Marnix Speybroeck – Naai mij maar dicht

Driegdraad waaraan je niet mag tornen

door Joop Leibbrand

Marnix Speybroeck (1947) werd enkele jaren geleden voor de Meanderrubriek ‘Dichters‘ geïnterviewd. Op de vraag of er binnenkort een dichtbundel te verwachten was, antwoordde hij: ‘In 1971 werden gedichten van mij opgenomen in het tijdschrift Yang. Toen waren er vage plannen voor een bundel die er gelukkig niet kwam; grasduinend in mijn vroegste werk merk ik dat slechts een paar gedichten overeind gebleven zijn. Ik ben altijd vrij kritisch geweest over mijn eigen werk en vond zelden iets goed genoeg voor publicatie. Pas eind jaren negentig begon ik weer links en rechts in tijdschriften te publiceren. De publicatie van een bundel is voor mij niet langer een must […] ik geloof niet […] dat een uitgever zit te wachten op een ‘wonderkind’ van zestig.’

Inmiddels zijn we drie jaar verder en is de bundel er toch gekomen. Op het achterplat ervan stelt Speybroeck zich voor en het heeft er alle schijn van dat hij er moeite mee heeft zichzelf en zijn dichterschap serieus te nemen: ‘Werkte van 1970 tot 2004 voor de Belgian Intelligence Service, was leraar dus. Hij had ooit een tamme ekster, voert diepzinnige gesprekken met egel en bunzing en helpt menig lentelam op de wereld. Daardoor alleen al heeft hij voeling met poëzie.’
Het is het type zelfspot dat hem ook de cynische, ronduit afwerende titel Naai mij maar dicht zal hebben ingegeven. Als er een jaarprijs was voor de lelijkste titel, won deze het. ‘Schiet mij maar lek’, lijkt de dichter te zeggen, maar het is uiteraard een hardheid die, vaak gepaard aan humor, dient om kwetsbaarheid te verhullen: ‘ik wou een brug van regenboog/ het wordt een schuur voor winterhout’.

Die ambivalente, zo men wil romantische houding blijkt ook mooi uit de twee motto’s die de bundel meekreeg. Van Graham Greene: ‘Writing is a form of therapy; sometimes I wonder how all those who do not write, compose or paint can manage to escape the madness, the melancholia, the panic fear which is inherent in the human situation’. Van Armando: ‘Kunstenaars brengen producten voort waar niemand behoefte aan heeft. Daarom is kunst zo belangrijk. Daarom is kunst zo overbodig.’

Speybroeck zal de bundeltitel ontleend hebben aan dit gedicht:

GEBED AAN HET HEILIG HART

hoe kunnen wij verklaren
geluk zou maakbaar zijn
de kneepjes van het vak
een jonge vrouw die leder plooit
een naald een linnen draad met bijenwas
met donkere vernis uw voetstappen beschermt

[…]

enfin, geluk zou maakbaar zijn
met scherven van bedrieglijk gebrek
met driegdraad waaraan je niet mag tornen
denk je dat het volgend jaar weer net (niet) lukt?

Waarin hij zich hult, wat hem verbergt, is maar met rijgdraad en met losse steken dichtgenaaid. Trek aan een loszittend eindje en alles komt vrij: de toegewijde betrokkenheid bij wie aan zijn zorg zijn toevertrouwd, de natuurliefde, maar ook de boosheid over de politieke toestand van zijn land. In een gedicht over filmmaker Jan Bucqouy schrijft hij:

[…]

en los daarvan
geloven ook de meeste mensen hier
in de waan van hun gewest

ik zeg u
ook kunst kan deze wereld niet veranderen
anders zou dit gedicht verboden zijn
wat nog ontbreekt een staatsgreep
waarna een nationale loterij
om de leiders van het volk te selecteren
dat zou pas een kunstwerk zijn

Marnix Speybroeck was zijn hele werkend leven leraar. Daarnaast was hij maatschappelijk en politiek actief, onder andere in de ecologische beweging. In de afdeling ‘Groenman’, een personificatie van zijn streekgenoten, is daar in zoverre iets van te merken, dat er een duidelijk verlangen is de eenvoud en zuiverheid van het land te behouden, zoals in ‘Specht’:

[…]

de geur van stro dat wacht
de hoge bomen in de wind
de kleur van lucht en licht
alles toetst hij bij me af

hij wil dat ik herhaal wat hij al weet
dat woord na woord ik hem behoed
dat op mijn woord ik hem beloof
dat alles blijft zoals het was.

Speybroeck besluit zijn bundel met twee lange gedichten, het tiende en veertiende hoofdstuk uit ‘God voor dummies’, waarbij moet worden aangetekend dat de overige delen nog geschreven moeten worden. Het ene heet ‘Drinken met God’, en wordt gekoppeld aan de tiende statie: Jesus wordt ontdaan van zijn kleren en krijgt gal en azijn te drinken, het andere heet ‘Fietsen met God’, en dat moet gelezen worden in het licht van de veertiende statie: Jesus wordt in het graf gelegd.
Speybroeck laat zich hier gelden als een geducht spotter; libertijns, voor de rechtlijnigen waarschijnlijk op het blasfemische af. Ondertussen blijkt in het laatste deel mooi hoe in Vlaanderen wielrennen nog steeds iets heroïsch en mythisch heeft. De twee hoofdstukken lezen als een trein, maken zo enthousiast dat je geneigd bent met Mulisch te roepen: Zet hem op, God! Speybroeck deed het al.

***
Meer over Speybroeck hier.
Lees hier ‘Een schuur voor winterhout’, ‘Egelstelling’ en ‘Fietsen met God’.
En een bundel bestellen kan hier.

 

Geplaatst in Recensies.