Vrouwkje Tuinman – Wat ik met de sleutel moet

De sleutel tot de andere wereld

door Johan Reijmerink

Dromen is bewustwording van wie je bent. Een droom heeft een sterk vervreemdend effect, maar biedt je ook de kans op een maximaal loskomen van droomenergie. In de droom drukken zich oerbeelden uit die toebehoren aan mensen van alle tijden. Ze zijn een bovenpersoonlijk verschijnsel. De droom is een maskering van onbewuste inhouden. Voordat de taal er was, was er het beeld. Een beeld of imago is de overbrugging tussen ratio en emotie. Het beeld reikt verder dan de taal. Daarom is de droom een levende ervaring en tevens een hermeneutische sleutel.

Niet alleen een droom is op te vatten als een sleutel, maar ook het gedicht kan die functie vervullen. De dichter als blinde ziener bezit door zijn onderzoekend talent voor taal en de wijze waarop hij dat vormgeeft, de mogelijkheid de lezer een andere blik op een wereld van alledag te bieden. Zo heeft Rainer Maria Rilke in zijn Sonnetten aan Orpheus (1923) verloren gegane eenheid tussen het aardse en het heilige geprobeerd te slechten. Zijn poëzie is wel vergeleken met een Russisch-Byzantijnse iconostase. Deze wand met beelden die het altaar van de kerkruimte scheidt, geeft een denkbeeldige scheiding tussen het aardse en het heilige aan. De iconostase verbergt het heilige en representeert het tegelijk. Een gedicht als een soort iconostase is daarmee tegelijk als een sleutel te beschouwen die de dichter ons aanreikt om anders naar onszelf en de wereld te kijken. Als het goed is, opent hij deuren naar beelden en inzichten die tot dan toe verborgen voor ons waren. Ik krijg de indruk dat Vrouwkje Tuinman met haar nieuwe, derde bundel Wat ik met de sleutel moet (2011) droombeelden met een sterk realistisch voorkomen aan ons voorlegt. Ze zwerft rond in haar droombeelden op zoek naar die andere werkelijkheid achter de dingen. Bij sommige van deze gedichten komt echter de lancering van het realistisch platform niet tot stand, bv. een gedicht als ‘Sinterklaas’.

Haar bundel kent een systematische opbouw. Vijf afdelingen met eigen titel. Op de achterflap van de bundel staat: Vrouwkje Tuinman sleutelt, epileert en reflecteert over de grenzen tussen het stoffelijk en het onstoffelijke. Ze heeft kennelijk de behoefte vensters op een andere werkelijkheid te openen en doet dat in klare, eenvoudige, situatiegerichte taal met hier en daar absurde en onverwachte wendingen, maar ook met humorvolle regels als: ‘De buren klinken niet alsof ze hobby aan het leven./’. Zodoende stapt ze als het ware opzettelijk met haar tekst uit de dagelijkse logica van de lezer. Een mooi voorbeeld daarvan lezen we ook in het gedicht waarin de titel van de bundel is verwerkt.

Materialist

Vandaag heb ik de flessen van drie weken geleden,
je laatste verjaardagsfeestje, weggebracht.
Op de stoep zijn er per ongeluk of expres
een stuk of zes kapotgegaan. Ik heb geveegd. Ik was toch
aan het boenen, dingen voor je aan het netjes maken.
Ik heb de kast met foto’s aangewezen, die gaan
met je ouders mee. Er is nog Franse kaas die je
te veel had ingekocht, die vind ik vies, maar de vla
is bijna op. Wat ik met de sleutel moet dat weet ik niet.

Tot aan de laatste versregel geeft de ik je de indruk dat hij met de dingen van alledag bezig is. Hij zorgt voor de ander. Maar dan vindt er in de laatste regel de onverwachte wending plaats. Een sleutel, iets materieels dat het sluiten en openen symboliseert, geeft bij de ik een moment van onwetendheid en besluiteloosheid. Een niet weten, wellicht zelfs een verlegenheid met de functie waarvoor de sleutel bedoeld is: toegang verschaffen tot een andere dimensie van de werkelijkheid. Op dit punt zie je Tuinman de pas inhouden en aarzelen, en toch merk je de hele bundel door dat ze die andere wereld wil betreden. Zoals de dromer zich beelden herinnert van een onbewuste werkelijkheid, zo spiegelt Tuinman ons telkens een glimp van haar verlangen voor die andere wereld voor.

Vanuit dat perspectief zit er een lijn in de titels van de afdelingen: intensive care, omscholing, komen en gaan, stukjes en beetjes en quo vadis. De bundel kent een hechte structuur. ‘Ik heb een punt tussen het midden/ en een derde van mijn tijd bereikt en moet dus/ ergens anders heen.//’. Een gang door het leven als een soort intensive care onder het wakend oog van een klussende God die niets uitlegt. Daarbij dient men zich gaandeweg om te scholen, opdat men zijn of haar plaats in het leven vindt: als sinterklaas verkleed, in de rol van brandweerman of –vrouw, als leeuwentemmer voor de klas, maar wel in alle functies, zeker die van arts, om nauwgezet en precies te zijn. Bovenal dient de ik zorg te dragen voor de leefbaarheid van de eigen omgeving. Uit alles blijkt Tuinmans oog voor detail, de kleine dingen die er in het leven toe doen. Het is een komen en gaan van mensen en gebeurtenissen. De (on)vrijheid en verlorenheid van het sleutelkind: ‘Als ik wil kan ik de deur uitgaan// en vijf minuten verderop de voordeur/ openmaken./’, de diversiteit aan diagnoses van artsen en de manier van stemmen en theeschenken, het zijn allemaal methoden en technieken waarvan ‘Geen mens vindt [dat] het de moeite/ van het navertellen waard.//’ is. De stukjes en beetjes vormen een bont geheel van levenservaringen. Een souvenir uit Egypte: ‘daarvandaan kreeg ik een boek over de kat,/ die heilig is en negen keer voor eeuwig leeft./ Van deze reis heb ik niet eens een kaart gehad.//’. Of de relikwieën als een hoektand waarop een kerk is gebouwd. De ik heeft zo haar twijfels of al die haren, tanden en kruizen in kerken en begraafplaatsen wel die ‘heiligheid’ verdienen die er door gelovigen aan wordt toegekend: ‘Waar de zieke bleef vermeldt de geschiedenis niet.//’. Aan het einde van het leven komt de mysterieuze dood om de hoek kijken. Toch weer die scepsis over die andere werkelijkheid. Quo vadis? ‘Iemand vroeg me naar zijn/ moederland./’ Is dan de tomtom de redding om te komen waar je wilt komen? Blijkbaar niet. En toch dat verlangen ernaar.

Het gedicht Quo vadis geeft de gemoedsgesteldheid en de levensbeschouwing – om het plechtig te zeggen – van Tuinman goed weer.

Quo vadis

De meningen verschillen over in hoeverre je lichaam
is vergaan en of je ergens bent en zo ja, dan waar.

Wat we wel weten is dat er in het water geen camera
te vinden was. Geen sleutels. Die heb je afgegeven.

In de hemel is maar één persoon met sleutelbos
die bindt daarboven wat beneden al gebonden was

en andersom. Volgens sommigen betekent dat
dat jullie samen daar naar binnen zijn gegaan.

Op internet zie ik de foto’s die wel werden gemaakt,
door vreemde mensen van vreemde mensen

die door de tijd worden ontbonden. Nergens
deuren. Iedereen vindt daar wat anders van.

Waarheen, o waarheen is de vraag. Het lichaam is aan slijtage onderhevig. Hier geen sleutels te vinden. Er is in de hemel maar één persoon met een sleutelbos. Petrus volgens de traditie. Ja, maar die is partijdig. Wat moet je dan? Op internet zijn er wel foto’s over de situatie ter plaatse te vinden, gemaakt door mensen die ondertussen door de tijd ontbonden zijn. Nergens bieden ze openingen om het geheim te kunnen ontsluieren. En dan die versregel vol teleurstelling, bevreemding en opening: ‘Iedereen vindt daar wat anders van.//’. Geen begin van eensluidendheid, wat we van die ‘hemel’ vinden. Het is aan ieder van ons afzonderlijk zich daarover een oordeel te vormen. Dat soort ‘concluderende’ zinnetjes aan het eind van haar gedichten verraadt de filosofische inslag van Tuinmans gedichten, zonder dat ze dat expliciet etaleert. In de gewone dingen werpt de verwondering zich voor haar en ons op. Ze droomt via de ik van die andere werkelijkheid. Het liefst zou ze er zekerheid over krijgen, maar ze weet wel beter.

Tuinman is met haar omzwervingen op locatie voortdurend op zoek naar begrenzingen, omheiningen, inperkingen om maar tot een vaststelling van die andere realiteit te kunnen komen, over het ‘daar’. De absurde, onverwachte wendingen zijn momenten waarop Tuinman zich terugtrekt uit het gesprek dat zij via de ik met de lezer is aangegaan. Net zoals metaforen op te vatten zijn als cursiveringen, illustraties of afwijkende formaties in het taalspel, zo zijn haar wendingen vertrouwde woorden op niet-vertrouwde manieren gebruikt.

Het laatste gedicht ‘Metafoor’ is daarvan een passend voorbeeld.

Metafoor

Voor ik me aanmeld heb ik nog wat
vragen. Ten eerste: hoe druk is het daar.
Er gaan geruchten dat iedereen die jou
terug wil zien je vinden kan, eenmaal
geaccepteerd als lid. Hoe weet ik of
dat wederkerig is? Ik krijg nu al moeiteloos
gezichten voor ogen die ik helemaal niet
in herhaling wil. Kun je er ontvrienden?
Of de status van je vriendens vrienden
achterhalen? Hoe laat gaan de mensen slapen?
Is er de garantie dat je uitgeschreven kan
en zo ja, met een termijn van hoeveel maanden?

Een laatste gedicht vol vragen. Er zweeft de ik een beeld van het hiernamaals voor ogen. Wie tref ik daar? En kan ik ook uitgeschreven worden als het me er niet bevalt? Dit gedicht is een metafoor voor haar verlangen te willen weten over het leven na dit leven. En daar kan ze helaas slechts over spreken in woorden van deze wereld. Haar sleutel van de taal brengt haar nog niet in het goede vertrek. Ze beschikt nog niet over de vertrouwdheid met de taal van die andere wereld.

Geplaatst in Recensies.