Nog steeds af en toe het meisje met de lolly

De rubriek ‘De dichter’ besteedt aandacht aan dichters die minstens twee bundels hebben gepubliceerd bij een literaire uitgever. Voor de eerste keer een Meandermedewerker in deze rubriek.
Sylvie Marie (Tielt, 1984) werkt al meer dan vijf jaar bij Meander. Dat ze het al zo lang volhoudt, is te danken aan de grote plaats die poëzie in haar leven inneemt. Ze staat regelmatig op het podium, is naast haar werk voor Meander
ook redacteur bij Deus ex Machina en sinds eind 2009 huisdichteres van het blad Humo. In 2009 verscheen haar bundel Zonder uit en deze week werd haar tweede bundel, Toen je me ten huwelijk vroeg, gepresenteerd.

Sylvie MarieSylvie, ik vind mensen vaak raadselachtig en jij bent daarop geen uitzondering. Maar misschien is het een voordeel als iemand kunstenaar is, omdat je hem dan via zijn werk kan leren kennen. Wat denk je: kan men jou via je gedichten beter leren kennen? Geef je je bloot via je werk of trek je daarin juist vreemde kleren aan?
Beide. In sommige gedichten zit beangstigend veel autobiografie. Andere gedichten zijn dan alleen maar tot leven gekomen omdat ik geïntrigeerd was door een onderwerp dat me door de omgeving of door media ter ore is gekomen. Alleen diegenen die me goed kennen, zullen het ene van het andere kunnen onderscheiden. En dan nog… soms vragen zelfs naaste familieleden of vrienden me na het lezen van een gedicht wat er aan de hand is, terwijl ik met het gedicht helemaal niets over mezelf wilde zeggen. Toch denk ik dat een lezer mij beter kan leren kennen, als hij mijn gedichten leest. Een gedicht van mijn hand laat, autobiografisch of niet, immers sowieso een beetje mijn manier van denken zien. De vraag is of mensen een bundel moeten kopen om mij te leren kennen. Misschien kunnen ze me beter gewoon eens meenemen naar een café. Voor de poëzieliefhebbers moet het in principe niet uitmaken, of ze mij in een gedicht  kunnen leren kennen of niet, als ze zélf maar aangesproken worden, om welke reden dan ook.

Leo Peeraer vertelde vorig jaar dat beginnende dichters vaak wel een stapel met aardige gedichten hebben liggen, maar dat daar dan meestal geen samenhangende bundel uit kan worden samengesteld. Hoe pak jij, als gevorderde dichter, dat aan? Schrijf je doelbewust gedichten met een samenhangende bundel in het vooruitzicht?
Neen, dat doe ik niet. Voor mijn twee bundels heb ik alles vrij organisch laten groeien. Ik schrijf erop los en stel na een paar jaar vast dat ik toch al heel wat gedichten heb liggen. Dan is het puzzelen. Niet alle gedichten die ik schrijf, hebben immers dezelfde stijl. Daarin moet vooreerst dus al een selectie gemaakt worden. Een tweede selectie gebeurt op thematische criteria. Past alles qua inhoud ook een beetje bij elkaar? Als ik dan nog een mooi aantal gedichten overhoud, kan ik gaan denken aan een bundel. En die bouw ik inderdaad graag op rond enkele leidmotieven. Een bundel uitbrengen die gewoon ‘gedichten’ heet, zou me heel vreemd aandoen.
Het is hard werken geweest om alles precies zo te krijgen, dat de gedichten samen voor een publicatie bijna voorbestemd lijken, maar het loont de moeite. Af en toe herschrijf ik nog een zin om de samenhang nog meer te benadrukken, maar het is opletten dat dat niet te gekunsteld lijkt. Voor Toen je me ten huwelijk vroeg haalde mijn Nederlandse redactrice er bijvoorbeeld bij een paar gedichten enkele woorden of woordgroepen uit met de mededeling dat ze er niet echt bij ‘hoorden’. Het waren stuk voor stuk de woorden die ik er achteraf had bijgevoegd. Dat was wel een confrontatie.

Wie, behalve je Nederlandse redactrice, heeft er kritisch met je meegelezen bij deze bundel?
Er hebben heel wat mensen kritisch meegelezen. Mijn hoofduitgever is immers Vrijdag, dus de redacteur daar heeft me het meest bijgestaan. Voorts was er uiteraard mijn man, David Troch, die ook dichter is en waren er enkele collega-dichters met wie ik ook intensieve feedbackmomenten heb gehad.

Nog even over de samenhang van de bundel. Uitgaande van de titel is er een ‘me’ die door ‘je’ ten huwelijk wordt gevraagd. Kun je nu zeggen dat die ‘me’ de ik-persoon is, en de ‘je’ de jij-persoon, in alle gedichten in de bundel? Of is dat een wat te prozaïsch idee?
Neen, dat mag je eigenlijk wél zeggen. Hoewel de ‘ikken’ en de ‘jij-en’ in de bundel bij het schrijven van het gedicht nog heel erg uiteenlopende personages waren, heb ik er in de bundel toch naar gestreefd om van alle ‘ikken’ één ‘ik’ te maken en van alle ‘jij-en’ één ‘jij’. Dus ja, je kunt de bundel lezen als een verhaal, een plot tussen eerste en tweede persoon.

Dichten is bijna een vak voor je geworden. Schrijf je nu gedichten zoals een journalist zijn stukjes schrijft, beroepsmatig? Of voel je nog steeds een, zeg maar, innerlijke dwang om te schrijven?
Ook al moet ik tegenwoordig af en toe in opdracht schrijven, zonder echte drang om te schrijven, lukt het me niet. Er zijn altijd twee dingen nodig om het tot een goed eind te brengen. Vooreerst moet ik een onderwerp hebben om over te schrijven, een intrigerende gedachte, en ten tweede moet ik in een, zeg maar, poëtische mood zijn. Ik moet dus altijd op één of andere manier in een sfeer komen om te schrijven. Die kan ik ontlokken door een wandeling in de stad of in het park of door het beluisteren of lezen van gedichten. Voor de eerste voorwaarde moet ik ofwel een paar dagen broeden, ofwel overkomt het onderwerp me onverwachts. Voor de tweede volstaan enkele uren waarin ik de wandeling maak of me tussen de dichtbundels nestel.

Als je veel dichtbundels leest word je vast beïnvloed door anderen. Nu zal ik eens niet vragen wie die anderen zijn, maar mij interesseert meer hoe je je aan de invloed van anderen ontworstelt. Had je van het begin af aan een eigen stem of heb je die moeten ontwikkelen?
Ik heb vast en zeker mijn eigen stem moeten ontwikkelen. Dat is een lastig proces, maar ik heb het gevoel dat ik mijn eigen stem nu toch al zo’n dikke drie jaar te pakken heb. Ze is misschien pas echt vorm gaan krijgen bij de publicatie van ‘Moedermomenten’ in Het Liegend Konijn en toen mensen in de krant mijn manier van schrijven gingen bespreken. Daarvoor was ik er erg onzeker over. En ja, het is zeker waar dat ik beïnvloed word door het lezen van andermans gedichten, maar gelukkig schemert hun stem niet in mijn gedichten door. Zo is er in mijn bundel een cyclus die ‘jij, de stilte’ heet, die ik heb geschreven als antwoord op een gedichtencyclus van Willy Spillebeen, maar de gedichten stemmen alleen qua thema overeen, niet qua stijl.

Je hebt redelijk wat succes met je gedichten. Merk je iets van jaloezie in het dichterswereldje?
Als er jaloezie is, dan heb ik daar geen weet van. Mensen komen het niet zo gauw zeggen, als ze jaloers op je zijn. De dichters met wie ik omga, zijn mensen die het me gunnen en die vooral blij zijn met de aandacht die de poëzie in het algemeen krijgt dankzij mijn bereik via Humo en dergelijke.

Ik zie dat jouw bundel is uitgegeven ‘met de steun van de provincie West-Vlaanderen’. Het kruideniersregime in Nederland zou aan zoiets niet moeten denken, want Henk en Ingrid lezen geen poëzie. Is de situatie in Vlaanderen echt beter?
Ik denk niet dat ’t van onze Henk en Ingrid afhangt dat ik in West-Vlaanderen steun krijgt. De provincie West-Vlaanderen heeft momenteel gewoon een geweldig goed cultuurbeleid en staat daar eigenlijk al jaren om bekend. Er is veel steun voor auteurs dankzij een groot publicatiefonds, maar er zijn ook tal van andere initiatieven voor auteurs zoals publicaties of evenementen waarbij West-Vlaamse auteurs in de schijnwerpers komen te staan. Of dat zo zal blijven, is maar de vraag. Ik hoop het. Ik hoop het van harte.

Een jaar of vijf terug schreef je op je auteurspagina bij Meander: ‘Ik durf wel eens het meisje met de lolly te zijn’. Nu schrijf je in een gedicht in de bundel ‘ik ben niet langer het meisje met de lolly’. Nu mag ik de ik-persoon in een gedicht natuurlijk niet zomaar laten samenvallen met de dichter, maar toch vraag ik me af: ‘Wat is er in de tussentijd gebeurd?’
Niets, helemaal niets. Ik vind het beeld van een meisje met een lolly gewoon erg sterk. Het zegt iets over de speelsheid, zelfs over de naïviteit van iemand. Zelf houd ik ervan om af en toe eens het meisje met de lolly te dúrven zijn. Wat op mijn auteurspagina staat, geldt dus nog. Dat er in mijn bundel nu een ik-figuur zegt dat dat niet meer zo is, vond ik gewoon een sterk beeld om te zeggen dat er iets gebeurd is, er is iets geknakt waardoor de ik-figuur niet meer onbezonnen door het leven kan gaan. Dus maak je maar geen zorgen!

Geplaatst in Interviews en getagd met .