LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Jacob Groot – Adoratie

5 jun 2026

Met een pikhouweel in een berg aan het hakken

door Jeroen van Wijk



Toen ik zag dat ik de bundel Adoratie van Jacob Groot mocht recenseren, raakte ik even in paniek. Een aantal jaar geleden heb ik zijn bundel Divina Noir gelezen. Ik kan mij herinneren dat het nogal ploeteren was om erdoorheen te komen en al helemaal om te begrijpen wat er nou precies gezegd werd. Gelukkig ben ik nu een stuk meer belezen dan toen, dus met frisse hoop en een scherpe blik begon ik aan de bundel.

dit extraordinaire zweven

Ingang. Van de machine. Een gonzende engel. Om me in te spinnen

Door me op te nemen wordt ze menselijker dan ikzelf. Om me te
kunnen vernietigen maakt ze me weer mens. Door me door te smeren

Uitgang. Draai me los. In een ommezwaai de hemel. Een geschenk van
de god. De zon. Ook een machine. Wiens coördinaten even
stralend preciseren. En dan de volle schrijn van de metro binnen

De vraag zeurt nu niet langer of we lang zullen leven. Want het
gedrang weet dat ik bang ben haast vanzelf te bezweren

En het onderscheid tussen de komende en de gaande tijd wordt in het
glijden van de trein in feite opgeheven

Goeie genade van cadans. Ze willen gewoon vervloeien, de tegendelen,
zodat we balanceren op hun grillen

O enkel dit extraordinaire zweven

En dat het niet genoeg mag zijn

Naar mijn idee zijn er twee uiterste manieren om poëzie te lezen. Je kunt proberen de betekenis van elke versregel, elk woord, elke eigenaardigheid en hun connectie met elkaar te achterhalen, oftewel close reading, of je kunt het gedicht lezen als een waterval en je brein op een andere, minder rationele, manier gebruiken. Bij het werk van Groot is het beter om deze tweede manier toe te passen, omdat zijn zinnen spatten van zorgvuldig opgebouwde klanken en ritme. Hoewel dit gedicht van Groot relatief duidelijk is, vergeleken met een groot (haha) deel van de bundel, laat de betekenis ervan zich niet zomaar vangen. Versregels als: ‘En het onderscheid tussen de komende en de gaande tijd wordt in het / glijden van de trein in feite opgeheven’ geven mij een mooi beeld waarin iets belangrijks gebeurt: in de trein vertroebelt de tijd. Toekomst en verleden smelten samen.

Het valt ook op dat Groot er soms voor kiest om een zin zonder punt af te sluiten. Misschien doet hij dit om verwachtingen op te wekken die vervolgens niet worden ingelost, waardoor de lezer blijft gissen en steeds op het verkeerde spoor wordt gebracht.

actie

De zaaier wierp me? Ja, maar zijn hand verwaaide

Zodat in mijn eigen armen ving hij me op en viel hij me neer

En had ik het rijk alleen, dan was ik een dier onder de planten om een
mens op te richten

Door een tuin te bouwen

Waarom ik zelf ook de bergen niet heb in de wijde omtrek komt
daardoor

Aan de grond keek ik namelijk naar boven, en meteen klom ik op naar
de werkplaats

Om de bomen te doorzien in hun tronen tot de wortels straalden hun
melkweg, zo leer je van ze

Dat het geheel zich immers niet bevat, zelf kan het dan niet meer zijn
dan een deel, alles op zich al

Op leefde ik meteen, gewurgd, hoger nog helderder, en het schiep in
een ruk

In mijn wangen blies ik tot de dageraad duurde de actie

Wat gebeurt er in dit gedicht? De ik wordt door de zaaier – mogelijk God – geworpen als zaad, maar de hand van God verwaaide, de mens en God zijn nu versmolten. Vervolgens maakt deze persoon zijn eigen paradijs, maar het bouwen van deze tuin sluit ook plekken (bergen) buiten. De ik kijkt naar boven, naar de werkplaats, de hemel, de plek waar een goddelijke entiteit goed kan observeren hoe alles met elkaar is verbonden, zoals de bomen met de melkweg. Observeren om te leren. De ik realiseert zich dat je het geheel niet in één blik kunt bevatten en dat alles daardoor slechts een deel is. Dit eureka moment inspireert de ik om iets te creëren tot de ochtend komt.

De bundel is opgedeeld in vijf hoofddelen, namelijk: ‘babyvet ongeboren’, ‘inspectie van de troepen’, ‘het geweten hebben’, ‘zo wil ik ook zijn’ en ‘fatum van weldaad’. De titel ‘Adoratie’ is toepasselijk voor de inhoud. In allerlei vormen nestelt de adoratie voor iets zich in de gedichten die zich manoeuvreren tussen creatie, oorlog, verwondering, liefde, reflectie, filosofie en de samensmelting van natuur en het goddelijke. Als dit klinkt als veel, dan is het antwoord: ja.

De gedichten gaan hard. Woorden en beelden razen door elkaar in een ritmische cadans en vervormde grammatica, waardoor ik niet (of alleen met grote moeite en laserfocus) weet wat ik aan het lezen ben. Soms werkt dit uitstekend en lees ik door. Op andere moment put het me uit. Poëzie hoeft niet altijd leuk te zijn, maar als ik continu moet gissen, analyseren en alsnog verdwaal, dan weet ik niet of dit opzettelijk is of dat de dichter salonmystiek bedrijft. Alsof hij een wereld bouwt in een taal die niemand spreekt en daar rondleidingen geeft om te imponeren. Hoewel complexiteit, dichtheid en abstractie een mystiek gevoel kunnen opwekken, schuilt daarin ook het risico van gekunsteldheid, het gevoel dat je als lezer de boot hebt gemist. Het is alsof ik tijdens het lezen van deze bundel in de wilde weg met een pikhouweel in een berg aan het hakken ben omdat ik af en toe tussen de scheuren van de rots een schittering zie. Toch weet ik niet zeker of dit om goud gaat of pyriet. Er staan namelijk veel delen in deze bundel die ik ontzettend mooi vind, zowel in beeld als taalgebruik. Neem bijvoorbeeld het ritme van het volgende fragment uit ‘op weg naar het werk’:

Want ik raas door de modder naar de akker van het werk, de wortel van
de klank, wegwijzer van het blad, gedroogd, dat de bloei stolt, beginsel
van de vrucht die de zon zoogt op de triller van de wind, een inktspat

middenin een kring van pokken

Of deze beelden die ik uit drie titelloze gedichten heb gevist: ‘Je hebt de plek gevonden die voldoet aan je definitie van een begin dat / een eind maakt aan zichzelf’ en ‘Een vuur brandde, aangestoken door de rook uit hun longen’ plus ‘Het bonzen van haar zolen in het drummen van haar voeten’. Mooi! Maar is het genoeg? Ik vind het te makkelijk om te zeggen dat deze bundel een ontoegankelijke wereld van de dichter is, alleen omdat ik niet alles begrijp. Duurder, neutraler en als een echte recensent gezegd hebbende: ‘Jacob Groot schrijft in een barokke, associatieve stijl.’ Ik vraag me alleen af of het anders zou kunnen. Abstractie heeft een zekere charme, absoluut, maar heldere taal hoeft daar niet voor onder te doen. Het is niet zo dat ik om uitleg smeek, maar misschien om een paar handvatten, een paar rustmomenten, een paar kleine steentjes in de rivier die uitsteken boven het stromende water, zodat ik niet in één keer naar de overkant hoef te springen (met de kans op verdrinken), maar ook op een andere manier meegenomen kan worden. Zou dat kunnen zonder dat de bundel verliest aan het ‘barokke’ dat zijn werk zo uniek maakt?

Mijn schrijversvakschooldocent Mischa Andriessen zei laatst dat je beter volledig ergens voor kan kiezen of helemaal niet, maar dat je nooit half/half moet doen. In dat geval doet Jacob Groot het goed. Misschien is de zwaarte, de ontoegankelijkheid van Groot nu eenmaal verbonden met de ritmische, grootse en intrigerende stijl die hij heeft. Ik ben benieuwd naar zijn volgende bundel, en of mijn blik over de jaren genoeg zal veranderen om meer waardering voor zijn werk te krijgen. Of niet. Voor nu leg ik de bundel terug in de kast en ga ik iets lichters lezen.
____

Jacob Groot (2026). Adoratie. Uitgeverij De Harmonie, 96 blz. € 24,50. ISBN 9789463362535

     Andere berichten

Emilie Dewitte – De Stolling

Emilie Dewitte – De Stolling

Hard en droog en breekbaar door Jaap Bos - - Iets dat zacht was en kneedbaar, en dat langzaam hard werd en uitdroogde, tot er een korst...

Toon Tellegen – Op mijn tenen

Toon Tellegen – Op mijn tenen

Ik voel het niet door Sander Ausems - - Op mijn tenen is de nieuwste bundel van Toon Tellegen. Eén van velen. Met talloze prijzen...