Klassieker 126: Martinus Nijhoff – Verwachtingen en haren eenmaal grijs

door Bettine Siertsema

Meander Klassieker 126

Bettine Siertsema bespreekt het sonnet over een trambestuurder, het derde in de reeks van acht sonnetten ‘Voor dag en dauw’ die Martinus Nijhoff in 1936 publiceerde. De tramrit door de nog stille stad doet de bestuurder denken aan de solitaire schaatstochten die hij vroeger maakte. En plots is daar een heel bijzondere, vreemde smeekbede.

III

Verwachtingen en haren eenmaal grijs
zijn niet als nevelen van ‘t hoofd te vagen,
mijmert de trambestuurder, bij de slagen
der ruitenwissers, mogelijkerwijs.

De eerste rit is altijd weer een reis.
Full speed. Hij ziet bij ‘t zingen van de wagen
oude, onvergetelijke winterdagen
als niemand voor hem uit was op het ijs.

De stad slaapt nog. Zo ver men zien kan zijn
rolluiken voor de winkels neergelaten.
De draad hangt drup’lend door de lege straat.

Verstoot de woonsteden, o God, en laat
de kalveren weer weiden in woestijn.
Twist met ons, twist met ons, twist niet met mate.

 

Martinus Nijhoff (1894 – 1953)

Uit: Verzamelde Gedichten, afdeling ‘Verspreide gedichten’, Bert Bakker, Den Haag, 4de dr. 1974
Oorsponkelijk in De Gids 1936, IV p. 19.

Het sonnet over de trambestuurder is het derde in de reeks van acht sonnetten ‘Voor dag en dauw’, die Martinus Nijhoff schreef in reactie op het boek In de schaduwen van morgen van de historicus Johan Huizinga. Nijhoff liet de reeks voorafgaan door een open brief aan Huizinga, in proza, waarin hij stelt dat hij de titel van diens boek aanvankelijk had geïnterpreteerd als het donker dat aan de dageraad voorafgaat, terwijl hij na lezing begreep dat het gaat om het duister van de toekomst. Hij heeft zich tot zijn acht sonnetten echter laten inspireren door de eerste betekenis. Het boek van Huizinga gaat over de maatschappelijke crisis van zijn tijd, die van veel diepere aard is dan alleen de economische malaise van de jaren dertig. Huizinga neemt een diepe crisis in de cultuur waar, ongeveer in de trant van Oswald Spenglers beroemde boek Der Untergang des Abendlandes. Nijhoff schrijft in de open brief dat inderdaad de oude zekerheden zijn ingestort, dat pessimisme een luxe is geworden en dat alleen de daad kan redden. ‘Maar welke daad? Niemand ziet helder. Wij leven in het donker van “voor dag en dauw”.’ In zijn gedichten heeft hij ‘acht menselijke omtrekken getracht te schetsen, zoals zij zich in de morgenschemering gedragen.’

Anders dan in de eerste twee sonnetten gaat het in het hier besproken derde gedicht niet om een toekomstdroom maar om een jeugdherinnering die een wenkend perspectief vormt. De eerste tramrit door de nog stille stad doet de bestuurder denken aan de solitaire schaatstochten die hij vroeger maakte.

In het eerste kwatrijn mijmert de bestuurder dat zowel zijn grijze haren als de verwachtingen die hij heeft, of ooit had, niet zomaar uitgewist kunnen worden, zoals de ruitenwissers de regendruppels van de voorruit wissen. Het laatste woord ‘mogelijkerwijs’ is dubbelzinnig: het kan zijn dat de verteller in twijfel trekt of wat hij zojuist vertelde wel echt zo is, of dit dus echt de inhoud van de mijmerij van de trambestuurder is. Het kan ook een soort kwalificatie zijn van die mijmerij: de trambestuurder mijmert bij wijze van mogelijkheid of hij zijn verwachtingen en zijn grijze haren achter zich zou kunnen laten. Het ‘mogelijkerwijs’ als laatste woord van de strofe sluit ook rechtstreeks aan op het eerste woord, ‘Verwachtingen’. De hele eerste strofe staat zo letterlijk in het kader van mogelijkheden. Tussen ‘verwachtingen’ en de grijs geworden haren lijkt een tegenstelling te bestaan. Verwachtingen zijn immers toekomstgericht, terwijl grijze haren staan voor de ouderdom en zo juist een teken zijn van een nauwelijks nog aanwezige, in elk geval slechts zeer beperkte toekomst. Maar het is goed mogelijk de achtergestelde bepaling ‘eenmaal grijs’ op zowel de haren als de verwachtingen te laten slaan. De verwachtingen zijn grijs geworden, verstoft, niet meer actueel.

Al legt het gedicht het verband niet expliciet, het is goed voorstelbaar dat de slagen van de ruitenwissers met hun regelmatige ritme, de herinnering oproepen aan de wintertocht op het ijs met de regelmatige slagen van de schaatsen, met hun min of meer overeenkomstige geluid. Er bestaat zowel overeenkomst als contrast tussen de heerlijke herinnering en de stille straten van de stad. De overeenkomst is de leegte, en het feit dat de bestuurder er als eerste is: niemand was voor hem uit op het ijs, een bepaling die locaal is, maar tegelijk een temporele betekenis heeft. Beide situaties delen ook een zekere avontuurlijkheid. De rijmklank verbindt het avontuurlijke van de eerst rit met dat van de schaatstocht (r. 5 reis en r. 8 ijs). De slagen van de ruitenwisser vinden hun parallel in de slagen van de schaatsen van vroeger. Het ‘Full speed’, dat in eerste instantie waarschijnlijk ingegeven is door de woorden in gietijzeren letters die bij de snelheidshendel van oude trams te lezen staan, kan ook op de schaatstocht betrokken worden.

Maar er bestaat ook een contrast tussen die positieve herinnering en de doodse straten in de druilerige stad, een contrast tussen het tweede kwatrijn en het eerste terzet, de klassieke plaats voor de wending in een sonnet. Ondanks dat contrast komt het laatste terzet toch als een verrassing: met woorden uit Jesaja wordt God gevraagd de woonsteden, ook de stad van de tramrit dus, te verstoten, zodat die tot woestenij zullen worden. Nijhoff speelt hier met Jesaja 27: 8-10, zonder die tekst rechtstreeks te citeren. Die tekst luidt, in de Statenvertaling, die immers de gangbare was in de tijd dat Nijhoff deze sonnetten schreef:

Met mate hebt Gij met hem (=Israël, BS) getwist, wanneer Gij hem wegstiet; (…) Want de vaste stad zal eenzaam, de woonstede zal verstooten en verlaten worden gelijk eene woestijn; daar zullen de kalveren weiden, en daar zullen zij nederliggen en zullen hare takken verslinden.

De context is dat Israël vergeleken wordt met een wijngaard, door God geplant en van onkruid ontdaan. Hij rekent af zowel met de afgodendienaars binnen Israël als met de vijanden van buiten. Nijhoff werkt de aankondiging van onheil om tot een bede, en verandert het met mate twisten tot een juist niet met mate twisten. Een belangrijke afwijking in het metrum doet zich voor in de laatste regel, die met twee dactylen begint. Die maken een gedragen indruk, waarmee het andere taalregister nog extra sterk naar voren wordt gehaald. Ook wordt zo het accent op ‘twist’ nog versterkt, in overeenstemming met de toevoeging ‘twist niet met mate’.

Degene die de bede doet, lijkt de trambestuurder te zijn, maar dat wordt niet door het gedicht dwingend opgelegd. De mogelijkheid blijft open dat het de verteller is van wie die Jesaja-tekst afkomstig is. Ook als we veronderstellen dat de bestuurder een afkeer van zijn werk en de regenachtige dag heeft, nu hij zich de genoegens van de schaatstocht uit zijn jeugd voor de geest haalt – en de positieve toonzetting van het tweede kwatrijn pleit daartegen, met de eerste rit als een reis, full speed, en het zingen van de wagen – zou het afsmeken van de verwoesting van de stad nog een onverwacht heftige reactie zijn. Hij lijkt ook in schril contrast te staan met Nijhoffs visie die hij in de lezing ‘Over eigen werk’ (Verzameld werk, deel 2*, Kritisch, verhalend en nagelaten proza. Amsterdam 1961, p. 1150-1174) uitsprak, dat het werkelijke leven zich afspeelt ‘in de kantoren, de fabrieken, de ziekenhuizen, de cafés, de stations, in alle plaatsen, waar massa’s mensen bijeen waren’, in de stad kortom. De bede hoeft echter niet uit louter negatieve gevoelens voort te komen: het twisten kan ook opgevat worden als iets dat leidt tot een noodzakelijke loutering. De woestijn is dan een beeld van het afrekenen met het oude (dat hij in de open brief noemt), van de loutering zonder welke geen nieuw begin mogelijk is. Deze betekenis van de woestijnmetafoor is in overeenstemming met de manier waarop die in de Bijbel functioneert.

Op een onopvallende manier neemt Nijhoff hier kritisch stelling tegenover Huizinga’s nogal elitaire visie: niet, of niet alleen, van een intellectuele bovenklasse is heil en een wending ten goede te verwachten, ook gewone kleine mensen kunnen in hun dagelijks werk meebouwen aan een nieuwe toekomst. Behalve de trambestuurder is de werkster in het zesde sonnet van de reeks daar een overtuigend voorbeeld van.

Poëzie is een dier, een kruising

 

Geplaatst in Klassiekers.