Atze van Wieren – Bedevaart

Pelgrim, waarheen?

door Joop Leibbrand

Op pelgrimsreis gaan lijkt de laatste jaren een rage. Alleen al in Santiago de Compostella komen per jaar 100.000 pelgrims te voet aan, waarvan er zo’n 1500 vanuit Nederland hun grensoverschrijdende onderneming voltooiden.

Met Bedevaart laat Atze van Wieren zien, dat je voor een pelgrimstocht niet altijd ver van huis hoeft te gaan. De dichter trok vanuit Buitenpost langs de op terpen gebouwde kerken in het noorden en westen van Friesland en de op wierden opgerichte godshuizen van het Hoogeland in Groningen en schreef daarover een kleine reisgids, die de lezer die hem zou willen navolgen voor wat het Friese gedeelte betreft, achtereenvolgens brengt in Bornwird, Raard, Foudgum, Waaxens, Hantumhuizen, Paessens, Hollum, Wierum, Wier, Jorwert, Wiuwert, Britswert en die in Groningen leidt naar Dorkwerd, Aduard, Fransum, Leens, Huizinge, Westeremden, Zeerijp, Thesinge en Garmerwolde. Pas in het laatste kerkgedicht, gesitueerd in de Der Aa-kerk, zijn we op het bekende terrein van de grote stad aangeland, maar dan moeten de stilte, eenzaamheid en verlatenheid van alle eerdere locaties ook plaatsmaken voor wat gevreesd moet worden de échte wereld te zijn, zoals die hoorbaar is via iPods, en zich toont in de directheid van de geëxposeerde World Press-foto’s.

Een pelgrim hoort in principe een reiziger te zijn, iemand die door onbekend gebied op weg is en daardoor per definitie overal waar hij komt vreemdeling is. Hij heeft zich bij vertrek wel een religieus doel gesteld, maar ervaart al gaande dat het op weg zijn meer en meer zelf de bestemming wordt en dat het er daarbij in toenemende mate op aankomt zichzelf te vinden in het nederige besef dat de welwillende steun van mensen die hij ontmoette, noodzakelijk was om de tocht te volbrengen. Er is derhalve zowel een extern als een intern doel, en de pelgrim is in gelijke mate zowel individualist als gemeenschapsmens.

Van een dergelijke pelgrimage is in Bedevaart geen sprake. Telkens bevindt de dichter zich al direct in of bij de kerk die zijn bestemming was; hij loopt er binnen en buiten wat rond, kijkt, constateert, vraagt zich iets af en vindt ten slotte de bewust gezochte aanleiding voor het schrijven van een ernstige overpeinzing, vaak handelend over de letterlijke en figuurlijke leegheid van het godsgebouw, de vergeefsheid van leven en dood, het illusieloze zwijgen van Gods woord. Het zijn gedichten zonder Christelijk sausje, duidelijk geschreven vanuit hetzelfde, naar Spinoza wijzend perspectief als gold voor de dichter C.O. Jellema, prominent aanwezig in het volgende gedicht:

Kerk te Leens, kerstnacht 1717

In de nacht dat het woord vlees werd
telde dominee Eckens alhier
de doden: om honderdtachtig
in getal, benevens veel vee.

Zelf zal hij toevlucht hebben gezocht
bij Job: ‘de Here geeft, de Here neemt,
de naam des Heren zij geloofd’
maar schrijnen doet het niettemin.

Eeuwen later woonde hier een dichter,
een domineeszoon, erfelijk belast
met het woord. Ter afleiding schiep hij
zich voor lijf en leden een tuin.

‘Sub specie eternitatis’
staat naast zijn naam terzijde van de kerk.
Vlees wordt stof en het woord verwaait,
herscheppen zich tot eeuwig nieuw begin.

Van Wieren bezoekt in Groningen ook het kerkje van Fransum, dat eerder Jellema (in de bundel Spolia van 1996) de vraag ingaf ‘Bestaat nog god, kleine sarcofaag/ van het geloof […]/ […] als ik naar hem vraag?’ Jellema eindigde zijn gedicht met ‘[…] ik zit in het gras/ tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:/ dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.’
Van Wieren begint zijn ‘kerk te Fransum’ met ‘Ik heb haar de rug toegekeerd, zij krijgt aandacht genoeg./ Op de zerk van Hendrik Kuiper/ eet ik mijn brood, het uitzicht wijd.’ om te eindigen met ‘God verschijnt als een verlate/ bromvlieg, zet zich zacht neuriënd/ op mijn hand en gaat niet weg./ Samen zingen we een psalm.// Later, na het afscheid, lees ik/ op een steen de oude woorden/ die ik al verwachtte: wij brengen/ onze jaren door als een gedachte.’
Qua beweging zijn de gedichten tegengesteld. Bij Jellema van binnen naar buiten, bij Van Wieren omgekeerd, waarbij opvalt dat ook de gedachte hem als het ware van buiten af wordt aangereikt. De gedichten hebben een opvallende gelijkenis van toon, maar inhoudelijk is er bij Van Wieren meer sprake van harmonie. Zijn vriendelijke psalmenmodiërende bromvlieg verzoent, terwijl Jellema door het gebruik van het woord ‘schrijn’ toch ook door de associatie met ‘schrijnen’ een pijnlijke bijbetekenis oproept.

In het Friese Foudgum was er al eerder een ontmoeting met een andere collega-dichter geweest. Foudgum was de eerste standplaats van ds. François Haverschmidt, die zijn Leidse studentenverzen had geschreven als Piet Paaltjens, de tobbende ‘bleke jongeling’, en het nu als zielenherder moeilijk had een Goede Tijding of een Blijde Boodschap uit te dragen, want ‘Gods woord te zwaar’, ‘Angst om het hart’ en ‘hemel sprakeloos’. Van Wieren leeft zich fraai in, zoals trouwens ieder van zijn kerkgedichten raak is. Ze staan, mannelijk, krachtig, maar zijn toch duidelijk vanuit een zekere kwetsbaarheid geschreven.

In ‘Kerk te Jorwert’ komen we met Geert Mak nog een bekende tegen: ‘Het dorp zwijgt in alle talen,/ er is al zoveel gezegd.// God vertrok van hier.’ De kanselbijbel ligt er open bij Jeremia, de klaagprofeet, maar de dichter stelt vast: ‘In de kerk blijft alles stil,/ de geest waait waarheen hij wil.’ En kennelijk is dat ver weg en zeker niet richting de reguliere christelijke geloofsbeleving. Zo liggen bij de kerk te Raard twee jonge vliegeniers te wachten op ‘zijn wonder’, maar al in Jouswier stelt de dichter vast: ‘wonderen zijn de wereld uit’, om vervolgens in Hantumhuizen ook nog te constateren: ‘en je kon bidden wat je wou/ maar dood is dood, verdriet verdriet.’ Voor de orthodoxe gelovige schetst hij een somber beeld: ‘De kerk staat leeg,/ de sleutel elders af te halen.’ Maar waar, en voor wie nog? Dit hoor je in Wierum: ‘Zij roept haar kinderen thuis/ om te komen eten/ aan haar tafel.// Steeds wordt het eten koud.’

In het laatste gedicht van de Friese afdeling haalt Van Wieren een streep door het hele Christendom. In ‘Jezus te Boazum’, geschreven bij de schildering van een tronende Jezus in de Sint Martinuskerk aldaar, was deze nooit menselijker:

Jezus te Boazum

Amper droog achter de oren
hebben ze mij op een troon gezet

trokken mij een jurk aan
duwden een boek in mijn handen.

Je zegt wat ze willen horen
spreekt met twee woorden

tot de dag dat je beseft
dat alles voor waar is genomen

dat ze je eraan willen houden
‘zie dan, er staat wat er staat’.

Te laat besef je dat ze achter
je woorden werkelijkheid zien

een eerste en een laatste willen
een begin en een eind.

Wat denk je waarom
schrik ligt op mijn gezicht?

‘Pelgrimage Friesland’ en ‘Pelgrimage Groningen’ omsluiten met elk veertien gedichten het hart van de bundel, ook ‘Bedevaart’ geheten. Het zijn 32 gedichten waarin Van Wieren in het algemeen dicht bij zichzelf blijft, waarin de onuitgesproken vraag ‘wie ben ik’ centraal staat. Jeugdervaringen wisselen af met de confrontaties met zijn ouder ik, behept met een soms haperende lichaam, niet vrij van doodsgedachten, vol twijfels en onzekerheden, maar nooit schrijvend vanuit een grondeloze somberheid, omdat hem het leven (de natuur, de liefde, het wijsgerig overpeinzen van het wonder van het bestaan) te lief is.
Enerzijds is hij nog altijd ‘de stille jongen/ in zijn vale overall/ die op een ochtend vroeg/ achter op de rammelende/ hotsebotsende boerenkar/ zich vastgreep/ aan ieder houvast/ voor handen/ – o wat joeg vader/ weer grimmig de paarden -/ zijn klomp verloor/ maar niets durfde zeggen’, maar anderzijds degene die weet: ‘mijn taak is zoeken wat ontbreekt’, al is het ook in het besef ‘Ook wat zich vinden laat/ wordt mij tot raadsel.’

Atze van Wieren schrijft poëzie die je verstaat en waar je een verstandhouding mee krijgt, omdat er duidelijk een herkenbare levensvisie aan ten grondslag ligt. Knap is hoe ieder gedicht probeert het punt te beheersen waarop ratio en emotie in evenwicht zijn. Grote inhoudelijke complexiteit, of epaterende taalconstructies zal men bij hem vergeefs zoeken, maar achter de helderheid, concreetheid en directheid gaat telkens een diepere laag schuil die aan een verborgen waarheid raakt. Wie dat een bundel lang volhoudt, verdient een groot compliment.

****

Van Atze van Wieren (1943) verscheen in 2006 bij Uitgeverij IJzer De elegieën van Duino, een vertaling van de Duineser Elegien van Rainer Maria Rilke. Dit jaar kwam daar onder dezelfde titel ook een cd uit, waarop Van Wieren zijn vertaling integraal voordraagt en daarbij laat blijken hoezeer hij zich de tekst als het ware heeft toegeëigend.
In 2008 verscheen, eveneens bij IJzer, zijn debuut Grondstof.

Geplaatst in Recensies.