Klassieker 134: P.N. van Eyck – Brent Bridge

door Karin Doornik

Meander Klassieker 134

Karin Doornik bespreekt ‘Brent Bridge’ van P.N. van Eyck, oorspronkelijk verschenen in de bundel Herwaarts (1939) – waarschijnlijk geschreven in de periode tussen 1920 en 1935 toen de dichter in Londen werkte als correspondent voor de NRC.

Brent Bridge

Een vreemd man, in een vreemd land.
En vaak is er niets dan dit:
Water en loof en het wit
Van zwanen, dicht bij de rand
Gras voor de bank waar hij zit,
En straks aan de overkant.

Een man die even leest,
Het stil begin van een lied,
Dan opkijkt en om zich ziet.
En iets in hem denkt, bedeesd:
Hoe vreemd, nog ken ik het niet,
En toch is het altijd geweest.

Vreemd, in dit vreemde land,
Alleen, met niets dan dit:
Water en loof en het wit
Van een zwaan die talmt bij de kant,
Dicht langs de bank waar ik zit,
wat avondzon op mijn hand.

 

P.N. van Eyck (1887-1954)

Uit: Herwaarts, Gedichten 1920-1945 , 2e uitgebreide druk, Nijgh & Van Ditmar, ‘s- Gravenhage 1949.
De 1e druk verscheen in 1939.

VORM EN PERSPECTIEF
Na een paar keer lezen vallen meteen verschillende vormaspecten van dit gedicht op.

Ten eerste de vormvastheid van drie strofen van elk zes regels, waarbij dit strakke stramien wordt versterkt door de herhaling van de regels van de eerste strofe in de derde: 1 herhaalt zich in r. 13, 2 in r. 14 en zo verder, met kleine of iets grotere nuanceverschillen.

Ten tweede vindt er een verschuiving van het perspectief plaats. In de eerste strofe zien we een alwetende verteller die als het ware van bovenaf naar de man op de bank kijkt. We zien wat de man ook om zich heen ziet, maar we kijken niet in zijn hoofd, weten nog niets van zijn gedachten. De man zit er ‘vaak’ (r. 2), het is aan het water en het is er groen. Er gebeurt niet veel terwijl hij daar zit. Dan lijkt het perspectief in r. 6 al iets te verschuiven. Er wordt in ieder geval iets van toekomstig handelen verteld: ‘straks aan de overkant’. Denkt de man dat, of gaat hij straks daadwerkelijk naar de overkant van die rivier? Er wordt geen rivier genoemd, maar het heeft er alle schijn van dat met deze plek de Brent wordt bedoeld, een zijrivier van de Theems die loopt van noordoost naar zuidwest in Groot-Londen. Dit is heel aannemelijk, omdat Van Eyck o.a. correspondent van de NRC is geweest in Londen.

Regel 5 en 6 lijken me een toespeling op de uitdrukking: ‘elders is het gras groener’.

In de tweede strofe wordt een hij-perspectief gebruikt. De man leest, een stil begin van een lied, misschien is het een gedicht? Hij onderneemt weinig, ondergaat de vreemde omgeving en probeert zich deze eigen te maken door stil op (telkens) dezelfde plek aan de rivier te zitten. In regel 10 weten we wat hij denkt; het woord ‘bedeesd’ versterkt nog eens de passieve houding: er lijkt weinig ondernemingslust te zijn.

Dan verschuift het perspectief nogmaals in de derde strofe, namelijk naar het ik-perspectief. Hier wordt prachtig één moment gevangen: hij zit daar, in de avondzon, alleen in een vreemd land. Er is niets dan hijzelf op die plek en op dat moment. We lezen niets over verdere gedachten, referenties of associaties. Dit lijkt op dagelijks mediteren, versterkt door de herhaling van de inhoud: de derde strofe is een spiegeling van de eerste. Het rijmschema benadrukt ook het lege, lome moment van zitten op de bank en kijken naar het water: abbaba / cddcdc / abbaba.

SYMBOLIEK
Na bovenstaande beschrijving van inhoud en vorm, valt er ook zeker nog een en ander te zeggen over de symboliek in dit gedicht.

Een vreemd man, in een vreemd land (r.1). Dat vreemde land als Engeland op te vatten, ligt voor de hand, maar we mogen niet over ‘een vreemd man’ heen lezen. Het kan duiden op het geïsoleerde bestaan dat Van Eyck heeft geleid, al vanaf zijn vroege jeugd. In feite heeft hij zijn leven gewijd aan de literatuur en misschien legt hij in dit gedicht een verklaring af aan zijn zoon Aldo aan wie dit gedicht is opgedragen. Hij laat dan hier zowel zijn eenzaamheid als de betekenis van zijn dichterschap zien. In dit licht bezien, kan met dit ‘vreemde land’ ook dit leven bedoeld worden.

R. 5 en 6 lijken mij een toespeling op de uitdrukking ‘elders is het gras groener’. Er lijkt een verlangen uit te spreken later (straks) ook de ‘overkant’ te onderzoeken. Met deze overkant kunnen meerdere dingen bedoeld worden. In dit leven wellicht letterlijk de overkant van de rivier, misschien wordt ook wel Ierland bedoeld. Van Eyck interesseerde zich voor de Ierse kwestie. Maar als wij het gedicht plaatsen in het Symbolisme, dan moeten we toch denken aan het leven aan ‘gene zijde’, dus aan de dood. Daar sluit de symboliek van de zwaan (r. 4 en r. 16) bij aan. Een zwanenzang is het laatste gedicht dat een dichter schrijft voor hij sterft. Zo ver is het nog niet: ‘een man die even leest, het stil begin van een lied’ (r. 7 en 8). De zwaan talmt, het is nog niet zover dat de ziel van de dichter in hem overgaat, hij zingt nog geen lied, het is immers een stil begin.

De regels 10, 11 en 12 duiden ook op de persoonlijke problematiek van de dichter: de spanning tussen verbeelding en zintuiglijke waarneembaarheid. Hij zit er bij het water en ziet alles om zich heen, en nog kent hij het niet. Dit is ook kenmerkend voor de overgang van het Impressionisme naar het Symbolisme.

De locatie
Zoals eerder gezegd, lijkt het mij heel waarschijnlijk dat Van Eyck deze rivier in Londen vaak heeft bezocht, in de periode tussen 1920 en 1935 toen hij in Londen als correspondent voor de NRC werkte. Het zal een rustige, groene plek geweest zijn in die tijd, het water van de rivier nog schoon. Vandaag de dag is de rivier sterk vervuild. Alhoewel er in het hele gedicht verder geen brug wordt genoemd, zou de dichter met de titel de Kingsbury Bridge bedoeld kunnen hebben, die al in de 19e eeuw bestond, zie hieronder.

Kingsbury Bridge, carrying the busy Neasden Lane over the Brent, was known from before the last century. In 1881 it was washed away during a flood. A temporary wooden structure lasted until 1892 when a girder bridge of 31 ft. between the parapets was built. This served until 1922 when it was rebuilt to facilitate access to the British Empire.

Pieter Nicolaas van Eyck (Breukelen, 1 oktober 1887 – Wassenaar, 10 april 1954) was een Nederlands dichter en criticus uit de generatie van 1910, waartoe ook dichters als Adriaan Roland Holst , Geerten Gossaert en J.C. Bloem behoorden. Hij ontving in 1947 de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre. Pieter Nicolaas was de vader van de architect Aldo van Eyck (1918 – 1999). In een aantekening achter in de bundel vermeldt Van Eyck over Brent Bridge: ‘opgedragen aan Aldo.’ Zijn bekendste gedicht is De tuinman en de dood, waarvan inmiddels zeker is dat hij het plagieerde van een gedicht van de Franse kunstenaar Jean Cocteau (1889 – 1963) uit diens bundel Le Grand Ecart.

 

Op deze bespreking door Karin Doornik reageerde Jan Haveman. Hij schrijft:

Graag wil ik enkele opmerkingen maken bij de bespreking van Brent Bridge door Karen Doornik.
Pam G. Rueter heeft getracht de inhoud van het gedicht in een tekening te visualiseren en is er m.i. in geslaagd de sfeer van de tekst goed weer te geven. Let vooral op de peinzende man op de bank; hij heeft het boek even terzijde gelegd.

P.N. van Eyck – Brent Bridge
‘s-Gravenhage, Stols, 1941
Orpheus 7.
Tekening van Pam G. Rueter.

Als je mensen vraagt een gedicht van P.N. van Eyck te noemen, is de kans tien tegen één dat De tuinman en de dood geciteerd wordt. Naar vorm en inhoud is dat zeker een gaaf en bijzonder gedicht, maar in het licht van Van Eycks dichterschap en de ontwikkeling daarvan is het allerminst representatief. Brent Bridge is dat wèl, in hoge mate zelfs. Van Eyck was een zoeker naar inzicht en dat komt in zijn dichterschap tot uitdrukking. Hij ervaart een tweespalt tussen wat hij zintuiglijk waarneemt en zijn heimwee, zijn verlangen naar duurzaam geluk. Hij noemt dit zelf ‘Hemeldroom’. Zijn ziel verlangt naar de volheid in een metafysische werkelijkheid, die buiten de werkelijkheid ligt van het leven hier; ‘aan de overkant is ’t zalig land’.

De worsteling om die kloof te dichten is in Van Eycks hele oeuvre zichtbaar, tot in de titels van een aantal bundels toe. En al is er in de latere fase van zijn dichterschap wel sprake van enig hervonden evenwicht tussen zinnen en geest, van berusting, van aanvaarding zelfs (zie bijv. het gedicht Herwaarts in de gelijknamige bundel, waarin ook Brent Bridge staat), toch komen weemoed, vervreemding (Brent Bridge) en verlangen nog vaak terug. In de beschrijvingen van Van Eycks poëtica (zie bijv. Ter Braak, Knuvelder, Rispens, Oversteegen, Geyl, Puchinger e.a.) is dit levensdilemma van de dichter het centrale thema.

Het is jammer dat Karen Doornik haar bespreking van Brent Bridge niet op een meer consequente wijze in deze context plaatst. Daardoor wordt in onvoldoende mate recht gedaan aan dit sublieme gedicht. Toegegeven, zij maakt onder het kopje Symboliek wel enkele opmerkingen over Van Eycks geïsoleerde bestaan, over zijn eenzaamheid en over de mogelijkheid dat met dit ‘vreemde land’ ook dit leven bedoeld kan zijn, maar het is te fragmentarisch en te weinig een samenhangend betoog. Doornik plaatst dit gedicht in het Symbolisme en verbindt daaraan de conclusie dat we dan de ‘overkant’ moeten opvatten als het leven aan ‘gene zijde’, dus na de dood. Ik zet daar vraagtekens bij. Hoewel er in Van Eycks werk zeker sprake is van wijsgerige verdieping, is hij geen uitgesproken symbolist, zoals Leopold en Boutens dat in veel sterker mate wèl waren. Ook is bij hem geen sprake van doodsverlangen. Hij streeft naar rust voor zijn gekwelde ziel, niet na de dood, maar in zijn leven hier en nu. Zo verwoordt hij zijn droom, zijn verlangen naar harmonie in zijn bestaan, o.a. in de versregel : ‘God wil, als mens, in mij gelukkig zijn’.

Nog enkele kanttekeningen bij het eerste deel van Doorniks bespreking:
–    Sprekend over het perspectief in dit gedicht zegt zij dat er in r. 6 al een verschuiving plaatsvindt, omdat er iets van toekomstig handelen wordt verteld: ‘straks aan de overkant’. Vraag: wat is het verband tussen ‘straks aan de overkant’ en toekomstig handelen? Ik zie het niet.

Als je wilt spreken van een verschuiving van het perspectief, kan daarvan m.i. alleen gezegd worden dat er in de eerste twee strofen sprake is van een hij-perspectief – in beide strofen gaat het over de man – en in de laatste strofe zien we de overgang naar het ik-perspectief: de man uit strofe 1 en 2 blijkt in strofe 3 geïdentificeerd te worden als de ‘ik’.

–    Doornik zegt in haar exegese van het gedicht: De man zit er ‘vaak’. Helaas, dat staat er niet. Er staat: ‘En vaak is er niets dan dit: ….’ en dan volgt er een opsomming van dingen die de man waarneemt. Dat is iets geheel anders! –    Verder merkt ze twee keer op dat r.5 en r.6. haar een toespeling lijken op de uitdrukking: ‘elders is het gras groener’. Er lijkt een verlangen uit te spreken, zo zegt ze, later (straks) ook de overkant te onderzoeken. Jammer genoeg wordt niet toegelicht welke aanleiding het gedicht haar voor die veronderstelling aanreikt. Als het gedicht zelf die veronderstelling niet enigszins aanvaardbaar maakt – wat m.i. het geval is – is het gevaar van ‘hineininterpretieren’ levensgroot.

–    Ook bij haar uitspraak dat het rijmschema het lege, lome moment van zitten op de bank en kijken naar het water benadrukt geeft Doornik geen toelichting. Jammer, want de lezer wil nu natuurlijk ook graag weten welk verband zij precies ziet tussen dit rijmschema en de genoemde passage uit het gedicht. Zo blijft het een losse opmerking waar we weinig of niets aan hebben.

Tenslotte spreek ik na de geuite kritiek graag volmondig waardering uit voor Doorniks moed om dit gedicht, dat ondanks de eenvoudige taal waarin het is geschreven zo lastig te interpreteren valt, aan de orde te stellen. De complexiteit van de inhoud heeft alles te maken met de complexiteit van Van Eycks levensproblematiek, die hij in zijn werk eerlijk aan de orde stelt. Daarom kan ook dit gedicht slechts vanuit dit gegeven worden benaderd.

***

Bovenstaande gaf Karin Doornik de volgende reactie in:
Allereerst wil ik graag vermelden dat ik met deze bespreking geen volledige exegese van dit gedicht pretendeer; ik ben geen kenner van Van Eyck. Bij een bespreking van een gedicht gaat het mij in de eerste plaats om een verkenning, het lezen van een gedicht als autonoom geheel. Pas later maak ik spaarzaam gebruik van bronnen die mij kunnen helpen het gedicht beter te kunnen duiden. Bij dit gedicht heb ik gebruik gemaakt van deze bron.
Haveman stelt dat ik het gedicht in het Symbolisme plaats. Dit is slechts één van de mogelijkheden die ik heb aangestipt. Ik heb namelijk ook geschreven dat de spanning die de dichter voelt tussen verbeelding en zintuiglijke waarneming kenmerkend is voor de overgang van impressionisme naar symbolisme. Er kunnen dus elementen van symbolisme in herkend worden, zoals de samenhang tussen ‘gene zijde’ en de zwanenzang. Haveman noemt het verlangen van Van Eyck naar harmonie in zijn bestaan en citeert een versregel. Hij zou er goed aan gedaan hebben te vermelden uit welk gedicht (Boeddha-beeld).
In regel 6 kan ik het in plaats van perspectief beter hebben over ‘tijd’. Tot en met regel 5 wordt er een momentopname beschreven, en daar geeft het woordje ‘straks’ in regel 6 ineens een draai aan, dat is wat ik bedoel met ‘toekomstig handelen’, daar begint het perspectief zich al te focussen op de meer persoonlijke ‘hij’ in de tweede strofe, en pas in regel 9 verschuift het daadwerkelijk van de alwetende verteller naar de gedachten van de ‘hij’, omdat we dan te weten komen wat hij denkt.

“Een man” in regel 7 is veel onpersoonlijker dan de hij die denkt in regel 9. Tot die regel zien we buitenkant, en dan pas de binnenkant.
In regel 3 t/m 5 volgt een opsomming van waarnemingen. Als dit ‘vaak’ zo is (r. 2!) zal de man er ook vaak moeten zitten. Als dit niet het geval is, pleit dit extra voor mijn uiteenzetting over de alwetende verteller in de eerste acht regels, er moet toch een instantie zijn die de conclusie trekt dat er ‘vaak’ niets is dat de genoemde waarnemingen.
Wat betreft de toespeling op de uitdrukking ‘elders is het gras groener’: dit lijkt mij de verklaring voor het gebruik van het woord gras: waarom noemt de dichter dit onbeduidend gewas, als hij even daarvoor ook al ‘loof’ heeft genoemd. Temeer, omdat het direct gevolgd wordt door de regel met ‘straks’ en ‘overkant’. Haveman noemt dit erg vrij interpreteren, ik ben benieuwd of hij zelf hier een uitleg aan wil en durft te geven.
Tenslotte de opmerking over het rijmschema: het is meer de herhaling van de inhoud en de rijmklanken van strofe 1 in strofe 3 die het lege en lome benadrukt, niet zozeer het rijmschema zelf, zoals Haveman terecht opmerkt.

 

Geplaatst in Klassiekers.