Krijn Peter Hesselink – de uitputting voorbij

POËZIE VAN DE WAAN

door Ivan Sacharov

Soms lukt het me niet om vriendjes te worden met een bundel. Soms zijn er blijkbaar te weinig aanknopingspunten tussen wat de dichter belangrijk genoeg vond om op te schrijven en wat ik als lezer nodig heb om geboeid te blijven. Maandenlang kan zo’n bundel dan op tafel klaar liggen om (nog) eens te worden geopend, en maandenlang gebeurt dat dan niet.
De uitputting voorbij , een bundel gedichten van Krijn Peter Hesselink is er zo een. Voor mij althans: ik ben de uitputting nabij van al het uitstellen. De uitputting voorbij? Was het maar waar! Dit is nu poëzie – ik krijg het woord nauwelijks uit mijn keel – waar ik weinig mee kan, zo goed als niets mee heb: alle speeksel en spuug waarvan sprake is, ten spijt. Maar laat ik wat frisser beginnen:

MEEWUIVEND IN HET RIET

Het water kwam niet hoger dan mijn middel
mijn handen lagen willoos op het gras
want niemand kon mij redden dan mijn moeder
als straks de roeiboot ook nog uit zou varen
dan dekte niets mij hier nog in de rug
dan lag de hele vijver voor mij open
de neefjes die met grote bange ogen
ervandoor waren gegaan hadden zich vast
verschanst in moederjurken, maar de reiger
die nog een lotgenoot in mij vermoedde
zou ooit de kikker in mijn blik herkennen
ik wist nog niet van het experiment
het water dat te traag in temperatuur stijgt
om aan te zetten tot een sprong, ik wist
dat wie zich niet verroert geen aandacht trekt
van reigers, neefjes en andere gevaren

Neefjes die met grote bange ogen ervandoor gaan en dan toch nog met reigers en andere gevaren op één lijn worden gesteld? Hm, dat moet zeker leuk zijn, maar de woorden sturen me hier toch echt een beetje met een kluitje in het riet.
En dan is daar die ‘reiger die nog een lotgenoot in mij vermoedde’. Hoezo lotgenoot? Omdat de ‘ik’ zich tot zijn middel in het water bevindt? Een bizarre vergelijking. Geen reiger die tot zijn middel in het water staat legt bovendien zijn poten (vleugels?) willoos op het gras (of hij moet dood zijn). De dichter had zich wat dat betreft beter meteen met een kikker kunnen vereenzelvigen.
Het lijkt erop dat de crux van dit gedicht in de laatste vijf regels is te vinden. Maar ‘het water dat te traag in temperatuur stijgt om aan te zetten tot een sprong’, sluit niet echt goed aan bij het water in de eerste regels. Die suggereren dat de ‘ik’ zich in een buitenwatertje bevindt, waar een stijging van de temperatuur niet te verwachten valt.
Al met al een gedicht dat een beetje van de hak op de tak springt en waarin slordigheden een dempend effect hebben op de zeggingskracht. Iets wat helaas voor meer gedichten in de bundel geldt:

DE UITPUTTING VOORBIJ

Ze weet wat liefde is, de kat die zij
achter heeft moeten laten bij haar ouders
had van zijn vroeggestorven moeder nooit
geleerd zijn klauwen uit te slaan, zijn prooien
konijntjes meestal, put hij uit totdat
hun hart het van de schrik spontaan begeeft
als zij, hooguit een keer per jaar, nog thuiskomt
en na de thee de boerderij ontvlucht
om bij hem troost te zoeken op het erf
dan zit hij op zijn vaste plekje onder
de ladder die geen mens ooit nog gebruikt
en kijkt afwachtend naar haar op, zij steekt
een hand tussen de treden door, hij kantelt
zijn kop en laat zich aaien, of
toch niet, haar vingers vinden enkel lucht
hij put haar uit, hij weet wat liefde is

Konijntjes die worden uitgeput totdat hun hart het van de schrik spontaan begeeft? Iets spontaans wordt bij mijn weten niet uitgelokt, laat staan veroorzaakt door een schrik. En hoe is het mogelijk om nog van iets te schrikken als je erdoor bent uitgeput? Die arme konijntjes toch! Worden ze niet opgegeten dan schrikken ze zich spontaan wel dood. Nog een wonder dat ze niet zijn uitgestorven.

Slordigheden maken een gedicht minder scherp, minder geconcentreerd. Wat niet direct hoeft te betekenen dat het gedicht minder als een eenheid, als een geheel wordt ervaren. Daarop is de gebruikte beeldspraak meer van invloed.
Zelf ben ik een grote fan van gedichten waaraan – grof gezegd – één grote metafoor ten grondslag ligt, die op allerlei manieren wordt belicht en gebruikt en uitgewerkt. Dit soort gedichten is erg zeldzaam, vooral de lange(re) exemplaren. Blijkbaar is het moeilijk om zulke gedichten te maken. Maar een geslaagd specimen is een wonder om als lezer te ervaren. Laat ik deze gedichten in categorie 1 plaatsen.
Vaker lees ik gedichten waarin meerdere metaforen voorkomen die de dichter op een knappe manier op elkaar laat passen (ongeveer zoals de stukjes van een puzzel, of de ongelijke stenen van een goed gevoegde muur). Ook die zijn een genoegen om te lezen. Laat deze gedichten categorie 2 vormen.
Nog veel vaker kom ik echter gedichten tegen waarin de metaforen enkel door de draad van het onderwerp, of zo men wil van een verhaal, aan elkaar zijn geknoopt. Als het metaforen zijn: meestal zijn het gewoon regels waarin staat wat er staat. Maar goed, deze gedichten vormen categorie 3.
Men zou de concentratie, en misschien zelfs de kwaliteit van gedichten op een dergelijke indeling kunnen (proberen) te baseren. Categorie 1 bevat dan wat ik ‘supergedichten’ zou willen noemen, categorie 2 iets mindere gedichten (maar toch nog geweldig) en categorie 3 bevat dan weliswaar soms goede gedichten, maar ook veel rotzooi (alle categorieën kunnen trouwens rotzooi bevatten: een sluitende definitie voor wat goed of slecht is moet nog gegeven worden – maar dit terzijde).
Waarom deze indeling? Ach, een mens heeft nu eenmaal behoefte aan orde. Al is het een schijnbare. Redenen en richtlijnen worden zelden gegeven in recensies, en het is misschien wel eens goed om daarvan af te wijken. Maar wie het niet kan laten mag meteen alles met de grond gelijk maken en met een superieur gebaar de prullenbak in kletteren. Het enige waar het mij om gaat is dat als er iets van zou kloppen, de meeste gedichten van Krijn Peter Hesselink in categorie 3 vallen. En dat is geen bemoedigende uitslag.

Als geheel lijkt De uitputting voorbij haast meer op een fragmentarisch uitgevoerde roman over een doodlopende liefde dan op een poëziebundel. Geen erg meeslepende roman, want de gebeurtenissen die de dichter overkomen – hoe interessant ook op zichzelf – worden teveel toegespitst op de beleving van de dichter, te particulier uitgewerkt. Iets wat paradoxaal genoeg deze ‘gemakkelijk toegankelijke’ poëzie toch weer hermetisch maakt.
Kan ik er dan helemaal niets positiefs over opmerken? Jawel, soms – heel soms – bevat de tekst van het gedicht een regel die aanspreekt, een regel die niet wazig dwarsligt, maar juist haarscherp aansluit bij een logica die helder als ze is, iets onbegrijpelijks houdt. Kortom: een regel die zich verheft boven het strikt persoonlijke en aansluiting vindt bij wat ons allemaal boeit:

WAAN VAN DE DAG

Op zoek naar sporen van het laatste nieuws
pookt ze dagelijks in de as, ze vindt
slechts een onmondig gloeien, ja ze weet
er wordt over ons geld gewaakt, bankiers
zijn kind aan huis, wie zaad verkwist
moet de gevolgen dragen, ergens hangt
een ex in de gordijnen, het is een vleermuis
wiens spaargeld door het gleufje van het varken
werd uitgespuugd toen het plafond
een vloer bleek, hij een tegenvoeter

Dan wel zo lief een eigen praatprogramma
en wie een betere eregast dan ik
de applausmachine klapt de handen blauw
een eerste vraag: zie je die schaduw
met snelle vleugelslag de wanden afgaan
op zoek naar jou of mij, zo ja dan lijd je aan
mijn zinsbegoochelingen en zo nee
dan hebben wij elkaar weinig te zeggen

Is liefde zo voorwaardelijk? In elk geval lijkt het erop dat ik als lezer aan dezelfde zinsbegoochelingen moet lijden als de dichter om zijn poëzie te kunnen waarderen, want zo nee, dan hebben wij elkaar maar weinig te zeggen.

 

Geplaatst in Recensies.