Anneke Brassinga – Ontij

Bij nader inzien

door Johan Reijmerink

Als je in de nieuwe bundel Ontij (2010) van Anneke Brassinga begint te lezen, raak je verzeild in een wereld die niet lijkt wat ze is, waarin de ik eigenlijk niet zou willen verkeren, maar er niet aan kan ontkomen. Direct voel je de spanning die er in haar poëzie hangt. Onontkoombaar. Heftig. Dwingend. Onvoorspelbaar. Een tikje ironisch tot cynisch. Lees een gedicht als ‘Popi paasautopi’:

Wij onbeschroomden, ons reppend vol manco –
mens jaagt bermen en grazige verten na, daar wacht
het knagen, lurken. Gemene deler van

de beterende wereld blijft voorlopig eikenloofsalade
met margarinegatenkaas en pokken van de eeltige
pijnboom; respijt voor wrevele liefdes biedt

de geboden heiligdag die ons terugwerpt
op ontploffingen onder de motorkap, getuf.
Zonder ophef verleden leven voorrang geven?

Ook deze paas zal mijn broer niet opstaan
en ben ik, bestraald door kille zon,
de uitgestrektheid van zijn ontbreken.

De wereld vol illusoire beloftes en zoethoudertjes wordt met wrevel en scepsis bekeken. We moeten het doen met wat voor handen is. En toch blijven we ons het nodige inbeelden. Hopen wellicht tegen beter weten in. Al die paasverhalen over opstanding verbleken in de kille zon van het gemis van alledag.

Beelden komen bij Brassinga als Russische matroesjkapoppen uit elkaar voort. Vindingrijke vondsten, soms bizar maar dikwijls treffend. Neem een gedicht als ‘Pril’: ‘Wat jouw oogleden in hun gekooidste momenten/ mij hebben toegedicht, als onze tippen/ elkaar drenkten? Vertrouw geen lente.//’ Een verwijzing naar een prille liefde. Toch ook hier, ondanks een glimp van hoop, dat diepe wantrouwen naar het leven toe. Je krijgt voortdurend de indruk dat de poëzie het is die de ik in/bij het leven houdt. Het spel met de taal biedt hem soelaas. De ik blijft geloof hechten aan ‘het geloof van doodgevroren zwaan het licht/ skelet’ en aan het geloof van ‘het pasgeboren schaapje, zwart en/ nat van sneeuw en jammerend alsof wij/ kwamen voor de slacht -// in alle sterren staat geschreven/ dat leven altijd evenzeer te vroeg is/ als sinds eeuwen achterhaald.//’.

Je ondergaat voortdurende perspectivische wisselingen, en gezichtsbedrog ligt op de loer, zoals in het gedicht ‘Echo’:

Van buitenaf bewonder ik de landerijen
die zonder het te weten mijn domein zijn –
duisternis heerst er, en stomme natuur.
Men kan niet bij zichzelf verblijven dan
staand onder dat wezensvreemd bestuur.
Ach, leefde onder huid gevangen dier –
maar ‘k ben het zelf die ziel verteert.

Ik vind Brassinga een dichteres van het trompe-l’oeil, van het bij nader inzien. Haar poëzie houdt je alert. Ze dwingt je op het scherp van de snede te lezen door de wisseling van beelden heen. Ze tuimelt je vanuit weidse ruimte in beweeglijke natuurtaferelen, al dan niet kosmisch van aard, naar het eigen innerlijk van de ik, en omgekeerd. Dat valt onder meer te lezen in het zevende gedicht uit de eerste afdeling ‘Fysica’, verwijzend naar Aristoteles’ Fysica en De mechanisering van het wereldbeeld door E.J. Dijksterhuis:

VII

‘De gewaarwording warmte veroorzaakt denken
door snelle bewegingen van bepaalde atomen.’
Toen ik mijn oor legde aan je slapend hoofd
zag ik in gedroomde velden jachtsneeuw vonken.
Koud en warm begrippen van betrekkelijkheid.

Naast woordvernieuwing als ‘purserette’ en ’schijfschoot’ levert het invlechten van bekende dichtregels als ‘Gefluit is er van een jongen die blies/ in de lente als een orgelpijp’ (Herman Gorter) of variaties op bestaande gezegden en uitdrukkingen als ‘de treurwilgen wenken langs de waterkant/ en soms de zon daarachter in de mist rood/ opkomende te zien is – ook dan bloedt ‘t/ in schoenen zinkend hart, want wie kan doen// wijken het gescheidene?’/ of vertekeningen als ‘de doodgevroren zwaan’ (Stéphane Mallarmé) in haar poëzie nog altijd belangrijke middelen voor Brassinga haar moedwillige behoefte om met de weerbarstige taal een vinger te krijgen achter ervaringen die zich moeilijk laten beschrijven, ervaren en navoelen. Ze weet zich in alle mogelijke taalbochten te bewegen om haar doel te bereiken. Het moet gezegd worden, ze heeft daarin de afgelopen kwarteeuw een formidabele vaardigheid weten te ontwikkelen. Je mag met reden zeggen dat ze een ‘lenige’ dichter is. Dat maakt haar poëzie wel iets voor ingewijden. Ze is veeleisend. Iets van de onblusbare gedrevenheid valt te lezen in een beeldrijk gedicht als ‘Ver heen’:

Mocht ik in het hart van het holst
van donkerste dagen te lijf gaan, achter
al het uiterwaardse, een stuk of wat
verlaten kusten onder razende luchten
waar albatrossen op hun wieken naar
andere planeten worden weggeblazen –

graag zou ik boven lege oceanen regen zijn
op reusachtige hoeven, zinnentuimel van
tempeest, het stromend paard dat louter
water is, uiteenvalt in geschuimbek –

zocht ik bij voorkeur echter diepten
die geen daglicht velen, omtrent een
steenworp van d’ onoorbare gloeiende
kern; daar zal betijen wat mij jaagt.

Als met de karos van Apollo jaagt de ik door het firmament. Voortdurend metamorfosen ondergaand, van ik in albatros naar regen en weer terug in het eigen lijf. Een ‘zinnentuimel van tempeest’. Met de gedrevenheid van een dichter gaat de ik op zoek naar woorden en beelden om te raken wat hem drijft te zeggen wat onzegbaar is. Op meerdere plaatsen klinken woorden op die naar het dichterschap verwijzen. Heel duidelijk klinkt dat op in het gedicht ‘Graf’:

Hier ligt het lijdend voorwerp van een lang
bezinnen; loos het gezegde, geen deelwoord
voltooid. Nog voor de stem zich zou verheffen
werd hij door overmacht gesmoord en woei
wat was gedacht op eigen kracht in zich terug.
Die lichte welving ginds onder het stuifzand;
men wordt erdoor gesticht. Hier rust gedicht.

De bundel bestaat uit de afdelingen ‘Fysica’, ‘Ontij’, ‘Hommage aan Louis Th. Lehmann’, ‘Zinnenschemer’; daarop volgt nog ‘Germanismen’, gewijd aan door Brassinga vertaalde gedichten van de Duitse dichters Hilde Domin en Ingeborg Bachmann. Voor een deel zijn het gelegenheidsgedichten, maar merendeels zijn het gedichten die in een samenhang tot elkaar staan. Je zoekt bij zo’n gestructureerde bundel naar een thematiek.

In de eerste afdeling ‘Fysica’ zoekt de ik naar het uiteindelijke waarom van dit bestaan. Ze neemt daarvoor Plato en Aristoteles in de arm. De ik onderzoekt de grenzen die de fysica oplegt aan de metafysica die in onze harten leeft en ons beweegt. Binnen is niet buiten. De zoektocht naar de samenhang der dingen leidt tot de conclusie de vergankelijkheid te vergeten terwijl je leeft. En bovenal het licht dag in dag uit in te drinken. Leef nu is de oproep.

De tweede afdeling ‘Ontij’ kent evenals de eerste een tegenstelling tussen licht en duisternis, goed en kwaad. De hele bundel kent passages met onheilspellende scènes. Ik lees in het titelgedicht ‘Ontij I’ een oproep in de mond van de levenden te openen hun ‘bestorven woorden’. Gebeurtenissen op ongewone uren. In ‘Ontij II’ wiegt een vissersweduwe ‘smeulende brokken’ van verdriet over het verlies van haar echtgenoot. De wijze waarop Brassinga de geestestoestand vol naargeestigheid en zelfmedelijden van deze vrouw neerzet, is virtuoos te noemen. De afdeling eindigt met drie gedichten ‘Oud nieuws’, verwijzend naar de brieven van Vincent (Van Gogh), teksten van Ida Gerhardt en uit het boek Job. Het levensgevoel doet denken aan treurwilgen die wenken aan de waterkant en je de moed in de schoenen doen zinken. Vooruitscharrelen is ‘wat men moet zoeken te doen nu’. Maar dan volgt daarop toch weer die oudtestamentische omkering van zaken: ‘De vrucht van zijn schoonheid een verblinding,’/ zegt de stem en hij stormt aan om ons/ te doden opdat wij onverwoestbaar zijn.//’ Door de duisternis en de onwetendheid heen gloort opnieuw het licht.

De derde afdeling ‘Hommage aan L.Th. Lehmann’ is een eerbetoon aan de oude dichter Lehmann. Brassinga zal zich deels herkennen in zijn wijze van poëzie voortbrengen: ‘poëzie scheert langs alles/ omdat het enkel het betasten kent/ tijdens een val in het duister van haaienschubben en kreeftenscharen.//’. Wat richt je aan met je woorden als dichter en waarin kom je terecht? Dat betasten is een subtiel beeld voor de werking van poëzie.

De afdeling ‘Zinnenschemer’ rest ons ‘gods achterlicht/ te zien verdwijnen – roekeloze motorist die// avond aan avond het hemelse Jeruzalem/ naar de verdommenis rijdt.//’. Joost mag weten hoe het zit met die zogenaamde genade. Hoe zit het met het geheimenis van het heilige sacrament? Wat gonst er allemaal aan beelden en woorden door het hoofd van een dichter? Enig zicht op het creatieve proces lezen we in het gedicht ‘Stof’:

Zo mooi is het om gedichten te schrijven
’s nachts als de dagtaak af is en iedereen
die bij de Nederlandsche Bank werkt al slaapt;
het is donker, dat spreekt, en ook stil,
in mijn hoofd suist het van woorden, woorden,
mijn vingers zijn hard van de schrijfmasjien.
De versterker kreunt na: laatste zenders
geven gruis. Het is nacht, maar de bomen blijven
staan. Dat denk ik althans; en ik denk aan alles
dat plaatsvindt, tot stuiven de overhand neemt.

De laatste afdeling ‘Germanismen’ bevat vertaalde gedichten van Domin en Bachmann die Brassinga na aan het hart liggen. Ze ademen een geest die haar vertrouwd is. Leef in de dag, want ‘er komen grimmiger dagen’. Al het goede en mooie wat geweest is, kan de liefde niet redden. En dan het intense verlangen te weten wat niet te verklaren is, de liefde allereerst. Brassinga heeft een knappe bundel geschreven met een virtuoze taalbeheersing en existentiële vragen naar zin en lust in dit leven. Brassinga leert je te kijken: bij nader inzien…

 

Geplaatst in Recensies.