Gedichten

Bosrijke omgeving

Hij reed ons door de bosrijke
omgeving.
Ik keek naar de formele bomen,
naar het kalende achterhoofd van de chauffeur
en vervloekte het. ‘Even uitwaaien’, zei de debiel.

Dat de wind alles
uit         maakt, ons allen uit         waait
is erg genoeg. Debiel.

Proef

Voor de tweede keer wast hij zijn handen, stapt op.
Kijkt naar de Natuur, enkele bekende werken.
Normaal verveelt het. Nu is alles goed.

Ook toen hij de wanden doof
kalkte kwam de schelle vork binnen:
de uitslaande smalltalk.

Je hebt zelfvertrouwen. Je hebt een lijst met onderwerpen in je hoofd, nu
moet het dan echt gebeuren. Trek die stoute schoenen maar aan en begin
met smalltalk.

In de Natuur valt blad met
sierlijk instinct. Hij gaapt maar voelt zich fris.
Alleen zijn handen plakken
een beetje.

Leer hoe je het maken van een praatje voorbereidt, hoe je een gesprek opent,
gaande houdt en weer
beëindigt.

1 nagel van zijn rechter-
hand in het hart
van een berk:

hij verwacht
sloom donker sap

Brandende longen, schreeuwvogels

Hoofd zit vast in wat
brutaalweg nachten worden genoemd,
maar erg behendige, lichtgevende dingen zijn: ik vind
mij.
De lichamen van de goden worden vervuld, er
stort regenwater in de letter, luister!
Donkere nieuwsgierigheid is vrijgelaten uit de muil van de opwekkende natuurwetenschap.
Ik ben bang.
Ik heb het bestaan minder belangrijk gevonden en vervangen door brandende longen
schreeuwvogels: het zwijgen met de schroeven aan de
zijkant van de letter.
Ik zit neer, ik ben gevlucht tot aan de afgrijselijke lach van de zee.

Ik ga voor lange tijd op de open oceaan die opflakkert en terug naar de moerassen
waar een maaier met blauwgekleurde gulzigheid het staande koren verzamelt
en de as.

Ik heb beulen gedacht. Visioenen opgegraven.
De Dood is bij toverslag verdwenen, om het denken te worden.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .