Klassieker 132: Floor Buschenhenke – Magnetic resonance imaging scanner

door Wilma van den Akker

Meander Klassieker 132

Wilma van den Akker is danig onder de indruk van ‘Magnetic resonance imaging scanner’ van Floor Buschenhenke: Zelden krijg ik gedichten onder ogen die zo knap zijn opgebouwd en zoveel hoofd- en zijingangen bieden.

Magnetic resonance imaging scanner

2.
En dan ziet u hier heel mooi
dat dit gebied rood wordt, donkerrood,
de neuronen vuren hier als gekken
er gebeurt van alles, en het bijzondere is
dat niet alleen dit gebied actief is!
Ook linksboven kleurt het nu
toch wel heel intens oranje!
Als een bosbrand slaat de opwinding
in het brein om zich heen, we zien
de herten wegrennen, we horen de
schrille wanhoop van de vogels, het
knetteren van dierenhuid.

1.
Stil lig je in de witte buis
een tunnel van sneeuw waar je
geen engel in kunt maken
je bent heel kalm
totdat de zwarte letters komen

geef aan welk woord er niet
sterft smeekt stijgt stevent
welke is niet
stout stevig stoer slim
volgende opgave
rechts staat tot links als boven staat
tot diepte, 2+2=5, probeer zo snel mogelijk
druk op de

0.
Naar het instituut.
U neemt de tweede afslag links en loopt over de parkeerplaats.
De hoofdingang is aan uw rechterkant.

Floor Buschenhenke (1978)

Uit: Eiland op sterk water , Atlas, Amsterdam 2009

De bundel Eiland op sterk water van Floor Buschenhenke kwam pas een half jaar geleden uit, en toch is het gedicht ‘Magnetic resonance imaging scanner’ nu al een klassieker. Buschenhenke won er in 2006 de VU Podium Poëzieprijs mee, de prijs voor de enige wedstrijd die wetenschap en poëzie met elkaar in verband brengt. Geen wonder dat Buschenhenke deelnam én won, want deze dichteres doet niets liever dan zich met grote originaliteit in dit gebied bewegen. Zo verbindt zij bijvoorbeeld in het gedicht ‘Hemelkaart’ de moedervlekken op het lijf van een geliefd persoon met het verschijnsel dat wie naar de sterrenhemel kijkt, in feite een blik werpt op een ver verleden. In de vraag ‘wanneer zal ik je zien zoals je vandaag was?’, komen dan drie verschillende tijdlagen samen.

Eiland op sterk water bevat in de afdeling ‘Ik wieg je met 500 meter per seconde’ een aantal gedichten over meetinstrumenten, zoals een personenweegschaal, een barometer en het Global Positioning System. Ook het gedicht over de MRI-scanner staat in deze sectie.
Bij de bespreking ervan zal ik proberen alle betekenislagen mee te nemen. Met nadruk zeg ik proberen, omdat het een zeer gelaagd gedicht is en er altijd weer een betekenis of wending opduikt, die bij eerdere lezing niet opviel. Dat is meteen de kracht van het werk van deze dichteres. Het is geen poëzie die je na een keer lezen weglegt met de gedachte: ‘zo dat was het. Ik snap het helemaal.’ Integendeel. Buschenhenke is iemand met een vergaande nieuwsgierigheid, die achter elke geopende deur nieuwe deuren vindt, en daarna nog steeds vragen stelt. In haar gedichten neemt ze haar lezers mee op ontdekkingsreis.

LIFT
Het gedicht bestaat uit vier strofen, verdeeld over drie genummerde onderdelen. Het leest als een lift. De drie onderdelen tellen terug, van 2 naar 0, alsof je al lezend afdaalt van de tweede verdieping naar de begane grond. Of ga je juist omhoog, van een ondergrondse laag naar de oppervlakte? Daar begint het uitwaaieren van de mogelijkheden al.

De eerste strofe, met het nummer 2, beschrijft een beeld dat gemaakt is met behulp van de MRI- scanner, een plaatje van de hersenen. Actieve gebieden in de hersenen zijn op het plaatje rood, of fel oranje. Dit wordt beschreven door iemand die uitlegt wat er te zien is, als een reisgids: ‘En dan ziet u hier heel mooi …’ Dat ‘heel mooi’ geeft de verwondering weer, de wetenschappelijke opwinding over wat je met een meetinstrument zichtbaar kan maken. De vraag is wel, of het voor de persoon wiens hersenen gescand worden, ‘mooi’ is, dat er activiteit meetbaar is in het betreffende hersengebied. Hier is zelfs sprake van activiteiten in meer dan een hersengebied. De persoon die dit beschrijft zal wel een medicus zijn, of een wetenschapper.

BOSBRAND
Er is bij de onderzochte dus activiteit in verschillende gebieden van de hersenen. Het donkerrood en fel oranje slaan als een bosbrand om zich heen. Opwinding, paniek? Mooi, een goed teken? Of juist alarmerend? De rode haan kraait, werd vroeger gezegd bij een bosbrand. Hier suggereert Buschenhenke dus geraffineerd een panieksituatie, maar laat zij het aan de lezer over of dat echt aan de orde is. De beelden zijn in ieder geval wel alarmerend: dieren die voor een bosbrand vluchten, de schrille wanhoop (het krijsen) van vogels, de stank van verbrande dierenvachten. Grote angst en paniek! Krijgt de onderzochte persoon slecht nieuws? Of moet hij in het kader van het onderzoek naar verontrustende beelden kijken, waardoor de activiteit in bepaalde delen van de hersenen toeneemt? Slaan hem de schrik en paniek om het hart? Of is hier slechts sprake van een simpele associatie met de beelden op het scherm? Al deze mogelijkheden blijven open.

We komen aan op verdieping – of laag – nummer 1. Dit deel van het gedicht bestaat uit twee strofen. In de eerste wordt het liggen in de MRI-scanner beschreven. Bewegen mag niet, en kan ook nauwelijks. Er is geen ruimte om je armen te spreiden, zoals bij het maken van sneeuwengelen. Dat is een kinderspel: in de sneeuw gaan liggen en je armen op en neer bewegen. Als je daarna opstaat, ziet de afdruk in de sneeuw eruit als een engel, een mensfiguur met vleugels. Die beweging kun je dus niet maken in de buis van een MRI-scanner. Het is geen spel, maar bloedserieus. Bewegingloos lig je daar met je armen langs je lichaam. Door bewegingen zou de scan mislukken. Ook van binnen ben je onbewogen, kalm, tot aan de witregel.

OPDRACHTEN
Dan komen er zwarte letters. Na de witregel natuurlijk, maar ook bij het hersenonderzoek. Vaak worden aan de proefpersoon cognitieve taken gegeven, denkopdrachten, waarbij dan geregistreerd wordt welke delen van de hersenen actief zijn tijdens het uitvoeren ervan. Het kunnen taalopdrachten zijn, logica of rekensommen, maar ook opdrachten die een meer emotionele lading hebben. In dit geval gaat het om zwarte letters op papier, of op een beeldscherm. Door op een knop te drukken moet de onderzochte aangeven welk woord niet in het rijtje ‘sterft, smeekt, stijgt, stevent’ past. Hier wordt meteen het vormaspect alliteratie in het gedicht gebracht. Het woord ‘smeekt’ wijkt af van de andere woorden in het rijtje. Maar het is niet te missen dat de woorden ‘sterft’ en ‘smeekt’ ook een emotionele lading hebben. Heeft de onderzochte een bedreigende tumor of een andere hersenziekte waaraan hij zal sterven? Smeekt hij om genezing? Geraffineerd, Buschenhenke, zeer geraffineerd! Het volgende rijtje woorden begint ook met ‘st-‘. In dit geval zijn het bijvoeglijke naamwoorden: ‘stout, stevig, stoer’, met ‘slim’ als vreemde eend in de bijt. Allemaal woorden die doen denken aan moed en vindingrijkheid. Welke hersengebieden zouden bij deze taak oplichten? Wordt hier ook nog eens verwezen naar de moed om door te gaan, naar overlevingskracht en levenslust? Het zou zo maar kunnen, zeker in het geval van een gevaarlijke ziekte.

Er volgen nog een logische opdracht en een (foute) rekensom. En de aansporing om zo snel mogelijk te reageren. Knopjes indrukken is de manier om antwoorden te kiezen. En om de lift naar een andere verdieping te sturen. Druk op de 0. De aansporing ‘probeer zo snel mogelijk’ kan ook slaan op terugtellen van een hoog getal naar een lager, bijvoorbeeld van 183 naar beneden, met 7 tegelijk. Een cognitieve taak die concentratie vraagt. In het gedicht wordt teruggeteld van 2 naar 0. En de overgang naar de volgende strofe is ook te lezen als: ‘ Druk op de 0’.

HOOFDINGANG
We zijn aangekomen bij de laatste strofe, de ‘nulde’ verdieping, ofwel de begane grond. Een droge beschrijving van de route naar het onderzoeksinstituut, of ziekenhuis. ‘Tweede afslag links’, ‘parkeerplaats’, ‘hoofdingang’ en ‘rechterkant’. Maar ook achter deze droge woorden – het zou zelfs een readymade kunnen zijn, de routebeschrijving uit de folder van het instituut voor hersenonderzoek – vermoed ik andere betekenissen. ‘Links’ en ‘rechterkant’ moeten wel verwijzen naar de beide hersenhelften, die allebei functioneel hun eigen specialismen hebben. In de linkerhersenhelft wordt bij de meeste mensen bijvoorbeeld een aantal taalfuncties aangestuurd, zoals spraak. Motorische functies, zoals iets vastpakken of aanwijzen worden doorgaans vanuit de rechterhersenhelft aangestuurd. Dergelijke activiteiten zijn prachtig zichtbaar te maken met behulp van een MRI-scanner.

Nog sterker is het gebruik van het woord hoofdingang: niet alleen de ingang tot het instituut voor hersenonderzoek, maar ook de ‘ingang’ tot een hoofd. Met de scannner wordt immers in het hoofd van een mens gekeken, zonder dat er in gesneden of geboord hoeft te worden. Een machtig instrument!

Inmiddels is het duidelijk dat het hele gedicht een achterstevoren afgespeelde film is. Vooruitgedraaid zie je iemand aankomen bij het instituut, routebeschrijving in de hand, waarna die persoon zich meldt voor een MRI-scan en in de witte tunnel plaatsneemt. Daar blijft hij doodstil liggen, krijgt een paar taken, die hij uitvoert terwijl er een of meer plaatjes van zijn hersenen worden gemaakt. Uiteindelijk legt de onderzoeker hem uit, wat er allemaal op dat plaatje te zien is. Of dat gunstig of ongunstig is, blijft in het midden, maar aan de hand van de vergelijking met een bosbrand wordt wel een panieksituatie gesuggereerd.

Zelden krijg ik gedichten onder ogen die zo knap zijn opgebouwd en zoveel hoofd- en zijingangen bieden. En wie weet, wat voor subtiele verwijzingen ik nog gemist heb. Misschien kunnen de lezers er meer ontdekken?

*****

Het thema van de VU Poëzieprijs 2006 was Hart & Ziel. Het gedicht van Floor Buschenhenke werd gekozen uit circa 900 gedichten, ingestuurd door ongeveer 300 dichters. De beste inzendingen werden gebundeld in de bloemlezing Tegen beter weten 7. Zie verder Atlas en Meander.
Klik hier voor een afbeelding van een MRI-scanner, en hier voor een animatie van een MRI-scan.

Op de bespreking kwam een reactie van Atze van Wieren.
Het viel hem op dat Buschenhenke het gedicht waarmee ze in 2006 de eerste prijs van de VU-Podium Poëzieprijs won, op een aantal plaatsen gewijzigd blijkt te hebben. In de eerste strofe stond oorspronkelijk Ook linksboven verkleurt het zich/ naar een toch wel heel intens oranje! en dat is nu in de bundel Ook linksboven kleurt het nu/ toch wel heel intens oranje! Een hele verbetering, aldus Van Wieren, want ‘een gebied’ dat zich verkleurt is volgens hem niet fraai geformuleerd.Veel ingrijpender noemt hij het ontbreken van de oorspronkelijke éénregelige slotstrofe, die in de VU-versie luidt: hoofdingang, dat vond je mooi gevonden. ‘Waarom heeft Floor Buschenhenke die regel geschrapt? Toegegeven, hij is niet fraai met dat vond/gevonden, maar ik vind hem wel essentieel. Het is namelijk de enige regel die in het gedicht in de verleden tijd staat. En dat geeft nu juist het wrange aan het gedicht. En dan ook zou je het aftellen van 2, 1, 0, kunnen interpreteren als een aftellen naar de dood.Zonder die oorspronkelijke slotzin vind ik het gedicht minder sterk en zelfs onbevredigend eindigen. Is het voor mij niet meer dan een zakelijke beschrijving van een MRI-onderzoek. In prozataal. Graag zou ik horen wat de reden is geweest tot het schrappen van de oorspronkelijke slotzin.’

Hij voegt daar nog aan toe: ‘Een ander punt van kritiek heb ik op de eerste strofe. De eerste zeven regels zijn commentaar van een of andere assistent die toelichting geeft. Dan vindt er ineens een perspectiefwisseling plaats: Als een bosbrand, enz. Dat wordt niet meer door een assistent gezegd, maar vindt plaats in het hoofd van de beschouwer. Ik had een witregel hier op zijn plaats geacht.’

***

Floor Buschenhenke was zo vriendelijk persoonlijk te reageren.
Over Van Wierens laatste punt van kritiek schrijft zij: ‘Hier moest ik om gniffelen. De hele eerste strofe is namelijk (bedoeld als) een lezing van een onderzoeker. Dat ‘we’ slaat op de spreker en zijn publiek. De spreker laat zich meeslepen door de beelden en gebruikt daarom het wat lyrische ‘we’. Dat een lezer ‘in het hoofd van de beschouwer’ denkt te kijken bij een gedicht dat gaat over het kijken in hoofden, over de kenbaarheid van het brein, da’s mooi.’

En over de geschrapte slotregel: ‘Ik vond de slotregel in eerste instantie wel bijdehand. Maar later stoorde ik me er enorm aan, juist omdat hij in de verleden tijd staat en dus op enige afstand van de rest staat. Als een soort conclusie, een punt buiten de rest van de tekst. De ‘je’ in ‘vond je mooi gevonden’ zou de proefpersoon of de onderzoeker kunnen zijn. En die gunde ik allebei niet het laatste woord. Nu is het onderzoeker/proefpersoon/semi-objectieve stem. En na de derde strofe kun je nu weer opnieuw beginnen, het is een cyclus. Ik wilde meerduidigheid en een ‘open’ tekst, niet dichtgetimmerd door een conclusie. Interessant dat leesbehoeften zo uiteen kunnen lopen. Een interpretatie als ‘aftellen naar de dood’ is voor mij absoluut niet wenselijk in dit gedicht. En het ‘wrange’ zit voor mij in het verschil tussen de blik van de onderzoeker (de schoonheid van een bosbrand) en die van de proefpersoon (beklemmend en opgejut).’

***

Joop Leibbrand voegt hier graag aan toe:
‘De ‘je’ in ‘vond je mooi gevonden’ zou de proefpersoon of de onderzoeker kunnen zijn’, zegt Buschenhenke. Het is ook mogelijk in die ‘je’ de dichter zelf te zien, die, het eigen werk beschouwend, dan dus even met grote tevredenheid op de spitsvondigheid terugkijkt. Maar die zich later realiseert, dat het toch eigenlijk niet veel meer is dan een woordspeling en de regel dan ook terecht schrapt.

 

Geplaatst in Klassiekers.