Gedichten

HUIS I

Rondjes razend om het huis,
smeulende wolken, er is iemand
die het ziet. Warm me met gedachten
aan een naam, die lang geleden kwijtgeraakte
ring.

Warm me met gedachten aan handen,
zacht en verweerd, balletschoentjesleer.
En dat er een bed voor me is, ergens
in de kamers. Dat er een bed is.

Raas langs de lege vrachtwagen, de volle kamer.
Ramen waarachter mensen zich traag bedrinken.
Ogen glinsterend van benzine. Mensen die zien
welke herinneringen je wenste
om te brengen. Ze trillen in hun lijstjes,

glazen waaronder ze zweven. Opgepinden,
opgewonden. Razend om die pin. Om het staan blijven
in albums van mensen die je niet meer spreekt.

Ik zie niets meer (dat wil zeggen letselsterfte),
geen bed dat nog zinken kan.

ONZE MOEDER I

Onze moeder kan een voetstuk op (één teug),
ze drinkt al jaren onder de tafel. Van flessenbodems
schrapen we gedachtenis af. We zetten ze bij,

de vaasjes waarop blank fluiteschuim bloesemt
en soms druipt het, soms knipoogt de fles soms

kruipen er wolken voor de zin. Slokken die
de dag van het gelaat vijlen. Wat doet iemand als wij
op een plek als enfin.

Onze moeder dus
die kan een voetstuk op.
Nu hop,

straks ziet ze dat we het aankunnen. Klappen we
voor ouders die niet willen dat er over hen wordt
gedroomd,

knip zegt het glas en de kamer gaat uit.

ONZE MOEDER II

Op een dag werden we uit onze moeder gepeld
en ik vergat dat ze botten dealde.

Je raakt ook zo snel afgeleid
door de eerderen die maar om elkaar krommen
om maar in elkaar te stollen

terwijl je slonk. Er is grond
waarop ik palmen plant, getuigen
dat ik geen wortel meer schiet.
Mezelf niet als een kalenderblad
scheuren kan.

De aarde slurpt regenwormen op en ik gok
dat we allemaal lief willen worden
(gevonden), men zich op de bodem
in een midden bevindt. Dat voor ons niets
ooit aanbreekt.

BROERTJE II

Men zegt dat mijn broertje slecht eet.
Wacht tot hij zijn huid niet meer aantrekt.

Maar hij lacht wanneer ik kleren koop.
Giechelt. Je lijf zit om de verkeerde geest.

Telkens laat hij me uit zijn hoofd
geboren worden. Hij schenkt me een bestaan
waartegen ik me afzet en door al het goede
waad.

Er was eens een jongen met een vel
zo dun dat je takken zag!

Hij zette me een geest op,
kroop in mijn hoofd.

Wanneer ik terugloop,
kijk ik achterom.

DE LAATSTE EIKENBOOM

De laatste eik gaat om,
sap kleeft aan de handen.
Straks dwarrelen

bloesemwitte vlaggetjes
langs achtergelaten kastanjes,

dekken de kuil toe. Een laagje bleker
dan ongebluste kalk, een kilte
die nooit meer ontslaapt.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .