H.H. ter Balkt – Vliegtuigmagneet

Aangetrokken door de vliegtuigmagneet

door Levity Peters

Zo enthousiast zijn over een dichtbundel, dat je zou willen dat mensen met je konden meelezen, het plezier delen, de bewondering… Dat overkomt me na het lezen van Vliegtuigmagneet, de 24e bundel van H.H. ter Balkt. Na de derde lezing ben ik nog steeds geraakt.

De foto op de lila omslag toont een magneet boven een ochtendlijk/avondlijk heidelandschap waaruit hij schuin omhoog lijkt te worden getrokken. Als een stuk vuilnis, weg uit de natuur; de hemel in. Maar misschien valt hij wel. Is hij bedoeld om vliegtuigen uit de lucht te trekken, naar de aarde terug.
Mijn indruk dat hij opstijgt, werd opgeroepen door een aantal gedichten waarin een gevoel van ruimte en verruiming wordt geëvoceerd. Dat doet Ter Balkt door totaal verschillende tijden en zaken met elkaar te verbinden, zoals in dit gedicht:

Sterrenlicht

Zoals punten de voetstappen zijn
van uitroeptekens, en Cruquius
Het Oergemaal is, zand wat blijft
van gebergten en eens een zang

sylllaben en glanzend sterrenlicht
uit het modderige duister maalt,
brandt op de driesprong de lamp nog
in de herberg met verdampte olie

en wandelt de weg de velden over,
maar daalt de helling de heuvel af,
blijft het varken over ‘t hek zien,
met de op- en ondergaande zon

in zijn groen oog; hij blijft kijken
naar ‘t licht al vliegen de messen
als vogelvluchten eeuwig voorbij
en malen altijd de gemalen en molens;

een potje delicate lijsterborsten
begraven door een Romein in Jaar 1
smadelijk gegaan en vergeten Anno 1,
vestig daarop je oog niet blijvend.

De vanzelfsprekendheid waarmee je rustig en kalm wordt meegenomen, van het ene naar het andere. Het loopt zo heerlijk, zo muzikaal. Al gaande door het gedicht wordt de wereld groter, ruimer, krijgt steeds meer inhouden, totdat, na dat potje lijsterborsten, de gevluchte, vergeten Romein die ze begroef, het advies volgt: vestig daarop je oog niet blijvend.

Al laat je je door Ter Balkt door zijn wereld loodsen; het is ook onze wereld. Die van vroeger, die van nu. Je kunt ervan houden, je kunt hem verafschuwen, er met dedain op neerkijken; het groene oog van het varken blijft je achtervolgen. Het heeft iets menselijks, zoals in het eerste gedicht van de bundel (‘Erger nog‘) ‘het mooie oog van de maanvis’ wijd geopend, nog altijd menselijk en bijna levend blijft kijken. Ze roepen je ter verantwoording.

In vrijwel alle gedichten worden we bewust gemaakt van wat en hoe we zijn. Met urgentie, maar speels. Niet door een schoolmeester, maar door een dichter:

De stofsliert en de vliegtuigmagneet

[…]

De stofsliert met de drakenkop
die in de luchtstroom slingert
wordt niet moe te herhalen “Stof
zijn wij, alleen slingerend stof”

Eindigend met de regels:

Buiten waait de wind, kinderen en
oh schaapskudden, blijf op de been

Onschuldige kinderen, op één lijn met schapen, misschien wel zwarte, waar de dichter met zijn ‘oh’, zijn grootste betrokkenheid legt.

In het apocalyptische ‘Tractorsporen’ roept hij uit:

Ochèrm, er was geen weidsheid
in ons

Die weidsheid, de geestelijke ruimte, en heel aards; de weidse, door ‘de vooruitgang’ bedreigde en terug gedrongen natuur, zij vormen de grondtoon van deze poëzie.

Even verder in het gedicht lees je:

Wereldleiders onder hun
paddestoelhoed
spraken inerte incunabelen na:
“Ga nu maar weg van het hooiland,
Wees een doorgangshuis”

Wie hoort daarin niet de stemmen van onze economen en politici ?

Angstig trilden de bladeren

Op velden en wegen God noch orakels
en de aardgoden hielden de wacht
over hun sprakeloze kudden

Hebben die kudden in hun sprakeloosheid niet ook iets zeer menselijks ?
Zo worden wij door Ter Balkt telkens weer terug in de natuur geplaatst.
Kuddedieren.

Ter Balkts gedichten hebben een opzienbarende gelaagdheid. Je hoeft er niet naar te vissen; elke lezing toont je, als vanzelf, verschillende facetten. Elk woord (vanzelfsprekend) telt. Hij schrijft zo virtuoos, dat het niet opvalt.
Je kunt hem nostalgisch noemen, een mopperende oude man, maar terwijl hij de teloorgang oproept van een eeuwenoude landweg, besluit hij, versextern, met een ‘vergeef het hen, want zij weten niet wat zij doen’ :

De landweg

De landweg gevoederd met stof (de brandstof
Van de landweg) schudt zijn vossenstraart, schuw:
Voor jij piepen kon droeg ik het rad al,
roodkoperbeslagen wiel van de liefde !

Zegt hij en draagt een roekoeënde duif, zegt
hij ‘Arcadia’ …fluistert. Adellijk
ontzwom ik een charter (1313)
en besta nog, eens een machtige heerbaan.

Nu leid ik karren rond, als gids van duister,
langs de hut van een gek waar de kaarsvlam woedt.
Gras snoert mijn strot, een zeer eenzaam voerman.

Mijn steniging op handen, ik Stefanus…
mijn salamanderstaart zal knakken, ik zal
stil uitzien aan ‘t kruis van de snelweg.

Om zulke poëzie te kunnen schrijven moet je werkelijk van de aarde houden, van de natuur, de dieren, en van de mensen; sceptisch maar nog hoopvol. En blijvend verliefd zijn op onze schitterende taal.

Nu ga ik opzoeken wie Chichele was, (uit ‘Erger nog‘ en ‘Uit de oude nerf’ )
wat Cruquius, wie de Hodge Podge Stompers waren die ‘Trouble in mind’ speelden in 1958, het jaar dat de jonge H.H. zijn eerste verhaal schreef, dat hij verscheurde, maar dat in deze bundel weer ten dode wordt gewekt door de oude, met daaronder: 1958…
En ik ga de bundel opnieuw lezen, ‘de nieuwe zee’ op, ‘in de torendiep ratelende wateren /spelen’ als een dankbare, onverzadigbare lezer.

***
H.H. ter Balkt (1938) publiceert poëzie, essays, toneel en proza, aanvankelijk onder de pseudoniemen Habakuk II de Balker en Foel Aos, later onder zijn eigen naam. Zijn oeuvre werd bekroond met onder meer de Herman Gorterprijs (1973), de Jan Campertprijs (1988), de Constantijn Huygensprijs (1998) en de P.C. Hooftprijs (2003).

Geplaatst in Recensies.