Gedichten

 Pannenkoekenhuis

wij waren stroopkinderen
soms dropen we van tafel
zomaar vlekkend op de grond

vloekend
naast de lege fles
zei moeder dan
dat vader net zijn achtste dood
was gestorven

zijn klompen bij het vuur
en wij -niet beter-
wetend

zwegen

Over vogelvraat en steenvissen

de dag waarop mijn vader stierf
zei hij dat het huis zou zinken
dat er steenvissen in de muren zwommen

met wie je niet kon praten
omdat het lege bellen waren
achter glasvezelbehang

het was de dag ervoor
dat mijn moeder weigerde
de ramen te sluiten

er vogels aan de muren vraten
en ik plavuizen legde
in de gang

Tuinkerskinderen

onze moeder leefde vroeger
en bewaarde aardkorst
in een doosje

als ze het deksel opendeed
kroop er een lichaamslijn
als slingertouw omhoog

soms zagen wij er handen aan
of uitgevouwen borsten
die knipte ze dan af
en zei dat iets overbodig kon zijn

wij leefden later in de bossen
en droegen onze kleren

binnenstebuiten

 

Geplaatst in Gedichten en getagd met .