Gedichten

nog altijd neemt ze haar glas met twee handen vast
op de loopplank ligt te veel werkelijkheid

tussen twee huizen door
huilt ze schuilend of andersom
zoals je bij een sjaal denkt aan de kou
zo denkt ze aan het leven

thuisgekomen haalt ze het speelplein
van onder de nagels van het kind
raadt granaatappels juist op tv
gaat slapen, zo uitgestrekt mogelijk

morgen is haar territorium weer twee voeten
maat 38, groot

een stad is ook maar verenigde straten

ze plakt met kauwgum aan elkaar

bakkers rollen deeg de dag in

een meeuw schijt zich uit tegen het raam

een vrouw verplaatst bloempotten

een man is in het buitenland, daar ben je internationaal

om vier uur klinkt de schoolbel polyfoon

in de winkels hangen meisjes in de rekken

stijve tepels tegen de reling van de autosnelweg

internet doet het weer niet meer

bussen rijden naar de parking, nergens uitgenodigd

bij het groot vuil op dinsdagavond is het warm

maar het is maandag en er liggen al zeventien ballen op het dak

ze vraagt of het beter gaat met mijn gsm
kijkt naar de brownbeweging in de soep
de moeder

ik zit aan de keukentafel
probeer slecht nieuws door de perforator te halen
tot confetti

het is niet onmogelijk, zeg ik
ik ben een mogelijke vrouw

ze hoort mij niet, houdt zich zomertinten voor
waarbij ze een terras verzint

leg je hoofd op deze regel
wacht

mag ik je haar doen
je borsten
je getekende neus
je uitgesproken lippen
je kin die zich een val herinnert
samen met je knieën
vingers die in mij vertragen
je voorhoofd, nog niet ingevuld
wangen zonder begin
de buik die je hebt
je benen een gebed
je verlegen rug
voeten waarin de zomer zwelt
armen waarop de zomer afsloot
met veel zonnige sproeten
je lacht

of ik je mooi vind
en hoe zie je mij
en kan dat, twee vragen verzoenen

Geplaatst in Gedichten.