Alexis de Roode – Gratis tijd voor iedereen

Wat tijd kost

door Ivan Sacharov

Wie zich verveelt zal er niet meteen aan denken om Gratis tijd voor iedereen, de nieuwe bundel van Alexis de Roode, aan te schaffen. Toch zou het misschien geen gek idee zijn. De bundel is heel onderhoudend, en behalve dat: de titel is ook enigszins misleidend. De vlag dekt de lading niet. Er wordt geen tijd verstrekt op deze bladzijden, en al helemaal niet gratis (de bundel kost 16 euro bij oom Bol). En – helaas voor alle volksstammen die zich vrijblijvend de illusie denken te kunnen veroorloven – tijd is nooit gratis. Als het geen geld is, kost tijd altijd nog tijd: de dood wacht echt niet langer dan het leven nodig heeft (voor wie zich verveelt een goeie reminder).
Alexis de Roode weet dat natuurlijk allemaal wel. Maar waarom zou hij ermee zitten? Hij praat via zijn bundel met zijn lezers zonder er zelf verder tijd aan te hoeven spenderen en geeft en passant in de titel nog een leuke oneliner om te scanderen wanneer het leven ons te haastig wordt. Het is altijd weer verbluffend hoe een dichter liegen kan en ermee wegkomt! Maar genoeg hierover (woorden kosten immers ook tijd). De bundel opent met het volgende gedicht:

HET RECHT OP TRAAGHEID

Waarom zouden wij
u en ik
niet gerechtigd zijn
tot traag / leven.
Tot zeer / traag / leven.
Alle apparaten
mag u / uitzetten.
Stilstaan is
geoorloofd. Ten volle.
U mag ook
de ogen / sluiten.
Voor alles.
Zelfs eraan denken
hoeft niet.
U hoeft niet
te antwoorden.
U hoeft
niet / verder.
U mag hier blijven.
U hoeft / dit gedicht
niet uit te lezen.

Het leuke is natuurlijk dat we dit gedicht praktisch al uitgelezen hebben voor we lezen dat het niet hoeft. De lezer treft zichzelf in een paradoxale situatie. Maar is het gedicht dan werkelijk uit? Wanneer ons oog als een vliegtuig ‘de startbaan van het gedicht’ heeft verlaten begint het eigenlijk pas. En in deze metafoor denkend kan daar wellicht nog aan toegevoegd worden dat terwijl een echt vliegtuig steeds harder moet gaan om te kunnen opstijgen, precies het omgekeerde geldt voor het oog: pas (bijna) tot stilstand gekomen op papier komt een lezer in zijn eigen, niet aan tijd gebonden verbeeldingsruimte los van de grond.
De dichter doet in dit gedicht heel erg zijn best om dat effect te bereiken. Met korte zinnetjes die gedeeltelijk elkaars inhoud herhalen probeert hij ons het gevoel te geven dat we al lezend ‘tot stilstand kunnen komen’. Maar alleen de poging blijkt uiteindelijk geslaagd. Het gedicht als gedicht faalt omdat het de benodigde dramatiek mist, en misschien ook een stukje geloofwaardigheid. Iets wat voor meer gedichten in deze bundel geldt:

ECHO’S

De oude geliefde,
waar is ze nu?
(ze nu, ze nu)

Weet zij ook dat het nooit voorbij is,
de dingen die voorbij zijn?

Ach lief als je dit leest:
jij weet ook wel
dat je alleen nog bestaat
in mijn geest.

Je hebt nu misschien een baby
die op je lijkt.

Weet je dat er indertijd een ster verschoof –
soms kan ik geloven
dat wij daar nog ergens wonen.

In absolute duisternis
en bij nul graden Kelvin

zie ik Voyager I en Voyager II
voor eeuwig staren

naar het ongebroken beeld
van wie wij waren.

Genoeg stof voor dramatiek zou je zeggen. Maar ook hier overheerst de schijn. Het eeuwig staren van de Voyagers naar ‘het ongebroken beeld’ van wie wij waren suggereert alleen dat het beeld nu gebroken is. Maar een gescheurde foto hoeft nog geen echtscheiding te betekenen. Stond er in de laatste strofe bijvoorbeeld ‘naar het beeld van wie wij ongebroken waren’, dan was het al wat anders, maar deze poëzie lijkt zijn vingers niet teveel te willen branden. Daar is ze te licht voor, de bundel als geheel wat te gladjes. Wat overigens nou ook weer niet betekent dat er geen aparte gedichten in staan:

MIDDAG

Met de zon recht boven mijn keel
(het licht valt tot de ingewanden)
wil ik zingen: een opwaarts geluid
langs de as van het hart.
Muren trekken hun schaduw in
zoals een kat haar nagels en ik
lach: hoogmoed die uit banden knapt,
het huis tot in de hoeken verlicht,
verdrinkend in stortend wit.
Alle kracht wordt gestapeld
op de smalle zuil van de dag.
Dat vraagt om roekeloosheid.
Nu spelen! Duw de pilaar om! Alles los!
Zie hoe als een marmeren kogel
de zon de rode heuvel af rolt.

Deze ‘hoogmoed die uit banden knapt’ en in de kracht van zijn leven naar roekeloosheid neigt komt in elk geval geloofwaardig genoeg over om in de ondraaglijke lichtheid van het bestaan zijn val gesmeerd te laten verlopen. De Roode drukt zich plastisch vaak heel aardig uit. Het grootste gevaar wat hem bedreigt is dat van vervlakking.
In dit verband dringt zich de vergelijking op met Tjitske Jansen (eveneens uitgegeven bij Podium), wier bundel Het moest maar eens gaan sneeuwen ik toch wel wat beter vind. Jansen schrijft ook lichte, makkelijk toegankelijke gedichten, maar er zit over het algemeen meer venijn in dan bij de Roode, meer gif dat door de poriën (ook van een dikke huid) kan dringen:

Elvis-bril

‘Als ze niet durft te zeggen hoeveel
ze ervoor betaald heeft,
was hij duurder dan een tientje.’

Ik kocht niet alleen die bril voor al dat geld,
ik kocht ook
dat de jongen die hem droeg
hem niet meer dragen kan.

Zijn lijf stond hem te goed.

Jaloersheid (echt of niet) lijkt hier een serieus te nemen prikkel. Serieuzer te nemen, vrees ik, dan ‘de verwondering over de almacht van de tikkende klok’ van Alexis de Roode, waarvan gewag wordt gemaakt op de achterflap van Gratis tijd voor iedereen. Of toch niet? Er is een gedicht dat me doet twijfelen:

INWISSELBARE BEELDEN III

Achter het huis
staat een rammelende ribbenkast
die kwispelt als we uit de verte
nog eens naar hem kijken.
Ooit was hij een wolf
die in de bossen op ons joeg,
ons dwong te rennen voor ons leven.
We legden hem aan de ketting
van uren en minuten, lieten hem
arbeiders bijeendrijven,
schapen aan het werk zetten.
Toen hij onze hand begon te likken
gingen we minder van hem houden,
vergaten hem steeds vaker
eten te geven. Nu is hij versleten.
Op hoge trillende poten
staat hij te janken van geluk
als wij aan komen lopen met het touw,
speurend naar een tak.

Hier heerst wel een totaal andere sfeer dan in de meeste gedichten van de bundel. En helemaal grimmig wordt het in die laatste regels, waar het niet duidelijk is of we gaan wandelen met de hond, of dat we hem gaan afmaken. Hoe dan ook: dit is een gedicht met een ‘bite’, zoals er niet vele zijn. Ik weet alleen niet of ‘inwisselbaar’ de juiste benaming is voor deze ambivalentie, dit ‘open einde’. Wat mij betreft niet. Het beste is nooit inwisselbaar. Dat is in strijd met het wezen van de tijd, en leidt – verdorie! – alweer tot verveling.

Geplaatst in Recensies.