Klassieker 155: Ida Gerhardt – Sappho

door Karin Doornik

Meander Klassieker 155

Karin Doornik analyseert Ida Gerhardts ‘Sappho’. Het is het derde gedicht van Gerhardt in deze serie; eerder werden ‘Α en Ω’ (Sonnetten van een leraar, 1951) en ‘Christus als hovenier’ (De hovenier, 1961) besproken.

Sappho

Nòg staat haar voetstap in het gouden zand
en in de purp’ren branding wordt gesproken
met hàre stem – hel, in de val gebroken –
de donk’re omslag ruisend langs het strand.

Zij ging de zware gang: van het praegnant
begin, de vlam van drift ontstoken,
tot strenge en kuise arbeid en beloken
beluist’ren van een goddelijk verband.

Dit maakt ons ademloos bij haar geluid
wanneer het stijgt, of donker zingt en klaagt;
het leven zelve beeft in deze toon.

Zoals de zee, die om dit eiland sluit,
verlangens oerzang naar de kusten draagt. –
Er is geen scheiding in hun beider schoon.

Ida Gerhardt (1905-1997)

Uit: Verzamelde gedichten, Atheneum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 5e druk 1992.

Ik las jaren geleden voor het eerst de vertaalde fragmenten van Sappho’s gedichten en herinner me nog dat moment van euforie. Hoe is het mogelijk dat een dichteres die meer dan 2600 jaar geleden leefde, zo direct tot mij sprak? Had ik eenzelfde ervaring als Ida Gerhardt misschien ooit gehad moet hebben bij haar kennismaking met deze dichteres?

Gerhardts bewondering is duidelijk te lezen in haar gedicht ‘Sappho’, dat oorspronkelijk verscheen in de bundel Het Veerhuis (N.V. Uitg. v.h. C. A. Mees, Santpoort, 1945). Het is niet het enige gedicht dat aan haar gewijd is of waarin zij voorkomt. In Gerhardts oeuvre vinden wij in De Hovenier het gelijknamige gedicht ‘Sappho’ en in haar laatste bundel De Adelaarsvarens staat’, naast een verwijzing in een ander gedicht, ‘Tot Sappho’: ‘Kostbaar is mij alles van u;/ ik nader het niet dan met schroom.

Sappho wordt verder genoemd in ‘Fragment” uit De Ravenveer: ‘Sappho, de ondoorgrondelijke naam’ en in Twee uur: de klokken antwoordden elkaar, waarin ze duidelijk van haar bewondering getuigt:

Ik dacht aan de verrukkingen van mijn jeugd,
aan dichters die mij brood en beker zijn:
zanger der zangers die Homerus heet,
en zij, als sterren aan het firmament,
Sappho, Alcaeus, Alcman, Pindarus,
wier strofen zelve sterrenstelsels zijn,
stralend in hun gestrenge samenhang.

En verder komen we nog een aantal keren de aanduiding ‘Sapphisch’ tegen, ook nog in een aantekening bij het Sapphogedicht in De Hovenier, waarin zij noteert: ‘Dit vers heeft, evenals het volgende, de Sapphische strofevorm. De Griekse dichteres Sappho leefde ±600 v. Chr.’

Dat Sappho’s poëzie nog steeds zoveel mensen aanspreekt, kan voor een deel verklaard worden uit het fragmentarische karakter van wat er overgebleven is van haar werk, waardoor we deze poëzie in weerwil van haar oorsprong bijna lezen als ‘vrije’ verzen. Slechts één gedicht is in zijn geheel bewaard gebleven, een hymne aan Afrodite. De rest van haar werk bestaat uit flarden van gedichten, het is ‘verminkte’ poëzie. Anno 2012 worden wij, lezers, door deze fragmenten in de gedichten getrokken, juist door de woorden die er niet staan, want er wordt daardoor een beroep gedaan op ons voorstellingsvermogen. Het is wat J.H. Leopold de ‘rijkdom van het onvoltooide’ noemde.

Er zijn veel voor de hand liggende redenen waarom Ida Gerhardt een bewonderaarster was van Sappho. Gerhardt was dichteres en docente klassieke talen. In haar poëtica namen klassieke elementen, naast Bijbelse motieven en het dichterschap zelf, een belangrijke plaats in. Er is misschien nog een reden. Sappho deelde haar leven met vriendinnen, mogelijk leerlingen of mede-dienaressen aan de cultus ter ere van Afrodite. Ida Gerhardt woonde samen met haar levensgezellin Marie van der Zeyde, letterkundige en vertaalster. Dit duidt op een mogelijk lesbische geaardheid, die zich bij beide vrouwen echter op indirecte wijze uitte. Vrouwelijke homoseksualiteit zal wel voor eeuwig verbonden blijven aan Sappho en het eiland Lesbos, net zoals Sappho nog altijd ‘lelijk, klein en donker’ genoemd wordt.

STROFE 1
Zonder moeite kunnen we ons wanen op Lesbos, het Griekse eiland, maar het schijnt dat Gerhardt geïnspireerd werd door langs het strand van een Hollands Waddeneiland (Terschelling?) te lopen. Het gouden zand in regel 1 lijkt voor de hand liggend vanwege de kleur: goudgeel. Toch lijkt me hier nog een andere interpretatie op zijn plaats. Sappho gebruikt het begrip goud in verschillende gedichten.
(Ik gebruik voor de voorbeelden de uitgave ‘Sappho van Lesbos: Eros ontwortelt mijn hart‘ van Aart R.P. Wildeboer en Pierre J. Suasso de Lima de Prado; Anthos, Baarn, 2e druk 1991.)

Goud is een godenkind
wormen noch motten
tasten het aanGoud
overmeestert zelfs
het hart van de sterkste

en

De Gouden Muzen
gaven mij
ware rijkdom
dood
zal ik niet vergeten wordenZij hebben mij geëerd
door het geheim
van hun kunst
met mij te delen

Dit verwijst duidelijk naar de onsterfelijkheid van Sappho’s poëzie, dat haar voetstappen nu nog in het zand staan.

Waarom kleurt Gerhardt in regel 2 de branding purper? Het ligt voor de hand er een verwijzing in te zien naar een zonsondergang. Sappho gebruikt echter het woord purper ook diverse malen, zoals in deze voorbeelden: ‘Eros/ neerdalend/ uit de hemel/ droeg een/ purperen/ soldatenmantel’ en ‘De plooien van een/ purperen sjaal/ strelen je wangen

Het is interessant om je af te vragen of Gerhardt heel bewust deze kleur heeft gekozen, of dat zij zodanig beïnvloed is door de klassieken in ’t algemeen en Sappho in het bijzonder dat een woord als purper tot haar woordenschat is gaan behoren. Purperen branding kan ook letterlijk genomen worden als de rode gloed van de diverse verbrandingen van Sappho’s werk in 380, 391 en1073 na Christus.

In regel 3 horen we ‘háre stem – hel, in de val gebroken – ‘, hel hier in de betekenis van ‘doordringen van toon, helder klinkend’, contrasterend met de ‘donk’re omslag’ na de val. De ‘val’ duidt ook hier waarschijnlijk weer op de diverse verbrandingen en ‘gebroken’ op de fragmenten die nog over zijn van Sappho’s werk.

STROFE 2
In deze regels lijkt Gerhardt zich geheel met Sappho te identificeren. In regel 1 en 2: ‘zij ging de zware gang, van het praegnant / begin, de vlam van drift ontstoken‘ schetst zij de grote toewijding van Sappho aan haar werk tot het einde toe, een toewijding die zijzelf ook altijd heeft getoond in haar gedichten. Het ‘praegnant begin‘ associeerde ik aanvankelijk met de vermoedelijke zwangerschap van Sappho, die in een van haar gedichten schrijft ‘Ik heb een dochtertje Kleïs, een gouden bloem gelijk‘. Maar misschien moeten we het opvatten als ‘in beknopte vorm veel inhoudend, scherp geformuleerd’. De ‘vlam van drift’ duidt dan op de liefdeslyriek.

In regel 3 en 4 beschrijft Gerhardt haar in haar ‘strenge en kuise’ arbeid. Hier verwijs ik graag naar het gedicht ‘Zelfportret’ uit de bundel Vijf vuurstenen uit 1979, waarin Gerhardt haar levenslange toewijding aan de poëzie zo prachtig verwoordde:’Oud ben ik en verweerd./ Ik tel mijn jaren niet./ […] Ik tel mijn moeiten niet./Arktisch welhaast de tucht/ waarvan geen wereld weet:/ ballingschap tot het vers’.

Het ‘kuise‘ zou kunnen duiden op een leven zonder seksuele betrekkingen, iets wat me bij Sappho niet waarschijnlijk lijkt, maar wellicht bij Gerhardt wel van toepassing was. Het ‘goddelijk verband’ verwijst naar de erediensten voor Aphrodite en de verschijning van Hermes die ze in haar gedichten beschrijft.

STROFE 3
Deze regels beschrijven de lyriek in Sappho’s poëzie, en wel zodanig dat haar ‘geluid’ nu nog steeds te horen is. Gerhardt maakt hier duidelijk hoe dicht Sappho bij de hedendaagse lezer staat. Gerhardt gebruikt de onvoltooid tegenwoordige tijd:’ dit maakt ons ademloos.’ Door het woord ‘ons’ te gebruiken maakt ze de relatie tussen Sappho en het lezerspubliek van onze tijd voelbaar. In deze strofe gaat ze nader in op de accentuering in regel 3 van strofe 1: ‘háre stem’.

STROFE 4
Gerhardt gebruikt hier motieven die ook in Sappho’s gedichten voorkomen. In het gedicht ‘Atthis’ lezen we de volgende regels:


zij wandelt doelloos
denkend aan haar geliefde Atthis
Verlangen pijnigt haar begerig hart
zij schreeuwt: Kom hierheenen wat zij roept weten wij
maar al te goed
jij en ik

want de fluisterende nacht
herhaalt die kreet
over de glanzende zee
die ons scheidt

Gerhardt:

Zoals de zee, die om dit eiland sluit,
verlangens oerzang naar de kusten draagt. –
Er is geen scheiding in hun beider schoon.

De stem van Sappho spoelt aan op het strand, het is de zee die ons haar liederen brengt, een oerzang die al 26 eeuwen de lezer bereikt.

 

Geplaatst in Klassiekers.