Ina Stabergh – Darwin en ik

On the Origin of Poetry

door Ivan Sacharov

Wie een bundel gedichten schrijft met de titel Darwin en ik, en die bundel dan ook nog uitgeeft in Darwins 200-ste geboortejaar, maakt het een lezer wel erg moeilijk om onbevangen te zijn.
Wat mag je als lezer verwachten van een poëziebundel? Namen suggereren soms een verband, maar zeggen toch niets over de kwaliteit van de poëzie de wordt voorgeschoteld. En een indeling in drie hoofdstukken van elk precies 21 gedichten, zoals de schrijfster in kwestie die hanteert, zegt meer over de mate waarin een dichterlijke geest streeft naar ordening, dan over het dichterlijk kunnen van die geest.
Ik lees wat op het internet over Ina Stabergh. IJverig wordt in een stukje over haar verteld dat ze op precies dezelfde datum is geboren als de grote geleerde. Wauw! Dat maakt de connecties al heel wat dieper. Natuurlijk moest het ervan komen dat ze als schrijfster iets over haar relatie met Darwin zou schrijven! Dat was praktisch voorbeschikt! Nu alleen nog hopen dat de dichteres door zo ‘dicht’ bij Darwin aan te schuiven niet een overdosis vooropgesteld sentiment in haar gedichten introduceert. Niets is immers dodelijker voor poëzie dan gevoelens die we van te voren geacht worden ‘te hebben’. Men hoeft slechts te denken aan een zwaar beladen woord in een willekeurige tekst. “Kunt u mij de weg naar Auschwitz vertellen meneer?”, slaagt er als eerste regel maar niet in om een vrolijk kinderliedje te worden.
Ach, Ina Stabergh zit er waarschijnlijk niet mee. Maar ik, als poëzielezer, zit liever niet op de rug van Darwin, anders zou ik zijn On the Origin of Species wel lezen. Wat blijft er te genieten over als we, Ina Stabergh lezend, van de schouder van de reus afklimmen en op de witte grond gaan staan? Ik citeer het zevende gedicht van het eerste hoofdstuk (‘Hoe Darwin zijn berg beklom’):

Wanneer we boven zijn
zien we alles heel klein,
we vergeten wat in werkelijkheid
nog kleiner is. Vanaf de bergtop
zie je hoe groot het geheel is
en hoe ruim de horizon.
Wie om zijn as draait
ziet de wereld als een cirkel,
wordt zelf het middelpunt.
Even
en dan duizelt,
suizelt hij naar beneden.

Op de rug van een ander vergeten we even hoe klein we zelf zijn, lijkt dit gedicht ons te willen vertellen. Heel toepasselijk. Mogelijk heeft de dichteres aan Darwin gedacht toen ze ‘berg’ schreef. En ja, Darwin kan heel goed als een berg in het (wetenschappelijke) landschap worden opgevat. In die zin vertelt dit gedicht ons dus iets over de relatie van Stabergh – en van onszelf – met Darwin.
Maar ook zonder Darwin blijft het een toppertje. Het beschrijft feitelijk op een gekke manier hoe gemakkelijk ons ego zich laat corrumperen; hoe ons zwaar geworden ik-gewicht ons uiteindelijk naar beneden trekt en het ons onmogelijk maakt om op zo’n hoogte te blijven genieten. En daarmee wordt het poëzie. Poëzie die ergens heengaat, wil ik erbij zeggen, want dat is misschien niet altijd het geval bij Stabergh, die soms een beetje doorschiet in haar landschappelijkheid:

Hoe eenzaam bergen en rivieren
wachten op een fluistering
van blaadjes aan een wilg
die naast het water hangt
te treuren. Hoe eenzaam
wacht de boom op een rimpeling
van het water waarin de bergen.

Bergen waarop mensen via om-
en achterwegen geklommen zijn
om nooit meer weg te gaan.

Bergen, woedend uit de aarde opgestaan
hulpeloos schouder aan schouder
met de rivier aan hun voeten.
Geluiden die elkaar versterken
zoals water de berg
nu eens hoger, dan weer breder
of onzichtbaar maakt.

Bergen die woedend en hulpeloos zijn? Mmmmm, in de natuur kun je verdwalen, zullen we maar zeggen. En helemaal makkelijk iemand die alleen is en zichzelf versterkt – lees: bevestigd – wil zien door de natuur als een spiegel te gebruiken, zoals Stabergh. Puur als gedicht lijkt me het volgende veel beter:

Hoe in een bos de wereld zit verborgen
tussen de bladeren, de twijgen en het licht.
God en de duivel. Roodkapje en de wolf
en al die wandelpaden onder een zon
die vaak onder de wolken duikt.

Hoe het licht wenkt en zich mysterieus
verplaatst. De wandelaar holt naar de verte
waar de takken raken aan de grond
maar als hij ze nadert reiken
zij ten hemel.

Ook hier functioneert de natuur als een spiegel, maar wel eentje waarin we veel dieper kunnen kijken. Dingen, vertelt ons dit gedicht, zijn niet altijd wat ze (van veraf) lijken. De wereld is goedbeschouwd zo diep als de hemel hoog is, want de takken die de wereld verbergen en de grond, ‘de aarde’ raken, reiken uiteindelijk tot in de hemel!
Goed kijken naar dingen kon Darwin natuurlijk als de beste, maar kunnen we dat zelf ook niet, zoals we ook zonder aan hem te denken dit gedicht kunnen waarderen? Ina Stabergh vermoedelijk wel, want zelfs zonder de hulp van Darwin blijkt ze poëzie te kunnen schrijven.

Geplaatst in Recensies.