Gedichten

Twee meisjes zo zacht

Op een bank zit mijn schaduw en zijn rug
Gekromd in de zonneslag van een droom, ik kijk
Naar de schaduwjurkjes van de wind en leg mij
Languit in het geritsel van twee meisjes
Die schommelen in mijn losgewaaid verdriet.

Hun gezichtjes laaien op, zingend groeien ze
Het gebladerte van mijn ogen vol en blozen
De traag uitgezaaide dagen van mijn geheugen groen
Tevoorschijn. Ze gieten mijn eetbare nerven
Van oude liefde vol.

Twee meisjes zo zacht van aarde, zo lenig
In mijn vuurschors gekropen dat ik bijna barst
Van hun onderzeese honing en mijn huid
Terstond het licht, de dubbele plantengroei
Van hun adem aanneemt.

Naoogst

Ik ben een veld met kloven, met nagelsporen
Van al wie mij bewerkt heeft en achteloos
Het zwellend onkruid met de spinnenwebben
Uit mijn hoofd trok.

Boven mij rusten de anderen, de avonden
Die zich met afgetrapte schoenen in mijn ziel
Planten en modder doen opspatten uit de voren
Van mijn melancholie.

In mijn aren hangt hun tijd te drogen,
Op kousenvoeten te vergaan van geduld,
Want mijn lijf van graan en gras is oud
En verschraald van zovele jaren
Grazen op mijn blakende naam.

De derde eenzaamheid

De dichter is een kant, een donkere
Helft van de mensheid waar het schijndood
En zondagse vernieling regent, waar de wolken smelten
Tussen de uitgelezen tanden van zijn weemoed.

Een schaduwland is hij, een knokig kroondomein
Van raadsels en te lang bewaarde mythes
Over witte zonnen die niemand meer bezoekt
En in wier stralen hij groeiend dakloos is.

Hij is als vanouds die kant, dat land
Van schuimende sterrenbeelden en echo’s te groot
Voor het vergeelde gras en de trouwe grafzerken
Van zijn keel. Hij dobbert rond in wanklank
Stoffig van alle seizoenen en eindigt megalomaan
Onbewoond.

Geplaatst in Gedichten.