Trudy van Wijk – Wat zingt het popelend refrein

Over muziek en dans in het werk van Ida Gerhardt

door Joop Leibbrand

In Wat zingt het popelend refrein onderzoekt Trudy van Wijk in een zestal essays de betekenis van muziek en dans bij Ida Gerhardt (1905-1997), die zeker niet alleen de dichter van de natuur en de klassieke verzen was. Ze gaat in op verwijzingen naar klassieke muziek en hoe Gerhardt allerlei liedvormen, van kinderliedjes en volksliedjes tot religieuze liederen uit diverse tradities, in haar poëzie integreert, soms heel direct herkenbaar, maar vaak ook alleen duidelijk voor de zeer goede verstaander.
Binnen het kader van het boek is het van belang dat Van Wijk Gerhardt ziet als een primaire dichter (de term is van A. Roland Holst). De primaire dichter heeft deel aan het grote dichterschap, weet zich een bespeelde, een instrument. ‘Dat wat een vers tot een vers maakt/ is niet van sterfelijke oorsprong’, schreef ze zelf in ‘Dichterspreuken I’ (Het sterreschip 1979). Daarnaast noemt ze haar ook een Apollinisch dichter (Vestdijk!), omdat zij de twee-eenheid van maximale fijnbesnaardheid en maximale beheerstheid belichaamt.
Als dichter was Gerhardt dus een zuiver gestemd instrument en wat daarvan in de Verzamelde gedichten is vastgelegd, neemt Van Wijk in haar studie met grote toewijding en inventiviteit weer op. Haar boek is één grote demonstratie van hoe creatief zorgvuldig lezen kan zijn als dat door een grote kennis van zaken gevoed wordt.

Het eerste hoofdstuk is wat mij betreft meteen het boeiendste. Van Wijk bespreekt daarin het gedicht ‘Clara Haskil Mozart Pianoconcert in A-dur‘ uit de bundel De hovenier (1961), het enige gedicht waarin de naam van de uitvoerend kunstenaar wordt genoemd. Haar volgen in de interpretatie ervan is een meeslepend leesavontuur, omdat zij ieder stapje dat zij neemt verantwoordt en beargumenteert en daarin volstrekt overtuigend is.
Een van de leesproblemen in het gedicht is wie bedoeld wordt met ‘gij […] die op aarde naast mij was’ en die direct daarop wordt aangesproken met ‘O liefste, liefste’. Johan Reijmerink (Honger naar het absolute. Beschouwingen over dichters als grensganger, Delft 2005) zag in de gij een dubbelganger van het lyrisch ik, een soort narcistisch spiegelbeeld, maar Van Wijk maakt duidelijk dat het om Marie van der Zeyde, haar partner, moet gaan. Gek genoeg zegt ze niet waarom moet worden uitgesloten dat haar zuster Truus bedoeld zou kunnen zijn. Er is namelijk best iets voor te zeggen: de bundel is aan haar nagedachtenis opgedragen (Truus overleed een jaar eerder) en er staan mogelijk verwijzingen in naar het dichterschap van haar zuster: ‘Herken het tekenschrift/ der vlinders en der purperen honingmerken’ en ‘strofen op aarde onontraadselbaar.’

In hoofdstuk twee wordt de aandacht gericht op liedjes en liederen en daarbij kan zij vooral vaak op intertekstualiteit wijzen. Ze behandelt o.a. ‘Kinderliedje’ (‘k moest dwalen, ‘k moest dwalen/ langs bergen en langs dalen) en een kwatrijn dat als mottovers is opgenomen in De argelozen (1956):

Tussen de rozeslingers en het groen
danste een rei van kinderen in ‘t plantsoen.
Zij zongen: ‘Herder, laat je schaapjes gaan!’
Wat zult gij, land, tegen de wolven doen?

Behalve naar een kinderliedje is er de verwijzing naar het Latijnse ‘homo homini lupus’ en naar de Bijbel, Joh. 10:11-15, de parabel van de goede herder.

In hoofdstuk drie gaat het over de verwerking van diverse religieuze liederen en probeert Van Wijk ook Gerhardts religiositeit te omschrijven: Bijbels, dat zeker, maar beslist niet exclusief calvinistisch. In dit deel gaat ze o.a. in op het sterke ‘Werkloosheid’ uit Sonnetten van een leraar (1951) en het bekende ‘Het carillon’ dat dateert uit 1941 en werd opgenomen in Het veerhuis (1945).
‘Het is hier niet de bedoeling de gedichten in extenso te bespreken. De focus ligt […] steeds op de betekenis van muziek in het betreffende vers’, schrijft ze. Ik begrijp dat ze binnen de context van dit boek niet anders kan en wil, maar jammer is het wel. Juist in de ‘uitleg’ ligt haar kracht.

De drie resterende delen konden mij steeds minder boeien. Misschien omdat er bij deze lectuur toch snel een zekere verzadiging optreedt, misschien ook wel omdat ik de gedichten die nu centraal staan gewoon wat minder apprecieer, al staan in hoofdstuk vijf nog een paar mooie passages over ‘De herschepping’, het Orpheusgedicht uit De ravenveer (1970). Het gaat nu over de dans (Steiners antroposofische euritmie komt nog ter sprake), over muzikale jeugdherinneringen, dromen en muziek, over de eenheid van poëzie, landschap en muziek.

DANS

Wat zingt het popelend refrein?
Kom mede in de snelle rei;
wij dansen op de klaverwei,
met lichte voet, op lichte maat,
totdat de rei verstrengeld staat:
guirlande.

Wat zingt het popelend refrein?
Kom mede in het heerlijk spel;
het uur is kort, de dag is snel,
wij grijpen wat zo rap ontwijkt
als vleugend licht dat overstrijkt
de landen.

Wat zingt het popelend refrein?
Kom mede in de dansfiguur;
wees éne vonk in ‘t kruisend vuur
van ogenlachen naar elkaar,
tot lief bij liefste, paar na paar,
belanden.

Het Veerhuis, 1945

Ed Schilders was eerder in de Volkskrant ook positief over het boek, al vond hij wel dat Van Wijk haar ‘college’ wel in een erg ‘uitlegkundige stijl’ gaf en met ‘een stortvloed aan details’. Dat laatste is zonder meer waar. Van Wijk wil alle feiten en bijzonderheden kwijt die ze heeft opgediept en weet net als zoveel door het volledigheidsvirus getroffen biografen niet de neiging te bedwingen om informatie steeds verder te vertakken: als zij een afslag neemt, wil ze vervolgens ook nog alle zijpaden aflopen.
Niettemin weet Van Wijk zich met deze essaybundel een gelijkwaardige plaats te verwerven naast gezaghebbende Gerhardtbeschouwers als Anneke Reitsma en Frans Berkelmans. (Diens studies in de reeks Acanthvs van de Benedictijner Sint-Adelbertabdij te Egmond zijn verplichte kost voor ieder die Gerhardt met nog meer begrip wil lezen.)
Wat misschien nog een gemiste kans is, is dat Van Wijk niet heeft onderzocht welke bundels van Gerhardt nu de ‘muzikaalste’ of meest ‘muzische’ zijn, en of er misschien ook sprake is van een bepaalde ontwikkeling. Daar zou ze best nog eens een artikel aan kunnen wijden.

***
Dr. G.M.J.A. (Trudy) van Wijk is neerlandicus. Ze publiceerde onder meer De huid vanzelfsprekend bewonen. Over literair-existentialisme en mystiek bij Ellen Warmond (2003) en Vergeet nooit dat ge vleugels hebt, een biografie van de remonstrantse predikant Alle Klaver (2008).
Zie voor meer informatie over Ida Gerhardt de website van het Ida Gerhardt Genootschap  en de door Mieke Koenen en Ben Hosman samengestelde website gewijd aan werk en leven van Gerhardt, met concordantie op haar complete oeuvre.
Voor uitgeverij Eburon zie www.eburon.nl

Geplaatst in Recensies.