Gedichten

je werk verschoven en je schoenen
richting morgen. De microgolf tingelt
nog even als een tram

ik ben aan haar
zoals damp aan een koel raam
om te condenseren

zonder neerslag kan zelfs muziek niet beginnen

dan trekken we de nacht over de dag
tot net onder de kin
geeft ze slap aan slapen toe
probeer ik nog een zoen
een vervelende mug in haar droom

ze komt mij pas na acht uur tegen
neemt in mij de bocht, drukt
met haar neus vleugels in mijn rug

hier tussen de plooien begint ‘wereld’ met een we

en in het kopje koffie straks
neemt de barst de vorm aan van de Elbe
tussen Hamburg en Dresden

*

plots liggen daar in je handpalm nog twee vrienden
en hoef je alleen nog te knijpen

is je rug voos als de hals
van een professionele violist

smeert men je in met het vochtig oogvlies
van een hert

wordt een bed een gebed. Is het verkeerswit
ben je zoals een voorraad. Ingeslagen

*

dat de vader schimmelt tot schim
draderig uiteen te trekken als suikerspin
je eerste rimpel slap grijnzend op de stoep wacht
zich als sjaal omdoet
met u gaat wandelen
dat is normaal. De lucht is cataract

een emmertje kraakbeen voor de knieën voor de trap
voor als je vijfenzeventig
een frisse paling voor om de hals voor als het te warm
voor op een bankje. En toch

blijft de glimlach van een dode
de ontspanning van een spier
zakken mijn gesloten handen
door het wakke dijbeenvlees

schudden de bomen van nee, de bomen schudden van nee
in de herfst

Geplaatst in Gedichten en getagd met .