Klassieker 133: Hendrik de Vries – Mijn broer

door Wim Kleisen

Meander Klassieker 113

Wim Kleisen bespreekt ‘Mijn broer ‘ van Hendrik de Vries uit de bundel ‘De nacht’ (1920). Een sfeer van beklemming en angst beheerst vanaf het eerste vers het hele gedicht.

Mijn broer

Mijn broer, gij leedt
Een einde, waar geen mensch van weet.
Vaak ligt gij naast mij, en ik
Begrijp het slecht, en tast en schrik.

De weg met iepen liept gij langs.
De vogels riepen laat. Iets bangs
Vervolgde ons beiden. Toch woudt gij
Alleen gaan door de woestenij.

Wij sliepen deze nacht weer saam.
Uw hart sloeg naast mij. ‘k Sprak uw naam
En vroeg, waarheen gij gingt.
Het antwoord was:
“… Te vreeselijk om zich in te verdiepen,
“Zie ’t gras
“Ligt weder dicht met iepen
“Omkringd.”

Hendrik de Vries (1896-1989)

Uit: De nacht , C.M.B. Dixon, Apeldoorn 1920

EERSTE VERKENNING
Dit gedicht begint als een sonnet, jambe en twee kwatrijnen. Maar dan krijgt het een eigen karakter. Weliswaar vormen de rijmklanken in het sextet een regelmatig beeld: a-a-b-c-d-c-d-b – hoewel dit er nu niet direct als het rijmschema van een sonnet uitziet, maar de verzen van het tweede terzet zijn gefragmenteerd, waardoor er enjambementen zijn ontstaan. De sonnetvorm gaat hierdoor, voor wat het aantal verzen betreft, verloren, voorzover die tenminste intact was, want de lengte van de verzen in de eerste strofen varieert. Merkwaardig is ook dat het rijmschema alle mogelijke combinaties vertoont: gepaard (a-a), gekruist (c-d-c-d) en omarmend (b- … – b).

De taal is niet die van onze tijd. Logisch natuurlijk, want Hendrik de Vries, zoon van de in zijn tijd bekende taalkundige Wobbe de Vries, is literair opgevoed met dichters als Bilderdijk en met de Tachtigers.

HET GEDICHT GELEZEN
We zien onmiddellijk dat de broer van de ik-figuur wordt aangesproken, opvallend genoeg niet bij zijn naam, maar met het wat archaïserende mijn broer”. Via een enjambement gaan we naar het tweede vers, “gij leedt” is heel intrigerend en dit wordt versterkt door het mysterieuze einde van de broer.

Je kijkt even vreemd op als lezer bij het derde vers. Om twee redenen: de broer ligt naast de ik-figuur en hij, van wie net verteld is, dat hij op mysterieuze wijze aan zijn eind is gekomen, ligt nu weer naast de ik-figuur. In de negentiende eeuw was de gemiddelde grootte van de huizen nog niet als die in onze tijd en de gemiddelde gezinsgrootte was dit nu juist wel. Het kwam daardoor vaak voor dat kinderen uit één gezin op één kamer en vaak ook in één bed werden ondergebracht. De tweede vraag die oprijst, is: waardoor is die broer ineens weer aanwezig? In het derde vers gaat de dichter van de verleden tijd over naar de tegenwoordige tijd. Hij waant zijn broer naast zich, want als hij naar hem tast, schrikt hij. Het kan niet anders of de ik-figuur heeft gedroomd en de broer ligt er niet, als hij wakker schrikt.

Dan gaan we weer naar de tijdlaag in het verleden. De broer liep door een iepenlaan, het is al laat, maar de vogels laten zich nog horen. Het “roepen” klinkt onheilspellend, later zou A. Roland Holst dit werkwoord ook gebruiken, als hij het al niet over het “aangaan” van de zee had. Dat late roepen wordt bewaarheid, doordat een ondefinieerbaar wezen, een “entiteit” hoor je vaak in bepaalde kringen, hen volgt. “Toch woudt gij alleen gaan…”. Het eerste woord drukt iets als een tegenstelling uit. Begrijpelijk, want gedeelde angst is óók halve angst, maar de broer wil desondanks alleen verder. Het woord “woestenij” zet het onheilspellende van dit gebeuren nog eens extra aan.
Weer gaan we terug naar het heden, althans het zeer nabije verleden. De ik-figuur sliep weer samen met zijn broer. Dat kan niet anders dan in de droom gebeuren, gezien alweer het einde van die broer. Als je iemands hart voelt kloppen, is hij zeer nabij.

Maar nu schrikt de ik-figuur niet wakker, maar hij vraagt iets aan zijn broer, een vraag die al die jaren voor hem onbeantwoord is gebleven: waar ging je heen? Er komt ook een antwoord – opvallend is het nu verouderde begin van elk vers met aanhalingstekens als aanwijzing dat de geciteerde nog steeds aan het woord is -, maar dit is even duister als het gebeuren zelf, althans op het eerste gezicht.

DUIDING
Bij Hendrik de Vries vallen termen als “expressionisme” en “irrationaliteit”. Ik wil daar niet verder op ingaan, omdat ik meer geïnteresseerd ben in de betekenis van het gedicht zelf, maar na lezing van wat ik hier aanduid, zal blijken dat die termen toch niet zonder grond zijn gebruikt.

De sfeer van beklemming en angst beheerst vanaf het eerste vers het hele gedicht. Het suggereren van een vreselijke gebeurtenis ligt daaraan ten grondslag. In de tweede strofe wordt die gebeurtenis weliswaar beschreven, maar zodanig dat het raadsel blijft.

Waarom een weg met iepen en geen beuken of eiken? Het hout van deze bomen werd bij uitstek gebruikt voor doodkisten. Dat geeft deze boom al iets lugubers. Maar veel meer spreekt het tot onze verbeelding dat in Keltische tijden de iep geassocieerd werd met elfen – meestal kwaadaardige wezens en niet liefelijk, zoals bij Rie Cramers – en de dood. Ook was er een associatie met wijsheid, die toen weer verbonden was met magie. Ook had de boom een geneeskrachtige waarde, iepenbladeren werden gekneusd en met iepenblad rondom een wond gebonden. Dit zou genezing hebben bespoedigd. Kortom: de iep wordt met magie in verband gebracht. In dit geval moeten we inderdaad ook met iets kwaadaardigs rekening houden. Naar welk doel leidt de weg met iepen? Welk wezen vervolgt hen beiden? Waarom wil de broer alleen verder? Wil hij zijn broertje behoeden voor het kwaad dat hem wacht? Het zijn allemaal vragen die door het suggestieve schrijven in dit gedicht worden opgeroepen. De broer gaat alleen verder door de woestenij. Ik kan er niets aan doen, maar dit roept in mij nu het landschap van Marten Toonder op, wanneer hij een bedreiging voor Ollie B. Bommel tekent. Het landschap is topisch, het is de plaats waar de verschrikking heerst.

Die vragen vat de ik-figuur in één vraag samen: waar ging je heen? Het eerste antwoord is eigenlijk een afrader: je moet je in deze dingen niet verdiepen, daarvoor is het te gruwelijk. Het vervolg op dit antwoord staat in de tegenwoordige tijd: wat gebeurd is, kan nu weer gebeuren. Het gras ligt met iepen omkringd. In de oude overlevering is de heksenkring een bekend gegeven. Dit was een magische cirkel met een gruwelijke uitwerking voor diegene die zich erbinnen waagde. De voorwerpen die zich in de kring bevonden, kregen een karakter, zij drukten de verschrikking uit die van de magiër in het midden van de kring uitging. Personen die zich in deze kring waagden, verloren hun karakter, hun eigen persoonlijkheid en werden willoze werktuigen van de magiër. Ik lees hierin door het gebruik van de tegenwoordige tijd dat dit met de broer is gebeurd, maar dat dit elk moment ook weer kan gebeuren. Daarmee wordt de verschrikking heel actueel gemaakt.

TOT SLOT
Is het een wonder dat deze vermenging van afzichtelijkheid in droom en werkelijkheid samen surrealistisch wordt genoemd? Je kunt hiertegen aanvoeren dat het surrealisme meer in het interbellum past en nog meer na 1945, dat het eigenlijk een stroming in de schilderkunst is, zij het dat Breton dit in de literatuur als methode wilde gebruiken. De datering van de bundel, 1920, is dan toch weer niet zo heel veel vroeger dan de eerste surrealistische verschijnselen.

Maar dat is slechts een kanttekening. Voor mij is veel belangrijker wat dit gedicht in mij oproept bij het lezen, de angst en beklemming die we als kind soms ervoeren, niet alleen in onze dromen.

***

In Hendrik de Vries – Een raadsel in de nacht , een keus uit zijn gedichten samengesteld en ingeleid door Jan van der Vegt, Meulenhoff | Manteau, Amsterdam – Antwerpen 2006, staat een gemoderniseerde versie van het gedicht met aangepaste interpunctie en strofe-indeling:

Mijn broer

Mijn broer, gij leedt
Een einde, waar geen mens van weet.
Vaak ligt gij naast mij, vaag, en ik
Begrijp het slecht, en tast en schrik.

De weg met iepen liept gij langs.
De vogels riepen laat. Iets bangs
Vervolgde ons beiden. Toch woudt gij
Alleen gaan door de woestenij.

Wij sliepen deze nacht weer saam.
Uw hart sloeg naast mij. ‘k Sprak uw naam
En vroeg, waarheen gij gingt.
Het antwoord was:

‘Te vreselijk om zich in te verdiepen,
Zie: ’t gras
Ligt weder dicht met iepen
Omkringd.’

 

Geplaatst in Klassiekers.