jetzt meinen Rat an,
Opfhe hin die alte Vorhaut
Und erquick dich am Leviathan.”

‘Maar zijn vlees is delicater,
Delicater nog dan schildpad;
Op de dag dat wij verrijzen,
Dekt God zelf de dis. Hij wil dat

Alle uitverkoren vromen,
De rechtvaardigen en wijzen,
Zich op deze feestdag met Zijn
Lievelingsvis zullen spijzen,

In een witte knoflooksaus,
Anders wel sauce hollandaise,
En met kruiden en rozijnen
Als een soort van bouillabaisse.

Ach, die witte knoflooksaus, waar
Schijfjes rammenas in drijven…
Zo bereid, mijn beste frater,
Is de smaak niet te beschrijven!

Ook de bruine saus is heerlijk
En op basis van rozijnen;
Voor je buikje, beste frater,
Is geen lekkernij verfijnder.

Wat God kookt, is welgekookt!
Laat mij je gelukkig maken,
Geef nu toch die voorhuid prijs, dan
Zal Leviathan je smaken.’

Tenslotte beslecht de jeugdige vorstin Blanche de Bourbon, een van de toeschouwers aan het hof waar deze discussie plaatsheeft, het pleit:

(p.628-9)

“Donna Blanka schaut ihn an,
Und wie sinnend ihre Hände
Mit verschränkten Fingern drückt sie
An die Stirn und spricht am Ende:

Welcher recht hat, weiß ich nicht—
Doch es will mich schier bedünken,
Daß der Rabbi und der Mönch,
Daß sie alle beide stinken.”

‘Donna Blanca kijkt hem aan,
Peinzend brengt ze dan haar hand aan
’t Voorhoofd en haar vingertoppen
Drukken zacht; dan zegt ze langzaam:

‘Wie gelijk heeft, weet ik niet,
Maar het komt me voor dat beiden,
Rebbe net zo goed als frater,
Een gemene stank verspreiden.’

Deze dikke bundel staat vol met zulke fraaie verzen van Heine. De uitgave is gelukkig tweetalig, zodat ook het originele Duits te lezen is. Dankzij de tweetalige editie valt op hoe gekunsteld en stroef het Nederlands overkomt. Af en toe kan ik mij zelfs niet aan de indruk onttrekken dat deze bundel haastwerk is geweest; hoewel een aantal van deze gedichten al eerder uitgegeven werd onder de titel Denk ik aan Duitsland in de nacht (Bert Bakker, 1988). De inleiding is beknopt: er wordt nauwelijks iets over het zeer boeiende leven van Heine verteld. En de logica van de volgende redenering moet iemand mij nog maar eens uitleggen, want ik snap haar niet:

(p. 6)
‘De korte lyrische gedichten uit het Buch der Lieder, die Heine al jong beroemd maakten en die prachtig voortleven in gezongen versies op muziek van Schumann en anderen, zijn niet het geschiktst om hem in vertaling voor een hedendaags publiek te presenteren. De naïeve toon ervan en het stereotiepe gebruik van romantische elementen (…) hebben iets pasticherends, dat niet meer zou worden aangevoeld of in de vertaling verloren zou gaan. Toch is uit deze bundel een veertigtal gedichten vertaald…. ‘

Peter Verstegen heeft vooral naam gemaakt als vertaler van vormvaste gedichten. Door hem vertaalde dichters als Baudelaire, Petrarca, Rilke en Shakespeare stammen uit een andere poëzietraditie dan Heine; en dat is te merken in de vertaling. De stijl van Heine is enerzijds nonchalant, haast alledaags, en tegelijkertijd buitengewoon muzikaal. Zowel qua ritmiek als qua klank zit zijn dichtwerk goed in elkaar. Deze kraakheldere vorm benadrukt het amusante karakter van zijn verzen nog meer. Vergelijk het met het effect van een limerick; het is niet volledig hetzelfde maar benadert het effect waar ik op doel. Daarbij zijn veel van de verzen van Heine goed te zingen. Zoals wellicht bekend, kent de Duitse taal een levendige liederencultuur.

Technische vertaalwijze
In het Nederlands is deze component van het Duits helaas niet overgenomen. Vertalen is keuzes maken en Verstegen heeft vooral vertaald op rijm en inhoud. Maar met het technisch correcte lettergrepen tellen en klemtonen plaatsen, wordt de schwung van het origineel niet overgebracht. Ook de 76 pagina’s met aantekeningen over de gedichten – waarbij ik niet durf te twijfelen aan de waarheid ervan – geven mij niet het gevoel dat de vertaalde gedichten er beter van worden. Akkoord, ik kan de gedichten er beter door begrijpen; maar in eerste instantie lees ik een bundel met mijn gevoel en om er plezier aan te beleven; niet met mijn verstand. Ik wil iets pas weten als ik iets tegenkom wat ik niet begrijp of als ik een ander perspectief zoek voor een gedicht.
De eerdergenoemde elementen bevatten voor mij de essentie van de dichtstijl van Heine. Ik vind het daardoor jammer dat er uiteindelijk gekozen is voor deze technische vertaalwijze. Dit geschreven hebbende; Verstegen weet bij tijd en wijle wel de juiste nonchalante spreektoon van Heine’s gedichten te raken maar verzandt daarna weer in de technische benadering. Ook is een significant aantal archaïsmen terug te vinden in het Nederlands, waar ik me erg aan heb gestoord; juist omdat het Duits zo levendig is. Tot slot vond ik het een klein gemis dat de gedichten zelf geen voetnoten in de tekst bevatten met een korte uitleg over bepaalde (historische) referenties, zodat de lezer kan verstaan wat de toenmalige Heine-lezer meteen begrepen moet hebben. Bijvoorbeeld bij Heine’s lange gedicht ‘Duitsland, een wintersprookje’, zou het handig zijn om meteen iets te kunnen lezen over de tijdgenoten die hij op de hak neemt. In plaats daarvan moet je bij iedere naam naar de aantekeningen achterin bladeren, wat niet ideaal is.

Nawoord
Deze bundel wil Heine bekendmaken bij een breder publiek, zo lees ik in het nawoord van de schrijver Arnon Grunberg. Waarom Grunberg? Dat vroeg ik me af,  totdat bleek dat hij meebetaald heeft aan het tot stand komen van dit boek… En wie betaalt, die bepaalt. Verder dan de eerste bladzijde van zijn nawoord zou ik niet gekomen zijn, ware het niet dat ik als recensent bepaalde verplichtingen heb. Dus zette ik mij over zijn pontificale verwijzing in het nawoord dat de hoofdpersoon in de debuutroman van Grunberg ook Heine bij naam noemde. In de paar pagina’s die volgen, stipt hij in vogelvlucht enkele zaken uit Heine’s leven aan, maar het is nauwelijks genoeg om de complexiteit van de man, de dichter en zijn werk eer aan te doen. Gelukkig is het boek een degelijk gebonden hardcover die het met een paar pagina’s minder kan.
Hoe nobel het streven ook is om Heine bij een breder publiek bekend te maken, en hoe rechtvaardig ook, deze lijvige uitgave is er niet ideaal voor. Ze is topzwaar; redelijk aan de prijs, en het Nederlands leest niet zo lekker weg als het Duits.
Gelukkig is Heine in de wereldliteratuur een klassieker. Ik wil hem geen eeuwigheidswaarde toekennen, want wat is nog eeuwig tegenwoordig. Hij zou daar zeker een fraai spotvers over kunnen maken. Maar we gaan hem zeker vaker tegenkomen, of we willen of niet. En dat is ook een mooie gedachte.

Heinrich Heine – Duitsland, een wintersprookje en andere gedichten
(vert.) Peter Verstegen en Marko Fondse
Athenaeum-Polak & Van Gennep 2009; 792 blz.; € 39,95
ISBN 978 90 253 6427 4

Geplaatst in Interviews en getagd met .