Klassieker 125: Geert van Istendael – Spade

door Wilma van den Akker

Meander Klassieker 125

‘Spade’ van Geert van Istendael is voor Wilma van den Akker een oergedicht:

“Poëziezomer Watou, september 2002. In een boerenschuur vol hooi staat een spade tegen de muur. Er hangt een gedicht; het klinkt ook uit een speaker. ‘Spade’ van Geert van Istendael komt zo optimaal bij mij binnen. En ik raak het niet meer kwijt.”

Spade

Zij bijt het eten uit de grond. Haar snede
keert het bestaansrecht om, vlak bij
de aarde. Wie haar schaafde, smeedde
wil geen gras, wil knol, verteerbaar blad.
Metaal klemt hout. Ooit breken zij hun eden.

Haar meester stoot. Zij steekt, zij doodt. Al wat
het duister zoekt wordt naar het licht geheven.
Zij spreidt een brokkelig bed voor oogstbaar leven.

Geert van Istendael (1947)

Uit: Taalmachine, Atlas, Amsterdam-Antwerpen 2001

Poëziezomer Watou, september 2002. In een boerenschuur vol hooi staat een spade tegen de muur. Er hangt een gedicht; het klinkt ook uit een speaker. ‘Spade’ van Geert van Istendael komt zo optimaal bij mij binnen. En ik raak het niet meer kwijt. Teruggekeerd van het festival in de Vlaamse Westhoek ga ik meteen op zoek naar de bundel Taalmachine, waarin ‘Spade’ is opgenomen. Wat is het dat mij zo raakt? Het is niet gemakkelijk om er de vinger op te leggen, maar ik doe een poging. Het is een samengaan van vorm, klank en inhoud. Zo’n fraaie mannenstem met Vlaams accent is één, maar de zinnen maken ook indruk. ‘Al wat het duister zoekt, wordt naar het licht geheven.’ Wie deze zin buiten de context leest, of hoort, moet haast wel denken dat het hier om een diepzinnig, existentieel gegeven gaat. Het Yin en Yang van goed en kwaad, licht en donker, aarde en lucht. Een zin die thuishoort in een boek vol beroemde citaten. Maar ook binnen de context van het gedicht, een ode aan een stuk basisgereedschap van boer en tuinder, heeft deze zin een belangrijke functie: hij is een uitwerking van het in de tweede regel genoemde ‘omkeren van het bestaansrecht.’

Vlijmende klanken
De vorm van dit gedicht is vrij eenvoudig: twee strofen, een van vijf en een van drie regels. In Taalmachine (afdeling I) staat een negental gedichten met dezelfde opbouw. Alle zijn odes aan stoffelijke zaken, in de meeste gevallen gebruiksvoorwerpen. Baksteen, Wijnfles, Kurkentrekker, Pad, Tweed, Ui, Spade, Spijker, Zeis. De meeste regels rijmen, volgens het schema a b a c a – c d d. Ook daarin komt de hele reeks van negen overeen. Met zo’n strak stramien begin ik me af te vragen, wat er aan deze reeks gedichten ten grondslag lag. Was er sprake van een opdracht? Of vond van Istendael het zelf prettig om deze structuur als houvast te hebben? Ik zou het de dichter bijna willen vragen. Misschien zijn er lezers die meer over van Istendael weten en dat kunnen vertellen. ‘Zeis’ is opgedragen aan zijn schoonvader, die hem leerde maaien. Dit lees ik achterin de bundel. Voor mij tekent zich liefde af voor het eenvoudige (boeren-)leven, met eerlijke arbeid en simpel gereedschap.
De klanken en woordkeuze zijn zorgvuldig afgewogen. Het begint al meteen goed met : ‘Zij bijt het eten…’ Een begin dat er inhakt: de ‘ij’s en ‘t’s vlijmen. Vervolgens doen de ‘s’ klanken het scherpe metaal zingen in: ‘Haar snede keert het bestaansrecht om, (…). Wie haar schaafde, smeedde….’. Wat ook krachtig werkt, zijn de korte zinnen, die zich tussen de langere ophouden. Kernachtige, actieve uitlatingen: ‘Metaal klemt hout.’ ‘Haar meester stoot.’ ‘Zij steekt, zij doodt.’ De snelle, pittige bewegingen van het spitten komen hierin tot uiting. Daarna weer langere, meer samengestelde zinnen die het complexe en uitgebreide van het aardse en het onderaardse weergeven. ‘Zij spreidt een brokkelig bed voor oogstbaar leven.’

Bestaansrecht
In de inleiding gaf ik al aan, dat dit gedicht over een stuk oergereedschap een veel diepere betekenis lijkt te hebben. Is het een metafoor voor de dualiteit van het bestaan? Voor het samengaan van licht en donker, onder- en bovenwereld en voor de inwisselbaarheid van beide? Bepaalde zinnen suggereren dat op zijn minst. Ik zal trachten van voor naar achteren de betekenis van het gedicht enigszins te doorgronden. /Zij bijt het eten uit de grond./ Ik heb nooit geweten dat een spade vrouwelijk was. Alweer hebben we hier een tegenstelling: de spade is vrouwelijk, haar meester mannelijk. Yin en Yang werken samen om de grond open te leggen. Ze begint wel bits, zet haar tanden in de grond om het voedsel eruit te halen. ‘Haar snede’ klinkt erg als ‘haar schede,’ om het vrouwelijke nog sterker te benadrukken. Wordt de schede niet ook ‘snee’ genoemd? In ieder geval wordt hier ook de inkeping beschreven, die het gereedschap in de aarde maakt. Waarmee het bestaansrecht wordt omgekeerd. Dat omkeren werkt hier erg mooi, maar wat is eigenlijk bestaansrecht? Woordenboeken verklaren niet verder dan: ‘recht van bestaan’ en ‘recht om er te zijn’. Hoe ziet dat eruit, het bestaansrecht omkeren? Het blijft wat ongrijpbaar. ‘Recht’ is doorgaans een verworvenheid, vastgelegd in wetten. Grondrecht, natuurwetten… nu draaf ik misschien door in het zoeken van betekenissen. Ik houd het er maar op, dat van Istendael verwijst naar het recht om ‘onder’ of ‘boven’ te zijn, zoals in de tweede strofe wordt uitgewerkt, met: /Al wat het duister zoekt, wordt naar het licht geheven./
‘Vlak bij de aarde.’ In feite begeeft de spade zich in de aarde, niet er vlakbij. Niet diep misschien, maar wel erin. Dus als ik dit precies begrijp, doelt de dichter hier eerder op het aardoppervlak, of moeder aarde. Vlakbij de planeet aarde. Hier vindt genoemde omkering plaats.

De maker van de spade, die haar hout schaafde en haar metaal smeedde (voor de boer) heeft geen behoefte aan gras. Gras is niet eetbaar voor mensen. De mens wil aardappelen en andere knollen, bladgroenten enzovoorts. Om die te oogsten heeft hij de schop, de spade nodig. Het gras wordt ondergespit. Terug naar de maker van de spade. Het lijkt erop, dat hij dezelfde persoon is als degene die de spade gebruikt, maar dat hoeft niet zo te zijn. Beide hebben gemeen dat ze groenten willen eten. De een (een houtbewerker, een smid) maakt het gereedschap, de ander gebruikt het (een boer, een tuinder). Met het doel om te oogsten. Het metaal wordt om de houten steel geklemd. Twee verschillende materialen worden hier stevig verenigd. Maar niet voor de eeuwigheid: ooit breken zij hun eden. Ergens in de toekomst zal de spa stukgaan en zullen de materialen van elkaar scheiden. Verwijst ‘eden’ hier ook naar ‘Eden’, het paradijs? Dat door kennis van goed en kwaad (licht en donker!) voor man en vrouw (Yang en Yin) voorgoed verloren ging? Dat voert misschien weer te ver, maar de associatie ligt nogal voor de hand.

Beweging
De tweede strofe maakt krachtig duidelijk, hoe de spade wordt gebruikt. De boer, of tuinder is de meester. Hij stoot de spade in de grond. ‘Haar meester stoot’ zou zonder context zo maar kunnen verwijzen naar een geslachtsdaad, waarbij de man een overheersende rol speelt. Maar binnen de context zet de spade zelf (‘Zij’) de beweging door: ‘Zij steekt, zij doodt.’ Zij steekt haar metalen blad bijna als een mes in de aarde en doodt daarmee plantaardige en dierlijke schepsels, die zich in en op die aarde bevinden. De volgende beweging is een heffende: de wortels, wurmen, pissebedden en al het andere leven dat zich ondergronds, in het donker ophoudt, worden opgetild en komen in het daglicht terecht. Verdraagt het dat? Hier verricht de spade een bijna goddelijk werk: onderwereld wordt bovenwereld. Het bestaansrecht omgekeerd. Zo wordt donker licht en dood wordt leven. Krachtiger tegenstellingen bestaan niet. Ook compost wordt ‘gekeerd’: plantaardige resten, die onder een laag aarde liggen te verteren, opgegeten en uitgepoept door wormen en andere organismen, worden op de schop genomen en naar de oppervlakte gebracht. Zo ontstaat een gelijkmatige massa vruchtbare humus.

Tot slot wordt het resultaat van al dit gegraaf en gespit beschreven: /Zij spreidt een brokkelig bed voor oogstbaar leven./ Voor onze ogen strekt zich de aarde, de akker uit, met onregelmatige kluiten, klaar om zaad of pootgoed te ontvangen, waarvan later geoogst kan worden. Het bed is gespreid. Er wordt ‘leven’ geoogst. Uit gedood leven ontstaat nieuw leven. Bovengronds, met ondergrondse wortels. Onderwereld en bovenwereld, licht en donker blijven met elkaar verbonden. Dankzij de spade, die de boel regelmatig op zijn kop zet. De beweging blijft doorgaan. Omkeerbaarheid werd zelden sterker onder woorden gebracht. ‘Spade’ is een voor mij een oergedicht.

Ik wil deze bespreking afsluiten met een ander gedicht uit de reeks, een ode aan de spijker. Een tweede bewijs van liefde voor eenvoudig werk en simpel gereedschap.

SPIJKER

De ingeklopte kop verraadt de punt
die door de macht van hamers werd verdreven.
Door timmerbazen voorgeproefd, verdund,
verplet tot scherpte, kwetst hij, hecht hij
de vezels waaraan hardheid zij gegund.

Weerspannigheid en lengte worden waarden
als groter smeedwerk hem het hout in drijft.
Hij blijft rechtop als hij de slagen krijgt.

 

Op de hem toegezonden bespreking gaf de dichter – Geert van Istendael – deze reactie, die we met zijn toestemming publiceren:

Hartelijk dank voor de analyse van het gedicht ‘Spade’. Een paar opmerkingen:
1. Spade is inderdaad vrouwelijk, zie het Woordenboek der Nederlandsche Taal, deel XIV. Het is nu wel de gewoonte om alleen nog het verschil te maken tussen de- en het-woorden, maar dat stuit me tegen de borst. In mijn Brusselse en dus Zuid-Brabantse dialect is het verschil nog altijd duidelijk hoorbaar in het onbepaald lidwoord: een (vr.) spade en niet ‘ne, wat voor een mannelijk zelfstandig naamwoord zou staan.
2. Bestaansrecht. Het is maar goed dat in de natuur de democratie niet bestaat, want de ongewervelde dieren onder de grond zijn veruit in de meerderheid. Zolang die onder de grond leven hebben ze recht van bestaan. Als een spade ze aan het licht brengt, sterven ze af, houdt dus hun recht van bestaan op. Maar geen nood, ze worden onmiddellijk vervangen door nieuwe griezelige beestjes.
3. De vorm heb ik zelf een vijftiental jaren geleden uitgevonden. Sindsdien zijn er in drie bundels dergelijke gedichten opgenomen, telkens negen stuks, allemaal over simpele gebruiksvoorwerpen: een theepot, een bloempot, een fiets, een houten lepel, enz. Wat de vorm betreft, het zijn is zekere zin bondige sonnetten. Ik ben zeer gesteld op sonnetten, maar voor deze voorwerpen zijn ze te lang en ook te zeer beladen met traditie. Dus: niet acht regels, witregel, en zes regels, maar vijf, witregel, drie. Vrij strak rijmschema: a (b) a (b) a (a) cc, waar de letters tussen haakjes staan voor halfrijmen. Ik volg het niet altijd helemaal, maar toch heel vaak. Soms komen er nog binnenrijmen bij. De laatste twee regels zijn belangrijk omdat ze de geslotenheid van dergelijke voorwerpen aangeven. Ze doen het ding als het ware dicht met een dubbel slot. Mij gaat het erom de onvermoede complexiteit van die dingen te benaderen. Ten tweede gaat het mij om de duurzaamheid. De meeste van die dingen gaan al eeuwen mee. Dat is natuurlijk onduldbaar in ons economisch bestel. Maar op dat punt dwaalt onze economie. Alleen duurzaamheid kan de menselijke soort redden. In één gedicht (Thonetstoel nr. 14) staat het zo: Een stoel moet langer leven dan een boom. Zo niet gaan we allemaal eraan. Die gedichten zijn in onze tijd dus subversief.

Nu ligt er weer een dozijn of zo van dergelijke gedichten klaar. Misschien voor een bundel volgend jaar, we zullen wel zien.

 

 

Geplaatst in Klassiekers.