Martijn Benders – Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem

Never a dull moment

door Joop Leibbrand

Martijn Benders debuteerde in 2008 bij Nieuw Amsterdam met Karavanserai, dat genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs en waarover De Groene Amsterdammer oordeelde: ‘een rijk maar overladen debuut’, weliswaar ‘ongepolijst’, maar een ‘belofte’. Rob Schouten zag het in Awater als ‘een hoorn des overvloeds’.
Kennelijk ging er ondanks deze positieve ontvangst tussen uitgever en auteur iets mis, want Benders produceert nu de opvolger in eigen beheer als print-on-demand via Lulu.com. Voor iemand die in Turkije woont, misschien ook wel zo gemakkelijk en bovendien op een bepaalde manier bevestigend dat Benders zich van begrenzingen weinig wil aantrekken.

De bundel opent curieus, met een artikel uit The New York Times van 26 mei 1916 over een nooit gerealiseerd gigantisch grafmonument, dat de opdrachtgever nog tijdens zijn leven had willen oprichten. Op een sokkel van ruim twintig meter was een liefst zestig meter hoge uil gepland, waarvan het binnenste niet alleen de sarcofaag moest bergen, maar ook een voor publiek toegankelijk trappenstelsel. Een fraai stukje grootheidswaanzin, hier ongetwijfeld aangehaald als een waarschuwing tegen hybris. De met 91 gedichten overvolle bundel wordt niet voor niets afgesloten met een ex libris dat in zijn verbeelding van grootheid en onvergankelijkheid de ironische tegenhanger is van het monument.
Niettemin, de bundel stáát, en Benders weet het. Dit is het eerste gedicht:

Laat me

in een dwaalleer kunnen geloven,
iets waarvan ik aan de boemel raak.

Als een oude hommel
overmoedig op vergeet-me-nietjes aanvliegen.

In de gouden strofe van mijn vlucht
het refrein van de dood opbassende,

verwar mij alsjeblieft met de zon,
chrysanten,
huiselijke margrietjes,
opengesperde paardenbloemen.

Deze opgeblazen droom
komt in je langdradig hart brommen.

In het slotgedicht komen de vergeet-me-nietjes uit ‘Laat me’ min of meer terug in tegen de wind sputterende lelietjes-van-dalen en correspondeert de wens uit de eerste regels met de opdracht ‘Luister naar je wacht op het veld’, waarmee de bundel besluit. Deze loopt daarmee mooi rond, maar dat is ook het enige vormaspect dat valt te constateren; er zijn geen afdelingen, van enige ordening is geen sprake en omdat paginanummers ontbreken, wordt de veelheid van gedichten in één keer over de lezer uitgestort. Erg is dat niet, en het is zelfs te prefereren boven de bloedeloze overgestructureerdheid die een tijd in de mode geweest is.

Benders overtuigt, en hij doet dat met eigenzinnige, sterk beeldende gedichten, die een voedingsbodem lijken te hebben in een merkwaardige mengeling van brutaliteit, vrolijkheid en haast provocerende onverschilligheid, al is er duidelijk ook een geëngageerde, zelfs gevoelige kant. Regelmatig vertonen de gedichten zulke onverwachte, zelfs bizarre gedachtesprongen, dat ze iets absurdistisch krijgen, terwijl ze toch nooit losstaan van de realiteit.
In ‘Een buurman van allen. Een stad in as’, het derde gedicht van de bundel, zegt hij het zo: ‘Ik heb gevoel voor humor, maar ben kwetsbaar voor lyriek./ Mijn beste versiertruc is de anekdote.’ In ‘Einde regel’ stelt hij: ‘Het geluk dient zich aan tussen de regels. Einde regel!’
Ongeloofwaardig wordt hij nooit, vandaar:

Ongeloofwaardig als ijsbergsla

Ik vergader met denkbeeldige vrienden.
Ik ben eenzamer dan een dameskoortje.

Bijbels worden zo geschreven.
Handleidingen voor de liefde.
Succesverhalen. Tussendoortjes.
Ongeloofwaardig als ijsbergsla.

Ik ben een krakeling van de tijdgeest.
Ik ga dwaallichtjes achterna.
Ik woon in een ivoren toren.
Ik pis op vogelnestjes als ik de kans krijg.

Er zijn voortdurend formuleringen die je bijblijven: ‘democratie heeft een wielklem nodig’; ‘liefde is een dialect/ dat uitsterft als de ander praat’; ‘meisjes zijn dwangbuizen, zei mijn vader altijd.’
Zo werd een junk nog niet eerder beschreven: ‘Je lichaam werd een industrieterrein/ waar gelost werd en geladen.’
Wil iemand zijn vriend worden, dan moet hem dit vertrouwd zijn: ‘Ken je de stippellijn die een vrouwenhand/ om een glimlach kan trekken?’
Mooi is deze observatie: ‘Je zit voor me in de trein/ met een gezicht dat de honger niet kent,/ je slaat me over bij het kijken/ alsof ik een gepasseerd station ben.’
En dit meisje, ‘dit opgewonden speeltje’, vergeet je niet: ‘het bovenste hachelijke knoopje/ van haar bloesje is los,// en daaronder dutten haar vinkjes/ in kwikzuiver beddengoed.’

Je kunt blijven citeren, want Benders heeft een aforistische manier van schrijven. Het gaat hem zo makkelijk af, dat hij de plank ook wel eens misslaat, zoals in ‘Verzet’:

Verzet

Paranoia is een ijzige ster
maar tenminste een begin.

Ik heb altijd mot met de eeuwigheid
ik heb altijd mot met de eeuwigheid.
ik kan niet overweg
met de eindigheid,

was ik maar van sperma,
was ik maar van witte rijst
en jij mijn vallende ster..

ik heb altijd mot met de eeuwigheid.
ik heb altijd mot met de eindigheid.

Het zou weinig moeite kosten een bespreking zo in te richten, dat het accent zwaar op dergelijke minder geslaagde teksten zou komen te liggen, maar dat die gedichten er ook zijn, is inherent aan zijn werkwijze. Hij maakt niet de indruk iemand te zijn die eindeloos aan zijn gedichten wenst te schaven; voor het ‘polissez et repolissez’ moet je stilstaan en terugkijken, terwijl Benders duidelijk iemand is die voort wil, bijna vanuit een vermoeiende Altijd-Door-Heel-Druk-achtige drive.
Het heeft ook te maken met zijn onderwerpkeuze. In ‘Natuurlijk’ stelt hij: ‘ik kan iets beters verzinnen/ dan de wereld mijn fotoalbum laten zien.’ Vandaar dat de bundel veel meer biedt dan de besmuikte verzamelingen privéopnamen van veel van zijn collega’s. Bij Benders gaat het om de hele wereld, en die lijkt soms maar net groot genoeg. Als het teveel dreigt te worden, houden zelfspot en een Titaantjesachtig levensgevoel (zoals dat uit het titelgedicht blijkt) hem op het rechte spoor. ‘Ik ben een dichter’, schrijft hij in ‘Schoonheid’. En hij eindigt dat gedicht met: ‘Hier is mijn visitekaartje.’ Het mag er zijn.

***
Martijn Benders (1971), die behalve ICT’er ook muzikant is, woont en werkt sinds enkele jaren op Buyukada, een van de Prinseneilanden van Istanbul.
De bundel is uitsluitend verkrijgbaar via zijn site Loewak. De verzendkosten bedragen €3,95.

 

Geplaatst in Recensies.