Klassieker 152: Paul Snoek – Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten

door Rik Wouters

Meander Klassieker 152

Rik Wouters bespreekt ‘Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten’ van Paul Snoek. De dichter valt met de deur in huis. Hij wil het in zijn gedicht hebben over het scheppen van poëzie, zijn poëzie …

*

Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten?
Waarom ik edel tover aan de wervels van de schoonheid?
Zie, dit is de brekende sleutel.

Ik draag de waarheid in mijn bloed als een volmaakte woede,
de pijn betreed ik langs de wortel van de wonde,
de goedheid is de gaafheid op mijn huid.

En liggend in het wijde bed der rechters,
ik speel met licht en duister als met jonge leeuwen,
totdat de strelende vingers der weelde
als vlinders in mij opengaan.

Dan worden mijn spieren met zijde doorweven
en mijn lippen met sluitende stilte beslagen,
ik word op een plotseling schild geheven
en door zwijgende slaven gedragen

naar een lichtverspillend eiland in het duister.
Daar ik sidder en voorspel de rust
en ik rust er poreus en in luister.

Paul Snoek (1933-1981)

Uit: Nostradamus, A. Manteau, Brussel/Antwerpen/Den Haag, 1963.

ARS POETICA
bij een gedicht van de alchemist Paul Snoek

Het titelloze gedicht met als beginvers ‘Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten?’ verscheen in 1963 in de dichtbundel Nostradamus van Paul Snoek bij uitgeverij A. Manteau in Brussel/Antwerpen/Den Haag. Het maakt deel uit van de cyclus ‘De zilveren dichter’ waarvan het nummer 3 is.

Het gedicht verscheen doorheen de jaren in een aantal uitgaven met verzamelde gedichten van Snoek. In 1991 werd het opgenomen in Paul Snoek, een door Herwig Leus samengestelde bloemlezing die verscheen in de reeks ‘Dichters van nu’ van het Poëziecentrum uit Gent.

Snoek werd op 17 december 1933 te Sint-Niklaas geboren als Edmond Schietekat. Hij heeft gekozen voor het pseudoniem Paul Snoek dat in voor- en familienaam verwijst naar zijn moeder Paula Snoeck.

Als dichter debuteerde hij in 1954 met Archipel. Er verschenen 21 bundels. Als prozaschrijver debuteerde hij in 1957 met Reptielen & Amfibieën. Er verschenen vijf boeken. Zijn verzameld werk verscheen bij Manteau; de Verzamelde gedichten in 1982 en het Verzameld scheppend proza in 1984.

Hij stierf op 19 oktober 1981 te Tielt.

-o-o-o-

Snoek begint zijn gedicht met twee vragen die ik beschouw als retorische vragen. Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten? Er staat eigenlijk niets anders dan: ik zal je zeggen waarom ik zilver smelt in mijn gedichten. De tweede vraag kan op een gelijkaardige wijze herschreven worden.

Snoek verwoordt dus direct waarover zijn gedicht handelt: over gedichten. Niet zomaar gedichten, maar mijn gedichten die hij door het leggen van een link tussen mijn gedichten en zilver maakt tot een kostbaar iets.

In regel 2 gaat het verduidelijken verder. Poëzie is een bijzonder iets dat met toveren of creativiteit te maken heeft. Toveren is niet zomaar een tijdverdrijf, maar een edel iets. Dit edel verwijst naar het zilver uit r. 1: zilver is immers één van de edelmetalen.

Zo valt Snoek met de deur in huis. Hij wil het in zijn gedicht hebben over het scheppen van poëzie wat hij als een zuivere en pure daad van kunstuiting beschouwt. Overdrijft hij door gedichten edel te noemen? Ik denk het niet. Poëzie is de meest zuivere kunstvorm. Terwijl andere kunstenaars een beroep moeten doen op buiten henzelf staande elementen, zweert de dichter bij het woord alleen.
In het tweede deel van r. 2 verduidelijkt Snoek verder. Door zilver te smelten en edel te toveren geeft hij een soort meerwaarde aan het leven dat voor hem schoonheid is. Hij geeft de schoonheid wervels: structuur of ruggengraat.

Hij sluit de eerste strofe af door Zie te gebruiken en daardoor te verwijzen naar wat reeds gezegd is en wat nog moet gezegd worden. Ook dit is de brekende sleutel verwijst naar wat reeds gezegd is en naar wat nog volgen zal. De sleutel is een soort code of geheimtaal die niets anders is dan wat in r. 1 en 2 reeds gezegd is; brekende geeft een, dé eigenschap van de sleutel weer: de code die de dichter is zijn poëzie legt, moet door de lezer gebroken of gekraakt worden. Wat de dichter in poëtische taal meedeelt, moet worden begrepen en verklaard.

In wat volgt, zal de dichter de brekende sleutel tot zijn dichtkunst vrijgeven. Wat volgt, valt – en ik laat de laatste twee verzen buiten beschouwing – uiteen in drie delen: in r. 4-8 wordt de lezer met een actieve dichter geconfronteerd, r. 9-10 vormt een overgang en in r. 11-15 is er de confrontatie met een passieve dichter.

In r. 4-8 wordt de lezer met een actieve dichter geconfronteerd. 4, 5, 6 en 8 zijn in het actief geschreven. De lezer krijgt dan ook te maken met een handelende of doende dichter die maakt. Is het toeval dat het Griekse werkwoord ποειν (lees: po-ein) waarvan poëzie en poëet zijn afgeleid, niets anders dan maken of doen betekent?!

Snoek wil waarheid verkondigen. Welke waarheid? Is het niet zo dat waarheid niet absoluut is? Iedereen heeft wel de waarheid in pacht. Iedereen heeft zíjn waarheid in pacht. Dit is ook bij de dichter het geval: hij heeft het over de waarheid in mijn bloed, de waarheid die in hem aanwezig is. Die waarheid bepaalt zijn leven: ze is immers in mijn bloed, zonder hetwelk leven onmogelijk is, aanwezig. Snoeks waarheid schept problemen die een volmaakte woede tot gevolg hebben. Is de dichter ervan overtuigd dat zijn waarheid dé waarheid is? Doet dat besef hem steigeren en ‘woedend’ worden? Is die woede net als de waarheid in mijn bloed niets anders dan een ‘volmaakt’ iets?
Snoeks waarheid die hij als dé waarheid beschouwt, maar die hem tegelijkertijd woedend maakt (kan het zijn dat hij zijn waarheid verafschuwt?), zorgt voor pijn die hij bewust, langs de wortel van de wonde die het resultaat ervan is, ondergaat. Koestert hij de wonde en de pijn die ze teweeg brengt?
Beschouwt hij zijn waarheid als een positief iets? Is ze de goedheid die zich als gaafheid op mijn huid gevestigd heeft? Kan mijn huid symbool zijn voor het papier waarop hij de gaafheid van zijn waarheid schrijft? Beschouwt hij zijn waarheid als goedheid?

Snoek is een dichter die de confrontatie met de lezers niet uit de weg gaat. Meer zelfs, hij zoekt ze bewust op. Maar hij gaat niet gewoon met hen aan tafel zitten om een oppervlakkig gesprekje over zijn werk te voeren. Nee, hij gaat met hen liggen(…) in het wijde bed der rechters. De keuze van rechters spreekt voor zich: Snoek wil ontleed worden en zich vrij geven, misschien zelfs kwetsbaar opstellen. De personen die met zijn poëzie in contact komen, zijn tegelijkertijd lezer en beoordelaar, passief en actief, …

Wie zijn die rechters? Het zijn jonge leeuwen die niemand anders dan zijn lezers zijn. Zijn ze slechts gewone lezers? Nee, terwijl leeuwen kan verwijzen naar het feit dat die lezers zelf als dichter actief zijn, kan jonge erop duiden dat ze nog maar aan het prille begin van een mogelijke carrière staan.
Snoek heeft het over zijn lezende rechters. Het meervoud is belangrijk. Het wijst erop dat hij in zijn jonge jaren als dichter al een schare lezers had die niet vielen voor de poseur die Snoek wel eens kon zijn, maar zijn werk kritisch benaderden en zijn waarheid wilden doorgronden. Snoek heeft het hen en latere critici niet, nooit gemakkelijk gemaakt: hij speelde met hen een spel van licht en duister, waarheid en onwaarheid (kan dat ook leugen zijn?), nemen en geven, …

In r. 4-8 wordt de lezer geconfronteerd met de elementaire taak van de dichter: tegen alles en misschien zelfs beter weten in gedichten schrijven en een oeuvre uitwerken.

De regels 9 en 10 kondigen de overgang naar r. 11-15 aan. Ik heb geschreven dat Snoek al snel een gewaardeerd en gerespecteerd dichter was: hij voelde immers de strelende vingers der weelde. Wijzen die strelende vingers erop, dat er ook lezers waren die eropuit waren in zijn gratie te komen? Die strelende vingers zorgden voor een weelde aan aandacht die de dichter niet onberoerd liet.
In r. 9-10 wordt de dichter uit de eerste regels beloond. Zijn werk heeft gerendeerd. Hij heeft aandacht gekregen. Hij is beroemd geworden. Zijn werk wordt gerespecteerd en kritisch becommentarieerd.

In r. 11-15 wordt de lezer met een passieve dichter geconfronteerd. De aandacht die hij gekregen heeft, en het succes hebben positieve en negatieve gevolgen.

De negatieve overheersen. mijn spieren, die verwijzen naar het bloed uit r. 4, worden met zijde doorweven. Snoeks waarheid wordt aan banden gelegd. Er is wel sprake van zijde, een duur iets, maar geen zilver uit r.1 of een edel iets uit r. 2. Ik kan dan ook aan niets anders denken dan aan een vogeltje in een gouden kooi of een vadsige Merovingische koning uit de zevende eeuw.

De lippen van de dichter worden met sluitende stilte beslagen. Er wordt zoveel beslag gelegd op Snoek, dat hij tot stilte of niet dichten veroordeeld wordt. Die stilte is ‘sluitend’, absoluut. sluitende verwijst naar de sleutel uit r. 1. De dichter is niet langer creatief zodat er niet langer een sleutel moet zijn om de code brekende uit r. 3 te ontcijferen. De creativiteit is volledig aan banden gelegd.

Toch is er, even maar, nog een positieve sensatie: de dichter word[t] op een plotseling schild geheven. Ik stel het me al voor: Snoek wordt net als Abraracourcix, de leider van het Gallische dorpje uit “Asterix de Galliër”, op een schild rondgedragen. Even is Snoek weer de gevierde dichter uit r. 9-10. Lang duurt het moment de gloire echter niet. Het schild wordt gedragen door slaven en dit in tegenstelling met de jonge leeuwen uit r. 8 die wél met Snoek in discussie durfden te gaan. De dichter is van gelijke en deelgenoot in de poëzie veranderd in een voorbeeld, een toonbeeld, een meester die in niets mag worden tegengesproken. Hij wordt dan ook gedragen door zwijgende slaven.

Snoek wordt gedragen, maar niet naar een podium of een piëdestal. De tocht gaat naar een lichtverspillend eiland in het duister. Het eiland staat voor isolement. Het beklemtoont, dat er een einde is gekomen aan het ‘gespeel’ met de jonge leeuwen uit r. 8 die als de rechters uit r. 7 recht van spreken en oordelen, zelfs veroordelen hadden. De dichter wordt als het ware gevat in lichtbundels die slechts lichtverspillend zijn. De kritische, creatieve en actieve volgelingen uit r. 7-8 hebben plaats moeten maken voor de slaafse navolgers die zich hoeden om kritiek te geven, uit r. 14. De dichter is nog wel bekend bij het grote publiek, maar staat eigenlijk in het duister, want afgezonderd van diegenen die vroeger weerwerk gaven en hem naar dichterlijke topprestaties stuwden.

In r. 11-15 wordt de lezer geconfronteerd met de op succes terende dichter: hoewel hij gevierd wordt, heeft hij het contact met zijn critici verloren. Het gevolg daarvan wordt niet verwoord. Ik zie twee mogelijke gevolgen. Is hij als dichter opgebrand? Is hij gedoemd om zichzelf gewoon maar nog te herhalen?

In r. 16-17 zit Snoek op zijn tweeslachtige lichtverspillende eiland in het duister. Uit al het voorgaande trekt hij conclusies, die niet uniform zijn.

In r. 16 siddert hij om wat gebeurd is in zijn passieve periode en voorspelt hij de rust. Welke rust? Wil hij opnieuw tot rust komen om weer de waarheid in mijn bloed als een volmaakte woede uit r. 4 uit te dragen? In r. 17 lijkt Snoek gekozen te hebben voor een leven op het lichtverspillend eiland in het duister van r. 15. Hij berust erin. Hij rust er poreus. Wijst poreus op een vorm van heimwee naar zijn actieve periode? Indien dat zo is, moet die gedachte al snel plaats maken voor een rust in luister, in een zich koesteren in de oppervlakkige, maar overvloedige aandacht voor een zwijgende en gevallen dichter die zich een beetje god waant.

-o-o-o-

Een gedicht vol zelfkennis. Een gedicht dat die dichter aanklaagt die zich al te snel koestert in succes dat slechts tijdelijk is, als men niet evolueert.

Paul Snoek heeft na 1963 nog vele goede, zeer goede gedichten geschreven!

 

Geplaatst in Klassiekers.