Jan Lauwereyns – Hemelsblauw

Een nevelige blik op de berg Fuji

door Johan Reijmerink

Bij eerste lezing van de afdelingen in de nieuwste bundel Hemelsblauw van Jan Lauwereyns valt je direct naar vorm en inhoud de eigenzinnigheid op die de dichter hanteert. Vier doorlopende parabelen in veelal korte strofen van één, twee, drie of tien regels. De tweede afdeling ‘Rondom de boom’ heeft de gedaante van een verhalend prozagedicht, zoals dat van oudsher gebruikelijk is in de Chinese en Japanse poëzie. Maar bovenal raak je direct verstrikt in de over elkaar heen tuimelende beelden in de overige afdelingen. De associatieve sprongen zijn groot. Woorden en beelden lopen nogal uiteen. Zo nu en dan gebruikt hij wat nieuwvormingen als ‘regenboogschepping’, ‘veelstammige herinnering’ en op zichzelf staande verrassende beelden en paradoxen: ‘de krochten van de zelfverloochening’ of ‘je gesloten volledigheid’. Grotendeels gewone woorden.
Telkens bekruipt je het gevoel dat Lauwereyns weidse perspectieven opent, en toch lopen de lijnen op een of andere manier niet bovengronds door, maar gaan ze ondergronds verder. In die zin ondervind je in zijn poëzie enig invloed van de Aziatische wereld waarin hij dagelijks leeft en waarin het leven aan de oppervlakte lang niet altijd verraadt wat daaronder leeft. Het hangt ongetwijfeld samen met zijn interesse als wetenschapper in de werking van onze hersenen.

Waar het voor mij als beschouwer van poëzie op aan komt, is dat ik niet zozeer alleen moet letten op de eigenlijke betekenis van de woorden, maar dat ik er ook op dien te letten, in hoeverre de wijze en intensiteit van werken en de mate en aard van de moeilijkheden eruit blijkt die de maker zich heeft opgelegd. Die intensiteit is zeker merkbaar in deze gedichten, de moeite die de dichter zich ervoor getroost eveneens. Eerlijk gezegd ervaar ik zelfs te veel worsteling om het ‘mot et image juste’ te vinden.
Wat de hele bundel door overheerst, is een spel met de vorm. Dat stelt voor mij de inhoud te veel in de schaduw. Of dat nu het prozagedicht, de eenregelige verzen uit de derde en de vierde afdeling of de tienregelige strofen van de vijfde afdeling is, met de vorm wil Lauwereyns de inhoud samenhang verlenen en tegelijkertijd zwarte gaten in de betekenissamenhang in stand houden. Ligt daarin niet juist de kracht of juist de zwakte van deze poëzie? Constructie of intuïtie? Bewust of onbewust? Ik bespeur te veel een gewilde, bedachte constructie.

De gesluierde eenvoud van Lauwereyns’ beelden en woorden, de korte versregels verbergen een complexiteit, die je al te gemakkelijk zou kunnen doen denken dat zijn associatieve manier van werken gemakkelijk zou kunnen nabootsen. Vooralsnog intrigeert zijn poëzie, maar irriteert mij ook. Vreemd en dichtbij in sfeer en beeld. Ze straalt een weldadige rust, maar ook een beheersing van de wereld uit die ze daardoor weer zo vertekenend werkt.
Wat dat betreft is de dichter op een eigenzinnige wijze aan het weven: ‘Tekst, een tekst, de tekst, weven wij/ In, en van, en voor , alles of niets//’. De Else uit de eerste afdeling duikt telkens op in de herinnering van de dichter als brandpunt van ‘de verdwenen parabool’. Je kunt niet anders zeggen dat Lauwereyns in staat is gespannen poëzie te schrijven, vol zwarte gaten. Zijn poëzie kent misschien wel te veel beelden die elkaar soms in de weg zitten, elkaar verduisteren in plaats versterken en verhelderen. Er hangt een sluier over zijn taal, en die trekt hij er niet van af.

De eerste cyclus ‘Parabel voorbij de regenboog’ bergt uiteindelijk een liefdesgeschiedenis in zich, die op een heel associatieve en indirecte wijze tot zijn ontvouwing komt.

Vele woorden van liefde
Bij de finale aflopen van alles, absurd

En toch, en evengoed, zal niets gedaan zijn
Wat achteraf gezien onmogelijk bleek

Nergens resten wat ooit zeker zou
Geen wijsheid of richtlijn

Dan in het brandpunt
De verdwenen parabool

Die cirkel werd, meisje
Hemelsblauw

Aan deze cyclus ontleent de bundel zijn titel. De cirkel sluit zich aan het einde van dit gedicht. De dichter weeft zich een liefde, een geliefde voor de geest. Ze verschijnt op en verdwijnt weer van het papier. Ze wordt ondergebracht in een wiskundig model, gevangen in een denkbeeldig kader. Wat betekent aanwezigheid van liefde? Wat is liefde? Hoe dichtbij kan ze zijn?

De tweede parabel is die van de oude, lieve meneer Nakazato en de eeuwenoude boom. Hoewel de man heel oud is en meent recht van spreken te hebben over zijn tuin, zijn boom, zijn eigendom, moet hij uiteindelijk erkennen dat wij het bezit zijn, dat hij het bezit is van de natuur. Die omkering brengt Lauwereyns tot leven. Het gegeven is van alle tijden. Maar het modieuze incident met de kerstverlichting waar hij op zijn oude dag zich nog toe weet verleid, toont hem ons als een man van deze tijd. Even is hij zijn bron van alle leven vergeten en waant hij zich de alleenheerser van zijn leven. De ik die in samenspraak met zijn kleinzoon Fumio de verlichting laat verwijderen, bezorgt Nakazato een opwinding die uitmondt in een hersenbloeding.

Wij zijn zoals de bladeren van de zelkova, we blijven
groen voor een tijdje, zo lang houdt de boom het
met ons uit, en dan laat hij ons los

‘Addertje zonder kop’ bevat eenregelige verzen met het karakter van een innerlijke monoloog. Een addertje zonder kop gevonden onder het blad. In een aarzeling die een gedicht lang duurt, keert telkens de vraag terug of dit een gedicht is. De adder zonder kop, dood, giftig. Je durft het nauwelijks op te rapen. Is het wel echt? De kop van de adder opgepikt door de kraai die het weer laat vallen, opgeslokt worden door een karper. Al die vervolgstappen in het gedicht betekenen voor mij fasen in de totstandkoming van een gedicht:

alsmaar in gedachten het koploos addertje kop

Is het dan een gedicht

Zoiets is toch een gedicht

Altijd maar denken

Aan de kop van het addertje zonder kop

Omdat hij het opgevreten had

Wat je waarneemt, laat zich niet altijd direct begrijpen.

Trein die stilstaat

Woorden die je niet begrijpt

Is dit dan de theorie van het gedicht

Van het addertje zonder kop

Onder gebladerte de rest van het gedicht

Zekere dag in de tuin, het gedicht zonder kop

Op bedachtzame wijze toont Lauwereyns hier de hinkstap sprongen van een dichter die struikelt over een adder zonder kop, en soms over zijn eigen woorden en beelden. Het blijft cirkelen rond de kern.
Het gedicht over een onherbergzame gorilla volgt als vierde parabel. De dichter probeert betekenissen te geven aan het ‘haar’ van de gorilla’s. Het gaat om de verovering van het vrouwtje door het mannetje. Een leugenachtig scheppingsverhaal dist de dichter hier op. Ze verschuilt zich achter zijn beharing. In een stroom van woorden legt Lauwereyns hier een natuurlijke paring vast met alles wat daarbij te pas komt.

De dubbele omhulling
Zo dicht geweven

Het gat dat
Taal Hem bood

Haar leed
Verschrikking en dood

Het onzegbare gezegd te hebben
Het perfect gesproken te hebben

Soms schildert ze
De ballade
De verbijstering

In deze afdeling scheren de verrichtingen van de dichter tussen de natuurlijke gebeurtenissen door. Dit amalgaam aan indrukken, klanken en schilderingen doet afbreuk aan de trefzekerheid van de waarnemingen. Op een of andere manier blijft de fragmentatie zo overheersend dat er zich vanuit de tekst geen ordeningen aandienen. Maar misschien is dat juist wat de dichter ons wil voorhouden.
Dat geldt ook min of meer voor de laatste afdeling ‘Zoals vuur vuur uitademt’. De ballade van Zin en Verlies. Het

Zwemmen in je kennisveld
De ordening van het zichtbare
Het duiken in een leegte
De bossen in
De enkelvoudige nacht van stoffelijkheid
Het onverzoenlijke hart

Een dergelijke opsomming geeft blijk van een diepe behoefte greep te krijgen op een waarneming, een ervaring, zonder dat daar ook maar enige kans toe bestaat. Er is sprake van een hoge mate van abstractie. De dichter komt niet veel verder dan

De rijkdom van vreemde lettertekens
Nederlands, ondergronds
De dichterlijke schepping van kersenbloesem
Slechts een keuze van
Het punt waaraan voorbij
Kersenbloesem
Dichterlijke schepping

Je krijgt in deze bundel de indruk dat je in een rijk van diepe duisternis terechtkomt, zonder dat je een gids hebt toegewezen gekregen. Het is dolen geblazen aan de voet van de berg met de irritante wetenschap dat andere lezers al zoveel schoonheid in deze contreien ontdekt schijnen te hebben, die jij nog niet hebt kunnen waarnemen. Voor mij bleef deze bundel een blik op de berg Fuji, in nevelen gehuld. Ik heb de zon niet zien opkomen.

***
Jan Lauwereyns (1969) is als neuropsycholoog verbonden aan de Victoria University te Wellington. Hij debuteerde in 1999 met Nagelaten sonnetten, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Buigzaamheden (2002) werd bekroond met de Hugues C. Pernath-prijs. In 2007 verscheen zijn vijfde bundel, Anophelia! De mug leeft. Daarnaast schreef hij een roman, Monkey business. Zijn essay Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie werd genomineerd voor de Vlaamse Cultuurprijs.

Geplaatst in Recensies.