Klassieker 138: Gerrit Achterberg – Het meisje en de trom

door Wilma van den Akker

Meander Klassieker 138

Met de kennis van het leven van Gerrit Achterberg is ‘Het meisje en de trom’ misschien een ongemakkelijk gedicht. Geladen, agressief, erotisch. Wilma van den Akker belicht de verschillende aspecten, waarbij ook slachtoffer en dader aan bod komen.

Het meisje en de trom

Zij had een trom gevonden om te slaan.
Toen werd zij van metaal tot in haar tanden
en trok een tinteling naar beide handen
om op de trommel met stokken te slaan.

Om met de trom op het toneel te staan
achterovergebogen aan de banden
die haar verbonden met de bonzen van de
gespannen wanden van dit gromorgaan.

Haar ogen zijn gesloten, want zij voelt
het rhythme door haar lichaam zegevieren,
een drift die zich op de roffelen koelt.
Offer en overmacht slaan in elkander om.
Meisje en instrument paren als dieren.
Het levend meisje en de dode trom.


Gerrit Achterberg (1905 – 1962)

Uit: Alle gedichten I, Verzamelde gedichten ed. De Bruijn, Lucas en Stolk (2005)
Uitgever: Atheneum – Polak & Van Gennep

Een vrouw met een contrabas bracht dit gedicht onder mijn aandacht. Bij een samenkomen van muziek en poëzie zong en speelde Kim Soepnel ‘Het meisje en de trom’. De donkere bastonen brachten de trommelslagen tot leven, haar stem de tekst. De intensiteit en de klanken van het gedicht bleven me bij, wat een goede reden is om het gedicht als ‘Klassieker’ te bespreken.

Achterberg. Wat over de dichter te zeggen, wat nog niet eerder gezegd is, bijvoorbeeld in eerdere bijdragen aan Meander Klassiekers, of in zijn biografie bij de Koninklijke Bibliotheek of in de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren? Uit de bekende informatie over zijn leven vind ik het voldoende om te noemen dat geweld en gekte daarin belangrijke plaatsen innamen. Zijn belangrijkste thema was het door middel van zijn poëzie opnieuw tot leven brengen van een dode geliefde. Lees bijvoorbeeld de bespreking van ‘Fotografie’, door Rutger H. Cornets de Groot.

In het kader van deze thematiek is ‘Het meisje en de trom’ een interessant geval. Gaat het hier om een kind, of om een bijna volwassen vrouw? Staat dit meisje ook voor de dode geliefde? In de loop van dit betoog zal ik proberen daar een antwoord op te vinden. Laat ik me eerst bekommeren om de vormaspecten.

Vorm en klank: orgastisch en onheilspellend

Het sonnet bestaat uit twee kwatrijnen en een sextet en heeft als rijmschema abba/ abba/ cdcede. Het sextet vormt een geheel, er zijn geen terzinen. Mannelijk en vrouwelijk rijm wisselen elkaar af. In de eerste strofe is sprake van rijk rijm: ‘slaan’ rijmt op ‘slaan’. Het woord ‘slaan’ komt een derde keer voor in regel 12, deze keer in de betekenis van ‘omslaan in’. Het slaan, of ‘de roffelen’ (regel 11) op de trom zijn cruciaal in dit gedicht.
Regel 12 ‘Offer en overmacht slaan in elkander om’ staat precies op het ‘omslagpunt’ de chute, van het sonnet. Dit is een prachtige illustratie van de geraffineerde opbouw van Achterbergs poëzie: de omslag die met ‘omslaan in’ gepaard gaat.

Afgezien van regel 2 en 3, die met veel t‘s een metalige klank hebben (‘… van metaal tot in haar tanden/ en trok een tinteling …’) staat het gedicht vol met bonkende, rommelende o-klanken: trom, trommel, stokken, gevonden, verbonden, bonzen, gromorgaan, roffelen, offer, om. Deze donkere klanken voegen toe aan het onderbuikgevoel dat het meisje en haar trom oproepen. Orgastisch, maar ook onheilspellend.

Betekenis en sfeer: agressief en seksueel

Het eerste woord van de titel, ‘meisje’, roept meteen een vraag op: is het een klein meisje, een kind, of een jonge vrouw, die nog als ‘meisje’ beschreven wordt? In sommige kringen worden vrouwen tot in de dertig nog ‘meisjes’ genoemd, ook onderling. Maar wat bedoelt Achterberg? Gezien het erotische karakter van het gedicht ben ik geneigd aan een jonge vrouw te denken. Aan de andere kant trok de dichter de grens tussen meisjes en vrouwen waarschijnlijk niet erg scherp.

Het meisje had een trom gevonden om te slaan. Hier is nadrukkelijk sprake van ‘slaan’, en niet van ‘slaan op’. Het spreekwoord ‘men vindt altijd wel een stok om een hond te slaan’ klinkt door. Ze geeft de trom ervan langs. Door de verwijzing naar het spreekwoord ontstaat de suggestie dat ze daar behoefte aan had. Regel 11, ‘een drift die zich op de roffelen koelt’ bevestigt deze suggestie.

Het vinden van de trom verandert het meisje ‘in metaal tot in haar tanden’. Wat gebeurt hier? ‘Metaal’ in combinatie met ‘tanden’ roept een agressief beeld op. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de metalen tanden van een wolfsklem. Maar niet alleen haar tanden werden van metaal, het hele meisje, tot ín haar tanden. Tot de tanden gewapend? Nog agressiever! Maar een andere verklaring wordt geleverd in de de volgende regel: ‘en trok een tinteling naar beide handen’. Metaal geleidt elektriciteit. De stroom, het elektrische signaal, wordt vanuit haar hersenen naar haar handen gestuurd, die worden aangezet om op de trommel te slaan. Door de constructie ‘om op de trommel met stokken te slaan’ ontstaat de indruk dat zij met haar handen slaat. Maar ook met stokken op de trommel slaan is hier mogelijk. In ieder geval geeft het meisje gehoor aan een sterk innerlijk signaal (een drift) om erop los te slaan. Dat signaal onstond bij het vinden van de trom.

Bij het slaan wil of moet zij op een toneel staan. Heeft ze er publiek bij nodig? Is het een openbare afstraffing? De manier waarop het meisje de trom vasthoudt: ‘achterovergebogen aan de banden […] verbonden met […] de /gespannen wanden van dit gromorgaan’ wordt steeds duidelijker een erotische omhelzing, buik aan buik, zoals bij Shakespeares ‘playing the beast with two backs’. ‘Meisje en instrument paren als dieren’ (r. 13) laat geen twijfel over deze betekenis bestaan. Het ‘gromorgaan’ met de ‘gespannen wanden’ verwijst naar een geslachtsorgaan, dat op springen staat, op het punt van ontladen. Gezien de positie houd ik het op een mannelijk geslachtsorgaan, maar de lezer mag hier anders over denken.

Slachtoffer en dader

Het meisje raakt in trance, ‘Haar ogen zijn gesloten, want zij voelt/ het rhythme door haar lichaam zegevieren’. Zij geeft zich gewonnen, geeft toe aan haar drang, drift die zij uitleeft door te slaan, te timmeren op de trom, maar ook aan de ‘slagen’ van de paring. Zij is tegelijk ‘slachtoffer’ van deze drift, die bij het vinden van de trommel oplaaide, maar ze is ook ‘dader’, want zij koelt haar woede en andere driften op de trommel: /’Offer en overmacht slaan in elkander om.’ Offer vertaal ik hier naar ‘slachtoffer’, ‘overmacht’ is de overweldigende kracht, agressie, drift, die tot daden aanzet. ‘Als dieren’ verwijst weer naar het driftmatige van het slaan en paren.

In de allerlaatste regel ‘Het levend meisje en de dode trom’ raakt Achterberg aan zijn belangrijkste thema, het tot leven brengen van de dode geliefde. Het meisje leeft, de trom is dood. Heeft Achterberg door middel van dit sonnet het meisje tot leven gebracht? Dat betwijfel ik, want ze is vanaf het begin al levend. Een trom is een levenloos voorwerp, is letterlijk nooit levend geweest. Toch heeft de trom iets bij het meisje in werking gesteld, een signaal afgegeven dat haar tot heftige handelingen heeft aangezet. De ‘dode trom’ suggereert weer dat de trom wel ooit geleefd heeft. Door de analogie met het geslachtsorgaan komt de gedachte aan impotentie in me op. Maar hier begeef ik me wel op het gladde ijs van het hineininterpretieren.

Voorlopig houd ik het erop dat de tegenstelling dood – levend een essentiële rol speelt bij Achterberg, waardoor het onvermijdelijk werd om die in dit gedicht te benadrukken, zij aan zij met de tegenstelling én omslag in de rol van dader en slachtoffer. Maar ik ben benieuwd naar verklaringen van anderen.

____

Achterberg nam ‘Het meisje en de trom’ op in Hoonte, G.W. Breughel, Amsterdam 1949.
Een eerste versie stond in het tijdschrift Columbus, jaargang II, 1946-1947. Er zijn twee verschillen. Regel 2/3 had eerst ‘Toen werd zij van metaal en kreeg haar handen / Opnieuw van God oorspronkelijk in handen’ en regel 12 luidde ‘Offer en overmacht slaan om en om.’

Geplaatst in Klassiekers.